Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.5.2
VI.5.2 Voordracht voor de benoeming van een bestuurder
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242684:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Schwarz 2017b, p. 138.
Zie hierover § V.5.2.4.
Idem onder anderen Dortmond, Kroeze & Nowak, Ondernemingsrecht 2010/9; Handboek 2013/234, p. 496; Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:129a/239a BW, aant. 5.3.1; en Nowak, Ondernemingsrecht 2016/113.
Evenzo Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124.
Volgens best practice bepaling 2.3.2 van de Code wordt de selectie- en benoemingscommissie ingesteld om de besluitvorming voor te bereiden. Zelfstandig besluiten kan de commissie niet. Dat kan alleen wanneer haar die bevoegdheid bij of krachtens de statuten is toegekend, zo volgt uit art. 2:129a/239a lid 3 BW. Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/443; Borrius 2012, p. 113; en Dortmond, Ondernemingsrecht 2005/90.
Zie art. 14.2 van de statuten van OCI NV d.d. 15 september 2016; art. 16.2 van de statuten van Prosus NV d.d. 16 september 2019; en art. 13.3 van de statuten van Amsterdam Commodities NV d.d. 28 april 2017. In § IV.2.2.3.b schreef ik al dat het voordrachtsrecht bij OCI NV en Prosus NV niet bindend van aard is. Vermeldenswaardig is verder dat het bestuur van Unilever NV het recht heeft een voorstel voor de benoeming van een bestuurder te doen, zie art. 19.5 van de statuten van Unilever NV d.d. 9 mei 2012.
Evenzo Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124. Voor de volledigheid wijs ik erop dat een uitvoerend bestuurder vanzelfsprekend wél een tegenstrijdig belang heeft bij het opmaken van een voordracht die verband houdt met zijn herbenoeming.
Zie § V.5.2.4.
Zie § V.4.2.
Evenzo Dortmond, Ondernemingsrecht 2013/124.
Zie § V.2.
In een one tier board kunnen de statuten op grond van art. 2:133/243 lid 1 BW bepalen dat de niet-uitvoerende bestuurders een bestuurder mogen voordragen. Ook kunnen de statuten bepalen dat deze bevoegdheid op het bestuur rust. De bevoegdheid kan vervolgens ex art. 2:9 lid 1 BW worden toebedeeld aan de niet-uitvoerende bestuurders. Volgens Schwarz kan dat niet, maar moet dat. Hij vat het eerste lid van art. 2:129a/239a BW zo op dat de bevoegdheid tot het doen van een voordracht steeds en bij uitsluiting bij de niet-uitvoerende bestuurders moet liggen.1
Ik onderschrijf zijn opvatting niet. Art. 2:129a/239a lid 1 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder niet aan een uitvoerend bestuurder kan worden toebedeeld.2 De bevoegdheid kan derhalve aan de niet-uitvoerende bestuurders worden toegedeeld, maar de regeling van art. 2:129a/239a lid 1 BW schrijft dat niet voor. Het voordrachtsrecht kan krachtens art. 2:133/243 lid 1 BW ook aan anderen – zoals de ondernemingsraad of een prioriteitsaandeelhouder – worden toegekend.3 Komt het bestuur de bevoegdheid toe om een voordracht voor de benoeming van een bestuurder op te maken zonder dat die bevoegdheid vervolgens is toebedeeld aan de niet-uitvoerende bestuurders, dan rust die bevoegdheid mijns inziens op het voltallige bestuur.4
De niet-uitvoerende bestuurders zijn dus slechts belast met het doen van voordrachten voor de benoeming van een bestuurder indien deze bevoegdheid hen expliciet is toebedeeld. Heeft de vennootschap een selectie- en benoemingscommissie ingesteld, dan zal de commissie de niet-uitvoerende bestuurders daarbij ondersteunen.5
Ik wijs ter illustratie op de gang van zaken bij OCI NV, Prosus NV en Amsterdam Commodities NV. De statuten van deze beursgenoteerde vennootschappen kennen het bestuur het recht toe een al dan niet bindende voordracht op te maken voor de benoeming van de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders.6 In de statuten van OCI NV en Prosus NV is uitdrukkelijk bepaald dat de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. In de statuten van Amsterdam Commodities NV ontbreekt een dergelijke bepaling. Aangezien de uitvoerende bestuurders van Amsterdam Commodities NV niet per definitie een tegenstrijdig belang hebben, hoeven zij zich mijns inziens niet te onthouden van de beraadslaging en besluitvorming omtrent de voordracht.7
Aangezien de niet-uitvoerende bestuurders belast zijn met het houden van toezicht op de uitvoerende bestuurders, acht ik het onwenselijk dat laatstgenoemden betrokken worden bij het doen van voordrachten voor de benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder.8 Tegen deze achtergrond raad ik vennootschappen aan deze bevoegdheid aan de niet-uitvoerende bestuurders toe te bedelen. Art. 2:9 lid 1 BW biedt daartoe de mogelijkheid.9 Vervolgens kan op grond van het derde lid van art. 2:129a/239a BW bij of krachtens de statuten worden bepaald dat de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders besluitvormingsbevoegd zijn.10
Hoewel de uitvoerende bestuurders onder de thans vigerende wettelijke regeling kunnen worden uitgesloten van deelname aan de beraadslaging en besluitvorming over het doen van voordrachten voor de benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder, zou een wetswijziging mijns inziens niet misstaan. Zoals ik in § V.7.3.4.c al aangaf, stel ik voor aansluiting te zoeken bij de regeling van art. 2:129a/239a lid 2 BW. Bepaald zou moeten worden dat de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over het doen van voordrachten voor de benoeming van een niet-uitvoerend bestuurder. De reden dat ik deze wetswijziging voorstel, is dat de regeling van art. 2:129a/239a lid 3 BW niet privatief werkt.11 Zonder wettelijke regeling bestaat derhalve de mogelijkheid dat het bestuur de besluitvormingsbevoegdheid bij meerderheidsbesluit naar zich toe trekt.