Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.2.1
2.2.1 Algemeen
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387085:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De klassieke Romeinse juristen erkenden reeds dat goederenrechtelijke zekerheidsrechten een hoge mate van zekerheid verschaffen. Zie D. 50,17,25 (Pomponius). Niettemin hebben de Romeinen opmerkelijk genoeg een zekere voorkeur gehad voor een andere zekerheidstelling van een vordering, te weten de overeenkomst van borgtocht. Zie voor een omschrijving van borgtocht I. 3,20 pr.: ‘Een derde die zich verbindt voor iemand die belooft, noemt men borg’. Vgl. art. 7:850 BW. Een borgstelling was voor een schuldeiser een teken van economische en morele betrouwbaarheid van een schuldenaar, hetgeen in een cultuur als die van de Romeinen van grote waarde was. Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 4 en 5, Kaser I (1971), p. 457. Dat het vinden van een borg de kredietwaardigheid van de schuldenaar bezegelt, laat zich illustreren door de wijze van executie. De executie, die dus ook de borg boven het hoofd hing, betrof ongeacht de hoogte van de vordering steeds het gehele vermogen van de schuldenaar. Zie Kaser 1982, p. 217.
Met de term pignus duidt men oorspronkelijk het recht van pand aan dat wordt gevestigd door middel van bezitsverschaffing. Later is het ‘bezitloze’ zekerheidsrecht ontstaan dat wordt aangeduid met de term hypotheca. Zie Kaser I (1971), p. 463. De term pignus kan duiden op het goederenrechtelijke zekerheidsrecht in het algemeen, alsmede op het zekerheidsrecht dat wordt gevestigd door middel van bezitsverschaffing in het bijzonder. Zie Kaser 1982, p. 130 en 131.
Deze rechten hebben zich ontwikkeld naast de fiducia cum creditore. Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 93-95. Deze oudste vorm van goederenrechtelijke zekerheid is een overdracht ten titel van zekerheid. Er wordt hierbij dus geen beperkt recht gevestigd dat naast het eigendomsrecht bestaat, maar het volledige eigendomsrecht wordt overgedragen. Toen Justinianus in 531 de mancipatio als wijze van eigendomsoverdracht had afgeschaft, verdween ook de fiducia, die dan ook niet in het Corpus Iuris voorkomt. Zie C. 7,31,1,5 en Kaser II (1975), p. 313. Zie nader over de fiducia G. Noordraven, De fiducia in het Romeinse recht (diss. UvA), Deventer: Kluwer, Arnhem: Gouda Quint 1988.
Art. 3:227 BW bepaalt: ‘Is het recht op een registergoed gevestigd, dan is het een recht van hypotheek; is het recht op een ander goed gevestigd, dan is het een recht van pand’.
D. 13,7,9,2 (Ulpianus).
Zie D 43,26,6,4 (Ulpianus) en Kaser 1982, p. 170 e.v.
D. 20,1,5,1 (Marcianus).
Zie Kaser 1982, p. 29 en 30.
Men komt deze actie onder meer tegen onder de benamingen actio pigneraticia, actio hypothecaria, vindicatio pignoris en actio quasi Serviana. Zie Kaser 1982, p. 153 en Van Oven 1948, p. 174.
Zie Kaser 1968, p. 27-29 en Kaser I (1971), p. 472 en 473.
Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 84 en 85, Van Oven 1948, p. 175 en 176.
Aanvankelijk werd in de pandovereenkomst het zogeheten vervalbeding (lex commissoria) opgenomen dat ertoe strekte dat de zekerheidsnemer van rechtswege eigenaar van de bezwaarde zaak werd als de schuldenaar in gebreke was met het betalen van de schuld. Nadat keizer Constantijn de toepassing van het vervalbeding uitdrukkelijk verbood (zie C. 8,45(35),3, vgl. het huidige art. 3:235 BW), werd het gebruikelijk om een pactum de vendendo in de pandovereenkomst op te nemen. Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 273-279 en Kaser 1982, p. 19-21 en 49.
Zie D. 13,7,4 (Ulpianus), waarover Kaser 1982, p. 21 en 77, Van Oven 1948, p. 176.
Zie D. 20,1,15,1 (Gaius) en Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 501.
Zie D. 20,1,1 pr. (Papinianus).
Zie nader over de terminologische aspecten van de generale hypotheek Wagner 1968, p. 4-13.
De omvang van de door een generale hypotheek bezwaarde vermogensbestanddelen was niet onbeperkt. Uit D. 20,1,6 (Ulpianus) blijkt dat ‘een generale hypotheek zich niet uitstrekt over zaken die een willekeurig iemand naar alle waarschijnlijkheid afzonderlijk niet zou hebben verbonden’. Zie voorts over de objecten die vatbaar zijn voor bezwaring met een generaal hypotheekrecht Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 504-506.
Dat het generale hypotheekrecht ook toekomstige zaken omvat volgt uitdrukkelijk uit C. 8,16(17),9,1, waarover Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 502 en Windscheid/Kipp I (1906), p. 1151.
Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 509-510. Men dient overigens hiervan te onderscheiden de eveneens in het Romeinse recht voorkomende constructie die blijkt uit D. 20,1,34 pr. (Scaevola). De schuldenaar heeft in de aldaar omschreven situatie zijn vlottende winkelvoorraad verpand. In dit geval rust het zekerheidsrecht op veranderlijke zaken, die worden bepaald op het moment van opeisbaar worden van de vordering van de schuldeiser. Deze zekerheidsconstructie onderscheidt zich van de generale hypotheek door het ontbreken van zaaksgevolg.
Zie Kaser I (1971), p. 466.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat een zekerheidsrecht ook kon ontstaan bij rechtelijke beschikking en bij testament. Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 286-291 en 400 e.v. en Windscheid/Kipp I (1906), p. 1166-1171.
Zie Zwalve 2006, p. 481. Pas in de latere rechtswetenschap is men in dit kader van legale hypotheken gaan spreken. Deze hypotheken worden dan ook uiteindelijk gebaseerd op het gerecipieerde Romeinse recht. Zie Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 292-294.
Zie D. 20,2,3 (Ulpianus) en Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 294 e.v.
Zie C. 8,15,1; C. 8,15,2 en D. 49,14,46,3 (Hermogenianus), Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 334-354.
Zie voor andere voorbeelden van legale generale hypotheken de opsomming in Windscheid/Kipp I (1906), p. 1161-1166 en uitgebreid Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 354-400 en voor legale bijzondere hypotheken Windscheid/Kipp I (1906), p. 1159-1161 en Dernburg, Pfandrecht I (1860), p. 294-334.
Een schuldeiser die de persoonlijke gebondenheid van zijn schuldenaar wilde versterken en zich tevens wilde verzekeren van een preferentie in diens faillissement, kon een zekerheidsrecht doen vestigen.1 Het Romeinse recht kent twee beperkte goederenrechtelijke zekerheidsrechten, te weten pignus2 en hypotheca.3 Het verschil tussen deze zekerheidsrechten is niet – zoals thans het geval is – gelegen in de aard van het object dat wordt bezwaard,4 maar in de vestigingsformaliteiten:
‘In eigenlijke zin noemen wij “pand” dat wat overgaat naar de schuldeiser, en spreken wij van “hypotheek”, wanneer noch de zaak noch het bezit overgaat naar de schuldeiser.’5
Voor de vestiging van een pandrecht is vereist dat naast het sluiten van de overeenkomst van pandgeving ook het bezit van de zaak aan de schuldeiser wordt verschaft, terwijl het recht van hypotheek bij enkele overeenkomst kan worden gevestigd. Strikt genomen kan een pandgever ook de feitelijke heerschappij over de verpande zaak behouden omdat het bezit constituto possessorio kan worden verschaft.6 Daarmee is het onderscheid tussen pand en hypotheek zo sterk vervaagd dat alleen de klank van de naam van deze rechtsfiguren verschilt.7 De rechtsgevolgen van beide figuren zijn immers dezelfde.
Met de constructie van ‘bezitloze’ zekerheidsrechten is het risico ontstaan dat de zekerheidsgever de zaak overdraagt aan een derde.8 Een dergelijke overdracht heeft echter geen invloed op het recht van de zekerheidsnemer omdat aan hem een goederenrechtelijke actie toekomt – de actio Serviana9 – waarmee hij de bezwaarde zaak van een ieder kon opeisen.10 Deze actie werd dan ook niet ingesteld tegen de pandgever als zodanig, maar tegen de bezitter van de met het zekerheidsrecht belaste zaak. Pand- en hypotheekrechten hebben derhalve goederenrechtelijke werking. Het inroepen van de actio Serviana geeft de pandhouder strikt genomen nog niet het recht om de zaak ook te verkopen, het pandrecht is oorspronkelijk slechts een bezitsrecht (ius possidendi).11 Alleen indien in de pandovereenkomst een verkoopbeding (pactum de vendendo) was opgenomen, had de zekerheidsnemer de bevoegdheid om de bezwaarde zaak te gelde te maken als de schuldenaar niet aan zijn betalingsverplichting kon voldoen.12 Deze bevoegdheid tot verkoop werd later geacht stilzwijgend te zijn verleend bij iedere zekerheidsovereenkomst met als gevolg dat de zekerheidsnemer in het geval van niet-nakoming door de schuldenaar van rechtswege een recht van verkoop (ius vendendi) toekwam.13
Het was in de Romeinse praktijk mogelijk – ja zelfs gebruikelijk14 – om een zekerheidsrecht te vestigen op het gehele vermogen van de debiteur.15 De mogelijkheid hiertoe werd geboden door het feit dat een zekerheidsrecht bij enkele overeenkomst kon worden gevestigd. Zekerheidsrechten konden dus drukken op afzonderlijke vermogensbestanddelen – in welk geval men pleegt te spreken van een bijzonder zekerheidsrecht – alsook op het gehele vermogen van de zekerheidsgever, een zogenaamd generaal zekerheidsrecht. Een generale hypotheek kenmerkt zich door het feit dat de te bezwaren zaken niet individueel hoeven te worden benoemd.16 Een dergelijk zekerheidsrecht strekt zich uit over het ten tijde van de vestiging bestaande vermogen17 alsmede het toekomstige vermogen van de zekerheidsgever.18 Uiteraard had ook een generaal hypotheekrecht goederenrechtelijke werking, zodat het zekerheidsrecht op de zaken blijft rusten als ze worden overgedragen aan een derde.19 Een generale hypotheek werd veelvuldig gevestigd naast een bijzonder zekerheidsrecht om zo de schuldeiser nog meer zekerheid te verschaffen.20 Niettemin kon een generale hypotheek ook zelfstandig worden gebruikt.
In het Romeinse systeem van zekerheidsrechten kon een hypotheek niet alleen ontstaan bij overeenkomst – de zogenaamde conventionele hypotheek – maar ook voortvloeien uit de wet.21 Deze zogeheten legale hypotheken hebben zich in de eerste plaats ontwikkeld uit bestendig gebruikelijke bedingen.22 Zo werd bijvoorbeeld een zekerheidsrecht van de verhuurderop de inboedel van de huurder geacht stilzwijgend tot stand te zijn gekomen.23 Daarnaast werden legale hypotheken bij keizerlijke constitutie in het leven geroepen. Men denke aan het zekerheidsrecht op het gehele vermogen van de belastingplichtige dat van rechtswege aan de fiscus toekwam.24 Legale hypotheken, die ook weer kunnen worden onderverdeeld in generale en bijzondere hypotheken, kwamen dus tot stand onafhankelijk van de wil van de eigenaar om zaken in pand te geven.25