Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/2.2.6
2.2.6 Werkwijze
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701913:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5710, NJ 2008/369 (Staat/Van Eijk).
HR 16 mei 1956, ECLI:NL:HR:1956:51, NJ 1956/488 (Bakker/Genemuiden) en recenter bijvoorbeeld: HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069, NJ 2018/57.
Zie voor de onteigeningswet art. 27 t/m art. 35 en voor de Omgevingswet art. 15.39 t/m art. 15.42.
HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5349, NJ 2013/489 (Amersfoort/Arntzen).
Op ‘intuïtie’ gebaseerde waarderingen dienen tot een minimum te worden beperkt en zouden eigenlijk alleen als nadere, extra onderbouwing mogen worden gebruikt. Mijn indruk is dat dat besef ook wel is doorgedrongen tot de meeste onteigeningsdeskundigen.
HR 16 mei 1956, NJ 1956/488 (Bakker/Genemuiden). Zie ook: Thorbecke 1880, p. 181-182.
In de literatuur bestaat verschil van mening hoe het zit met schadeposten waarover partijen overeenstemming hebben bereikt. Vergelijk: Scheltema & Storm, NTBR 2007/65, § 6, die menen dat ook een dergelijke overeenstemming de schadepost niet aan het oordeel van de rechter onttrekt. Anders daarover: Van der Gouw & Sluysmans 2015, p. 85.
Het advies vertoont daardoor trekken van een ‘rompvonnis’, zie: Sluysmans 2011, p. 184.
Onteigeningswet en Omgevingswet
Zoals uit de inleiding reeds bleek en zoals uit dit proefschrift nog vaker zal blijken, dienen onteigeningsdeskundigen hun taak integraal en inquisitoir te verrichten. Die taakstelling blijft onder de vigeur van de Omgevingswet onveranderd. De integrale en inquisitoire adviestaak is een van de kernaspecten van de in dit onderzoek centraal staande deskundigen (eenzelfde werkwijze wordt van de planschade- en nadeelcompensatiedeskundigen verwacht). Het onderscheidt hen op belangrijke punten van ‘normale’ deskundigen in civiele zaken en bestuurszaken (zie daarover hoofdstuk 4).
Met integraal bedoel ik dat van onteigeningsdeskundigen meer wordt verwacht dan het enkele inbrengen van een stukje bijzondere expertise. Zij kunnen, met andere woorden, niet volstaan met het taxeren van de werkelijke waarde en de eventuele waardevermindering van het overblijvende. Zij moeten de rechter een advies verstrekken dat volledig is; dat dus alle aspecten van de schadeloosstelling bevat en alle vragen beantwoordt die de rechter ook moet beantwoorden. Dat betekent dat deskundigen zich ook moeten buigen over de toepassing en invulling van regels van recht. Zo is de vraag of een ‘redelijk handelende ondernemer’ zijn onderneming zou liquideren of reconstrueren primair aan deskundigen overgelaten. Datzelfde geldt voor de vraag of flora-en-fauna gerichte activiteiten een ‘integrerend levensbestanddeel’ van de onteigende vormen1 en de vraag of de feiten nopen tot het toepassen van de in de praktijk lastige eliminatie- en/of egalisatieregel. Het feit dat de voorzitter van de deskundigencommissie doorgaans een jurist is, staat in de sleutel van deze integrale adviestaak. Aan die integrale adviestaak ligt een historische ontwikkeling ten grondslag die uitgebreid aan bod komt in § 3.3. In § 4.2.3.1 wordt het integrale karakter van de adviestaak verder uitgediept.
De adviestaak is niet alleen integraal, maar ook inquisitoir. Dat wil zeggen dat de deskundigen zelfstandig op zoek moeten naar de relevante feiten en omstandigheden, ook buiten de standpunten van partijen om. 2De wijze waarop deskundigen daarbij te werk moeten gaan, is in zowel de Onteigenings- als de Omgevingswet grotendeels ongeregeld.3 Deskundigen worden daarin dus vrij gelaten. Dat geldt ook voor de wijze van waardering.4 Afhankelijk van de concrete omstandigheden zijn deskundigen – op basis van hun kennis, ervaring en intuïtie – vrij een bepaalde taxatiemethode te kiezen. Een controleerbare en duidelijke motivering wordt daarbij steeds belangrijker.5 In § 4.2.3.2 wordt het inquisitoire karakter van de adviestaak verder uitgediept.
Analyse
Goed beschouwd, is het integrale en inquisitoire karakter van de adviestaak een voortvloeisel uit de plicht van de onteigeningsrechter om zelfstandig de schadeloosstelling vast te stellen.6
Anders dan in reguliere civiele procedures, wordt de rechtsstrijd in het onteigeningsrecht niet door partijen afgebakend. De onteigeningsrechter moet alle schadeposten adresseren, ook schadeposten die door partijen in het midden zijn gelaten. 7De onteigeningsrechter zal dus ook buiten de standpunten van partijen treden indien dat nodig is met het oog op een volledige schadeloosstelling. Als gezegd, dient de onteigeningsrechter zich hierbij verplicht te laten adviseren door deskundigen die daarbij als eerste ‘aan zet’ zijn. Zij verrichten in belangrijke mate het voorwerk op basis waarvan de rechter het vonnis wijst. 8Het is primair aan hen om per geval af te palen welke schade nog wel, en welke schade niet meer, een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van de onteigening (zie uitgebreid § 4.2.3).