Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5.2:6.5.2 Stuurgroep deregulering WW (2004)
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/6.5.2
6.5.2 Stuurgroep deregulering WW (2004)
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258967:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Brief van 2 december 2004 van de minister van SZW over Adviesaanvraag voorstellen deregulering WW (kenmerk: SV/DEREG/2004/83083a).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 2 december 2004 deed het kabinet, naast voorgaand besproken adviesaanvraag van 3 februari 2004 over de toekomst van de WW, ook een adviesaanvraag aan de SER voor deregulering van de WW. De voorstellen voor deregulering waren door een stuurgroep, ingesteld door het Ministerie van SZW, ontwikkeld.
Eén van de voorstellen betrof het beperken van de verwijtbaarheidstoets om de pro-formaprocedures tegen te gaan en de door deze procedures verhoogde (onderzoeks)lasten van het UWV te verlichten. De uitkomst van het onderzoek van het UWV naar verwijtbare werkloosheid, waarbij de vraag werd gesteld of de werknemer zich voldoende had verweerd tegen het ontslag, was slecht voorspelbaar voor de werkgever en de werknemer. Dit leidde tot pro-formaprocedures om een WW-uitkering zeker te stellen. Daarnaast moest bij een dergelijk onderzoek het UWV achteraf helderheid krijgen over de feiten en omstandigheden die tot het einde van de dienstbetrekking hadden geleid op basis van door de werkgever en werknemer gegeven informatie. De werkgever en werknemer hadden vaak een ander belang dan het UWV bij de juiste en volledige informatieverstrekking. Het UWV maakte ook extra kosten door de inkoop van externe expertise van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) bij het onderzoek naar verwijtbare werkloosheid. Het voorstel was daarom om de verwijtbare werkloosheid te beperken tot de situaties waarbij de werknemer zelf ontslag nam zonder een dwingende redenen voor het ontslag of de werknemer ontslag kreeg wegens verwijtbaar gedrag. De pro-formaproblematiek moest daarmee worden tegengaan, hetgeen een lastenverlichting voor werkgevers en de rechterlijke macht met zich mee zou brengen. Het ontslag van werknemers (in procedurele zin) zou daardoor eenvoudiger worden, maar ook het aannemen van werknemers zou aantrekkelijker worden.1