RvdW 2024/431:Opzetheling van auto (art. 416 lid 1 sub a Sr). 1. Ontbrekende bewijsmiddelen, art. 359 lid 3 en 359 lid 8 Sv. 2. Verjaring, art. 70 lid 1 onder 3 en 72 Sr. Ad 1. Bij stukken bevindt zich uitspraak van hof die niet b.m. bevat. Verder bevindt zich bij stukken niet een aanvulling a.b.i. art. 365a lid 2 Sv met daarin b.m. die zijn gebruikt. Raadsman heeft ex art. 4.3.6.3 Procesreglement HR verzocht om toezending van die aanvulling. Hof heeft aan HR bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. ’s Hofs uitspraak voldoet daarom niet aan het ex art. 359 lid 3 en 359 lid 8 Sv op straffe van nietigheid voorgeschreven vereiste dat uitspraak de b.m. moet bevatten, die voor bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden inhouden. Ad 2. HR ambtshalve (n.a.v. opmerkingen in CAG): Gelet op art. 70 Sr is zaak mogelijk verjaard. Nu in cassatie niet is geklaagd over verjaring (die zou (kunnen) zijn ingetreden op moment voordat schriftuur is ingediend) heeft HR niet onderzocht of en, zo ja, op welk(e) moment(en) de verjaring is gestuit door daden van vervolging a.b.i. art. 72 lid 1 Sr (NJ 2018/475, m.nt. W.H. Vellinga). Het is aan hof na terugwijzing om, mede o.b.v. wat OM aanvoert over die (eventuele) stuiting, nader te beoordelen of verjaring van recht op strafvervolging is ingetreden. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders t.a.v. verjaring.