RvdW 2024/427:Ramkraak op kledingwinkel, art. 311 lid 1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten t.a.v. aangetroffen DNA op bivakmuts en gebruik voor bewijs van getuigenverklaring. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft vastgesteld dat na ramkraak in winkel bivakmuts is aangetroffen met daarop DNA van (uitsluitend) verdachte, terwijl uit camerabeelden blijkt dat ten minste een van de daders t.t.v. ramkraak bivakmuts droeg. Hof heeft vervolgens bij bewijs betrokken dat verdachte in eerder stadium heeft aangegeven met verklaring te zullen komen over hoe bivakmuts in winkel is terechtgekomen maar dit uiteindelijk nooit meer heeft gedaan. Daarnaast past aantreffen van bivakmuts in winkel bij getuigenverklaring, inhoudende dat man die uit winkel kwam rennen géén bivakmuts op had. ’s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat het (bij afwezigheid van (aannemelijke) verklaring van verdachte over hoe het anders zou zijn gegaan) niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte tijdens ramkraak ter plaatse is geweest en als medepleger van ramkraak kan worden aangemerkt, is geenszins onbegrijpelijk. In cassatie wordt niet beargumenteerd waarom ’s hofs verwerping van verweer dat door getuige opgegeven signalement niet overeenkomt met verdachte, tekort zou schieten. Volgt verwerping.