Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.4.1
7.4.4.1 De Edelweissroute
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232455:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Om gebruik te kunnen maken van de Edelweissroute moet men immers als erflater veel vertrouwen hebben in een executeur die bereid is twaalf jaar te liegen en te bedriegen en die daarna omslaat als een blad aan een boom en vanaf dan steeds de waarheid spreekt. Er is (was) bij de Belastingdienst kennelijk maar één geval bekend, M.J. Hamer, ‘De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de executeur voor de erfbelasting’, WPNR 2012/6942. Zie ook G.J.M.E. de Bont, ‘De windmolen Edelweiss’, WFR 2010/1620; V.S. Huygen van Dyck-Jagersma & B.J.G.L. Jaeger, ‘Edelweiss, binnenkort alweer overbodig; heeft de wetgever zijn hand overspeeld?’, Tijdschrift voor Formeel Belastingrecht 2016/1. Als hij het heeft over de Edelweiscontructie schrijft B. Schols: ‘Het was waarschijnlijk een monster van Loch Ness verhaal dat door de politiek te serieus is genomen’, B.M.E.M. Schols, ‘Volmacht uit het hiernamaals, ook digitaal?’, Actioma 205, september 2018.
A. van Eijsden, ‘Bezorgde executeurs’, WFR 2012/166, spreekt van ‘bijvangst’.
Zie hierover J.P.S.A. Wouters, ‘Executeur en erfbelasting’, WPNR 2013/6997.
Kamerstukken II 2011-2012, 33004, nr. 9 (amendement Schouten).
Ik merk op dat artikel 47 lid 2 Inv. 1990 deze disculpatiemogelijkheid slechts toekent aan de executeur en niet aan de door de rechter benoemde vereffenaar. Ik denk dat dit een onbedoeld verzuim van de wetgever is en dat de disculpatiemogelijkheid ook bestaat voor de door de rechter benoemde vereffenaar.Als het buitenlands vermogen betreft, is in het kader van de bestrijding van de Edelweissroute de navorderingstermijn sinds 2012 onbeperkt (artikel 66 lid 4 SW 1956), voordien was die twaalf jaar (artikel 16 lid 4 AWR).
Hof Den Haag 3 augustus 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3019, RN 2017/5. Zie over deze uitspraak B.M.E.M. Schols, ‘Niet iedere executeur is een Edelweissexecuteur’, FBN 2017/19.
Zie hierover J.A. Booij, ‘Aansprakelijkheid van de executeur’, FBN 2012/24; M.J. Hamer, ‘De hoofdelijke aansprakelijkheid van de executeur voor belasting’, WPNR 2012/6942.
Ter gelegenheid van de wijziging van de Successiewet 1956 in 2010 hebben de Kamerleden Braakhuis en Bashir amendementen ingediend ter bestrijding van de zogenoemde Edelweissroute. Dit zou volgens deze Kamerleden een constructie zijn waarmee door het gebruik van executeurs vermogen buiten de heffing van de erfbelasting wordt gehouden. Deze mogelijkheid kwam voort uit de omstandigheid dat executeurs niet altijd aangifte erfbelasting hoefden te doen omdat artikel 72 lid 1 (oud) Sw 1956 voorschreef dat de aangifte moest worden gedaan door de erfgenamen. Artikel 16 lid 4 AWR kende een navorderingstermijn van twaalf jaar. Na ommekomst van deze navorderingstermijn konden de erfgenamen alsnog door tussenkomst van de executeur toegang krijgen tot het verzwegen vermogen zonder dat daar ooit erfbelasting over was betaald.
Of de Edelweissroute ook daadwerkelijk bestaat, is niet bekend.1 Desondanks hebben de ingediende amendementen geleid tot aanpassing van de Successiewet 1956 per 1 januari 2012, zodanig dat executeurs dezelfde verplichtingen hebben als erfgenamen, waaronder de verplichting aangifte erfbelasting te doen. Hierdoor zijn zij ook onder de werking van artikel 47 Inv. Wet 1990 gekomen en aansprakelijk geworden voor de erfbelasting.2
Als een erfgenaam erfbelasting is verschuldigd en geen uitnodiging tot het doen van aangifte heeft ontvangen, moet deze erfgenaam binnen acht maanden na het overlijden zelf verzoeken om een dergelijke uitnodiging (artikel 6 lid 3 AWR in verbinding met artikel 2 UR AWR). Door de werking van artikel 72 SW 1956 rust deze plicht ook op de executeur.3
Bij de parlementaire behandeling vond de Tweede Kamer dat de regeling leidde tot overkill. Omdat artikel 47 Inv. Wet 1990 leidt tot risico van aansprakelijkheid, zou ook de volstrekt onwetende executeur aansprakelijk worden voor door derden niet afgedragen erfbelasting. Daarom is aan artikel 47 Inv. Wet 1990 een tweede lid toegevoegd, dat de executeur een mogelijkheid geeft tot disculpatie.4 Als de executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat de aanslag erfbelasting tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig erfbelasting is geheven, geldt de aansprakelijkheid niet voor hem (artikel 47 lid 2 Inv. Wet 1990).5
Hoewel de disculpatiemogelijkheid geruststellend klinkt, moet toch worden gewaarschuwd voor de onzekerheid die het aanvaarden van de functie van executeur met zich brengt ten aanzien van de aansprakelijkheid voor de betaling van de erfbelasting. Aannemelijk maken dat men iets niet heeft gedaan, is in de praktijk al vaak moeilijk. Nog veel moeilijker is het aannemelijk maken dat men iets niet wist. Uit een arrest van Hof Den Haag blijkt dat dit hof, onder verwijzing naar de parlementaire toelichting, van oordeel is dat de executeursaansprakelijkheid niet geldt voor zover een executeur aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.6 Deze uitspraak acht ik niet geruststellend: de executeur moet veel aannemelijk maken. Kortom, discussie over de aansprakelijkheid van de executeur is zeer wel denkbaar en het is de executeur die aannemelijk moet maken dat hij van niets wist. De executeur is overigens pas aansprakelijk voor de erfbelasting als hij als zodanig aansprakelijk is gesteld (artikel 49 Inv. Wet 1990). Deze aansprakelijkstelling zal pas volgen als de erfgenamen in gebreke zijn met voldoening aan hun verplichtingen.7 Het laten ondertekenen van een vrijwaringsverklaring door de erfgenamen zal de executeur niet altijd helpen. Het is onaannemelijk dat erfgenamen die in gebreke zijn in hun verplichting jegens de Belastingdienst onder alle omstandigheden genegen zullen zijn de contractuele bepaling na te leven, met het incassorisico van dien. Het ‘tussenschuiven’ van een stichting kan uitkomst bieden.