Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/5.3.1.0
5.3.1.0 Introductie
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS586179:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Snijders, FIP 2012, p. 156-166, p. 163.
Snijders, FIP 2012, p. 156-166, p. 157; Van Boom, AA 2013, p. 36-43, p. 43; Linck, WPNR2013/6957, § 3.1; Rongen, FR 2013, p. 5-15, p. 8.
Verstijlen, WPNR 2013/6963/121, § 9; Struycken & Keukens 2017, p. 242.
Linck, WPNR 2013/6957, § 3.1; HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7157, JOR 2012/346, m.nt. A.J. Tekstra (Staatssecretaris van Financiën/X).
Faber & Vermunt, JOR 2016/20, nr. 2; Schuijling 2016, p. 136.
HR 3 juni 1994, NJ 1995/340 (Antillen/Komdeur q.q.); HR 3 mei 2002, NJ 2002/393 (Brandao/Joral); HR 9 juli 2004, NJ 2004/618, m.nt. PvS (Bannenberg q.q./NMB-Heller). Zie ook HR 13 november 1903, W 7986 (De Veije q.q./Waterreus). Voor een kort overzicht van deze rechtspraak en het debat zie Bergervoet 2014, p. 265-268.
Zo meent Verloop, onder vigeur van het oude recht, dat de regresvordering ontstaat op het tijdstip dat de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt aangegaan en dat de regresvordering daarom een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde van betaling is. Hij zoekt hiervoor aansluiting bij de borgtocht, art. 1876 BW oud. Op grond van deze bepaling en de bijbehorende jurisprudentie blijkt dat de verbintenis tussen de hoofdschuldenaar en de borg ontstaat onder opschortende voorwaarde van betaling op het moment dat de borgverplichting wordt aangegaan. Verloop past dit analoog toe op regresvorderingen. Van der Grinten daarentegen betoogt dat de regresvordering een toekom-stige vordering is. Zie discussieverslag Financiële kruisverbanden en andere aspecten van concernfinanciering, p. 130; Van der Grinten 1987, p. 68. Zie ook HR 13 november 1903, W 1903/7986 (De Veije q.q./Waterreus) en HR 8 november 1974, NJ 1975/268.
Faber & Vermunt, RvdW 2012/534; Rongen, FR 2013, p. 5-15, p. 7; Schuijling 2016, p. 135. Vgl. Wibier, MvV 2012, p. 147-154. Anders Verdaas, NTBR 2014/3, nr. 9-17.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784 (ASR/Achmea), r.o. 3.6.
Asser/Bartels & Mierlo 3-IV 2013/81 e.v.; Van Boom, AA 2013, p. 36-43, p. 39; Verdaas,NTBR 2014/3, nr. 6-8.
Bartman, AA 2012, p. 830-836; Krieckaert, ORP 2012, p. 30-34; Snijders, FIP 2012, p. 156- 166; Wibier, MvV 2012, p. 147-154; Van Boom, AA 2013, p. 36-43; Oostwouder, O&F 2013, p. 33-48; Rongen, FR 2013, p. 5-15.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023 (De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn),r.o. 3.4.1.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023 (De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn),r.o. 3.4.2.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023 (De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn),r.o. 3.4.3.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023 (De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn),r.o. 3.3.2; Van Boom 2015; Krzeminski, MvV 2016, p. 120-124, p. 121-123; Wibier, AA 2016,p. 104-109, p. 108.
Verdaas, NTBR 2014/3, nr. 24; Van Boom 2016, p. 118; Schuijling 2016, p. 162; Wibier, AA 2016,p. 104-109, p. 108-109.
Wanneer partijen bij een regresvordering met een contractuele grondslag niets afspreken over het ontstaansmoment wordt automatisch teruggevallen op de kenmerken van de wettelijke regresvordering. Zie Faber & Vermunt, JOR 2014/172.
Van Boom 2016, p. 105, 117-119; Van Sonsbeeck, FIP 2018/124, § 5.
Van Boom 2016, p. 118; Bergervoet 2014, p. 251.
Vgl. Snijders 1973, p. 454.
Schuijling 2016, p. 164.
Verdaas, NTBR 2014/3, nr. 28; Van Boom 2016, p. 119; Schuijling 2016, p. 161-164.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094 (Pieter Ingwersen q.q./ING Commercial Finance BV).
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094 (Pieter Ingwersen q.q./ING Commercial Finance BV), r.o. 4.2.2-4.2.5.
HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3094 (Pieter Ingwersen q.q./ING Commercial Finance BV), r.o. 4.3.2.
Krzeminski, MvV 2016, p. 120-124, p. 124.
Om mogelijke gevolgen van het ASR/Achmea-arrest voor het regresrecht ex art. 6:10 BW te duiden, is het goed om enige opmerkingen te maken over de reikwijdte van het arrest. Het arrest gaat over een gesubrogeerde wettelijke regresvordering, desondanks lijkt het arrest ook van toepassing op regresvorderingen in een andere context. Aanvankelijk bestond in de literatuur verschil van inzicht over de vraag of de uit het ASR/Achmea-arrest voortvloeiende kwalificaties mogen worden toegepast op alle wettelijke vormen van een regresvordering.1 Auteurs die van mening zijn dat dit niet het geval is, wijzen erop dat de rechtspraak van de Hoge Raad slechts geïnterpreteerd moet worden tegen de achtergrond van de onderhavige zaak en behandelde rechtsvraag. De reikwijdte van het ASR/Achmea-arrest moet volgens hen restrictief worden toegepast.2 In de literatuur is ook gepleit om het arrest alleen te interpreteren als een oordeel over de ‘toekomstigheid’ van het regresrecht in relatie tot de verjaringsproblematiek en niet in relatie tot bijvoorbeeld het bezwaren (verpanden) van het regresrecht.3
De kwalificaties uit het ASR/Achmea-arrest zijn in ieder geval van toepassing op de regresvordering uit borgtocht (art. 7:866 lid 1 jo 6:10 BW). Deze rechtsfiguur kan voor wat het ontstaansmoment van de regresvordering betreft op één lijn gesteld worden met de regresvordering die voorkomt uit hoofdelijke aansprakelijkheid (art. 6:10 BW). De verschillen tussen borgtocht en hoofdelijkheid rechtvaardigen niet dat regresvorderingen voortkomend uit beide rechtsfiguren anders benaderd moeten worden inzake hun ontstaansmoment. Ook het subsidiaire karakter van borgtocht biedt hiertoe geen aanleiding. Beide berusten immers op de wettelijke grondslag van 6:10 BW.4 In de literatuur is ervoor gepleit dat ook andere wettelijke regresvorderingen voor wat betreft hun ontstaansmoment, zich in beginsel kunnen richten op de hiertoe geformuleerde criteria uit de ASR/Achmea-uitspraak.5 Mijns inziens niet onterecht.
De rechtspraak6 en de literatuur7 van vóór het ASR/Achmea-arrest heeft bij de praktijk tot de overtuiging geleid dat een latent regresrecht gekwalificeerd moest worden als een bestaand recht onder opschortende voorwaarden. Uit het ASR/ Achmea-arrest volgt dat dit niet het geval is: een regresrecht vóór het moment dat de schuldenaar meer betaalt dan hem in de interne verhouding aangaat, is een toekomstig recht. Daarom meent een aantal auteurs dat de Hoge Raad in zijn uitspraak ASR/Achmea ‘om’ is.8 De Hoge Raad stelt echter dat de praktijk zijn arresten verkeerd heeft uitgelegd.9 Hoe het ook zij: het gevolg is dat de ASR/Achmea-uitspraak de praktijk heeft verrast.
In de literatuur is gewezen op de vermogensrechtelijke gevolgen die samenhangen met het beperktere rechtsgevolg die de beschikkings- of bezwaringshandeling van een toekomstige (regres)vordering heeft in vergelijking met een bestaande (regres) vordering.10 Zo kunnen goederenrechtelijke handelingen bij toekomstige vorderingen alleen bij voorbaat worden verricht, aangezien de beschikkingsbevoegdheid tot het verrichten van die handelingen nog ontbreekt. Daarom geschiedt het verrichten van dergelijke handelingen onder opschortende voorwaarde van verkrijging. De levering of vestiging zal geen overdracht tot gevolg hebben zolang het goed als toekomstig wordt aangemerkt. Problemen lijken, afhankelijk van het betrokken rechtsfiguur, vooral te ontstaan wanneer de onderhavige (wettelijke) regresvordering ontstaat tijdens het faillissement van degene die over de vordering beschikte. Immers, in verband met het in art. 23 en 35 Fw bepaalde, beschikt niet de failliet over de, dan bestaande (regres)vordering, maar de curator. In dit geval is het op zijn minst ongewis of de curator de betreffende goederenrechtelijke handeling doorzet.
In de literatuur wordt verschillend gedacht over de mate waarin partijafspraken inzake regres en subrogatie vatbaar zijn voor de bovenstaande thematiek.11 Het kwalificeren van de regresvordering als toekomstige vordering is in de literatuur als problematisch ervaren inzake faillissementbestendigheid van het overwaardearrangement. Thans blijken dankzij het arrest De Lage Landen c.s./L.B.A. van Logtestijn deze gevreesde gevolgen niet te zijn uitgekomen. In deze zaak heeft schuldenaar Ouweland c.s. zekerheden verschaft aan zijn schuldeisers DLL Factoring, DLL FS en de Rabobank die met elkaar een overwaardearrangement hebben gesloten. Nadat Ouweland failliet is gegaan zijn de zekerheden uitgewonnen. Dit resulteert in een surplus voor DLL Factoring en een tekort voor DLL FS. Vervolgens spreekt DLL FS, DLL Factoring aan op grond van de bij het overwaardearrangement afgegeven borgstelling en wil DLL Factoring haar regresvordering verhalen op de opbrengst van de uitwinning van de ten gunste van DLL Factoring gevestigde zekerheden. Bij de rechtbank Midden-Nederland vordert DLL c.s. hiervoor dan ook een verklaring voor recht. Bij behandeling van de zaak oordeelt de rechtbank dat de regresvordering van DLL Factoring geen tussen DLL Factoring en Ouweland bedongen (voorwaardelijk) vorderingsrecht is, maar een op datum faillissement toekomstige wettelijke regresvordering in de zin van het ASR/Achmea-arrest. Vervolgens stelt de rechtbank prejudiciële vragen of (en zo ja, onder welke voorwaarden) een overwaardearrangement waaruit slechts een wettelijk en daarmee toekomstig regresrecht voortvloeit, faillissementsbestendig is. De Hoge Raad overweegt:
‘[…] dat een pandhouder zich in faillissement op de verpande goederen kan verhalen niet alleen voor vorderingen die bij het uitspreken van het faillissement reeds bestaan, maar ook voor vorderingen die op dat moment nog toekomstig zijn, mits deze voortvloeien uit een op dat moment reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde. Dit geldt ook voor regresvorderingen van pandhouders/borgen in een overwaarde-arrangement. Indien op de verpande zaken verhaal wordt gezocht voor toekomstige vorderingen, moet dus sprake zijn van een vóór het uitspreken van het faillissement bestaande rechtsverhouding tussen de pandhouder/borg en de pandgever/hoofdschuldenaar waaruit die vorderingen voortvloeien. Die rechtsverhouding moet (mede) door een rechtshandeling van de pandgever/hoofdschuldenaar zijn ontstaan, omdat het verhaal op het vermogen van de hoofdschuldenaar dan zijn grond vindt in een vóór zijn faillietverklaring verrichte rechtshandeling die rechtvaardigt dat de door hem verpande goederen ook uitgewonnen kunnen worden voor vorderingen die eerst tijdens zijn faillissement ontstaan. Die rechtshandeling kan aldus op een lijn worden gesteld met de beschikkingshandeling waarmee hij, ter bereiking van hetzelfde resultaat langs andere weg, een tweede stille verpanding tot stand had kunnen brengen.’12
De Hoge Raad vervolgt:
‘Door de borgstelling ontstaat ook een rechtsverhouding tussen de borg en de hoofdschuldenaar (vgl. art. 7:865 BW). Deze rechtsverhouding kan op zichzelf nog niet worden aangemerkt als een rechtsverhouding die aan de hiervoor in 3.4.1 bedoelde eisen voldoet, waaruit, in het geval dat de borg de vordering van de schuldeiser voldoet, diens regresvordering voortvloeit. Die rechtsverhouding ontstaat immers omdat de wet dit gevolg verbindt aan de borgstelling, zonder dat daarvoor (mede) een rechtshandeling van de hoofdschuldenaar is vereist.’13
‘Indien de hoofdschuldenaar echter partij is bij – of als partij toetreedt tot – de overeenkomst van borgtocht (of het overwaarde-arrangement), moet worden aangenomen dat de toekomstige regresvordering van de borg wél (mede) voortvloeit uit een rechtsverhouding met de hoofdschuldenaar die aan de hiervoor in 3.4.1 bedoelde eisen voldoet. Dan is die rechtshandeling immers (mede) grond voor de uitwinning van de door hem verpande goederen voor zodanige regresvorderingen. Het is een kwestie van uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen of is voldaan aan voormelde eis dat de hoofdschuldenaar partij is (geworden) bij de overeenkomst van borgtocht (of het overwaarde-arrangement). Indien dat het geval is, is sprake van een constructie die ‘faillissementsbestendig’ is op gelijke voet als het arrangement waarop het arrest Bannenberg ziet.’14
Kort en goed: het overwaardearrangement is faillissementsbestendig. Hiervoor is nodig dat bij het uitspreken van het faillissement toekomstige (regres)vorderingen voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde schuldenaar. De rechtsverhouding tussen de hoofdschuldenaar en borg wordt hiertoe onvoldoende geacht. In dit kader is het cruciaal dat de schuldenaar toetreedt tot het overwaardearrangement en zodoende het regres voorziet van een contractuele basis.
De Hoge Raad oordeelt dat de wet zich niet verzet tegen een door partijen in het leven geroepen contractuele regresvordering onder opschortende voorwaarde.15 Dit betekent dat partijen zich niet kunnen uitspreken over het ontstaansmoment van een wettelijke regresvordering, maar op grond van de contractsvrijheid en de partijautonomie in beginsel wel over het ontstaansmoment van een contractuele regresvordering.16 Partijafspraken betreffende het ontstaansmoment beïnvloeden niet de wettelijke regresvordering, maar roepen een naast de wettelijke regresvordering staande contractuele regresvordering in het leven.17
Het naast elkaar bestaan van wettelijke en contractuele regresvorderingen roept vragen op inzake de samenloop.18 Bijvoorbeeld: resulteert deze samenloop in één vorderingsrecht met meerdere rechtsgronden of heeft de regresgerechtigde in dit geval twee vorderingsrechten tot zijn beschikking? Zowel Van Boom als Bergervoet menen het laatste.19 Wat in dit geval de verhouding is tussen de beide regresvorderingen is overigens geen uitgemaakte zaak. Het lijkt waarschijnlijk dat beide vorderingen naast elkaar kunnen bestaan, maar dat partijafspraken voorrang hebben op de wettelijke regresvordering en (delen ervan) ter zijde kunnen schuiven.20
Het door partijen omzetten van een toekomstige regresvordering in een bestaande regresvordering onder opschortende voorwaarde van betaling, raakt niet aan de kern van de vordering, namelijk het voldoen van schuld boven het eigen aandeel. Want het ontstaanscriterium van de toekomstige regresvordering en de voorwaarde van de bestaande regresvordering betreft beide het voldoen van schuld boven het eigen aandeel. De identiteitsverandering van de vordering vindt alleen plaats vanwege hetgeen partijen zijn overeengekomen. In de literatuur is gesteld dat een dergelijke constructie het ontstaansmoment niet zou moeten beïnvloeden.21
Overigens kunnen partijen niet naar believen het ontstaansmoment van contractuele (regres)vorderingen bepalen. Het ontstaansmoment van een vordering heeft namelijk goederenrechtelijke consequenties die zich in het bijzonder laten gelden in faillissement. Bij de vordering betrokken derden kunnen door dergelijke partijafspraken geschaad worden in hun rechtspositie. Daarom zouden deze afspraken moeten worden geobjectiveerd. In die zin dat op grond van hetgeen ontspruit uit de rechtsrelatie van contractspartijen, beoordeeld moet worden op wat redelijkerwijs de gevolgen mogen zijn voor alle betrokkenen. Het omvormen van vorderingen van toekomstig naar bestaand en vice versa, stuit op een grens wanneer hierdoor derden onredelijk in hun rechten worden benadeeld.22
Deze grens kan bereikt zijn wanneer in het zicht van faillissement afspraken worden gemaakt over dat ontstaansmoment. Aangezien de Hoge Raad inzake het overwaardearrangement vereist dat de hoofdschuldenaar toetreedt tot het arrangement en zich bij overeenkomst verplicht om de regresvordering van de borg te voldoen, ligt een faillissementspauliana op de loer. Vernietiging op grond van 42 Fw tast de rechtshandeling van de hoofdschuldenaar aan, in dit geval het toetreden tot het overwaardearrangement. Het gevolg is dat de betreffende regresvordering toekomstig van aard is en niet, zoals partijen beogen, bestaand (voorwaardelijk).
Een dergelijke casus doet zich voor in het Pieter Ingwersen q.q./ING Commercial Finance BV-arrest.23 De Hoge Raad heeft overwogen dat het toetreden van de hoofdschuldenaar tot een overwaardearrangement een onverplichte rechtshandeling is.24 Ook oordeelt de Hoge Raad dat er sprake is van wetenschap van benadeling indien het faillissement en een boedeltekort met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien op het moment van het aangaan van het overwaardearrangement.25 Het is daarom riskant om kort voor faillissement van de hoofdschuldenaar over te gaan tot het sluiten van het overwaardearrangement.26
Naar aanleiding van het bovenstaande is het de schuldeisers aan te bevelen om een positive pledge clausule overeen te komen met de hoofdschuldenaar. In het licht van een dergelijke clausule kunnen partijen afspreken dat de hoofdschuldenaar: aanvullende zekerheid biedt, akkoord gaat met een tussen zijn crediteuren overeengekomen overwaardearrangement en instemt met een voorwaardelijke betalingsverplichting. Op deze wijze wordt een onverplichte rechtshandeling ex art. 42 Fw voorkomen.