Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.4.1
4.2.4.1 Onderwerpen waar art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn op ziet
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649761:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, 21 mei 2003, Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie – Een actieplan, 21 mei 2003, COM/2003/0284, p. 17.
Europese Commissie, 13 mei 2005, Second Consultation of the Services of the Internal Market Directorate General; Fostering an appropriate regime for shareholders’ rights’, MARKT:16.09.2004, p. 19.
Europese Commissie, 5 januari 2006, Proposal for a Directive of the European Parliament and the Council, COM/2005/685, p. 5.
Overigens gaf de Hoge Raad een ruimere strekking aan dit vraagrecht. Volgens ons hoogste rechtscollege ziet dit vraagrecht ook op punten die niet in de agenda zijn opgenomen (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI), r.o. 4.6).
Europese Commissie, 13 mei 2005, Second Consultation of the Services of the Internal Market Directorate General; Fostering an appropriate regime for shareholders’ rights’, MARKT:16.09.2004, p. 19.
A-G Timmerman in punt 4.114 van zijn conclusie voor HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Punt 4.117 – 4.122 van de conclusie voor HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
In gelijke zin Nowak 2008a, p. 592; Peters & Eikelboom 2015, p. 409; Willems 2017, p. 656-657.
Op 11 juli 2007 verscheen de Aandeelhoudersrichtlijn. In punt 14 van de preambule van deze richtlijn staat te lezen dat het doel ervan is aandeelhouders van vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt de mogelijkheid te bieden hun rechten overal in de Gemeenschap soepel, daadwerkelijk en effectief uit te oefenen. In punt 7 staat dat aandeelhouders in beginsel de gelegenheid moeten krijgen om onderwerpen op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen (the right to put items on the agenda) en ontwerpresoluties over agendapunten in te dienen (the right to table draft resolutions). Zonder dat wordt geraakt aan de diverse tijdschema’s en modaliteiten die in de Gemeenschap worden gebruikt, moeten ten aanzien van de uitoefening van deze twee rechten grondregels gelden, namelijk dat een eventuele drempel voor de uitoefening van de rechten niet hoger mag zijn dan 5% van het aandelenkapitaal van de vennootschap en dat alle aandeelhouders in alle gevallen de definitieve versie van de agenda op een zodanig tijdstip moeten ontvangen dat zij het debat en de stemming over ieder punt op de agenda kunnen voorbereiden. De genoemde rechten zijn uitgewerkt in art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn. Het artikel luidt:
“Recht om punten op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen en ontwerpresoluties in te dienen
1. De lidstaten zorgen ervoor dat aandeelhouders, hetzij individueel, hetzij collectief optredend,
a) het recht hebben punten op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen, mits elk van die punten wordt gemotiveerd of vergezeld gaat van een ontwerpresolutie ter goedkeuring op de algemene vergadering; en
b) het recht hebben met betrekking tot op de agenda voor een algemene vergadering opgenomen of daarin op te nemen punten ontwerpresoluties in te dienen.
De lidstaten kunnen bepalen dat het onder a) bedoelde recht alleen kan worden uitgeoefend met betrekking tot de jaarlijkse algemene vergadering, voor zover de aandeelhouders, hetzij individueel, hetzij collectief optredend, het recht hebben buiten de jaarlijkse algemene vergadering een algemene vergadering met een agenda die op zijn minst alle punten bevat waarom door deze aandeelhouders is verzocht, bijeen te roepen of te verlangen dat de vennootschap een dergelijke algemene vergadering bijeenroept. De lidstaten kunnen bepalen dat dergelijke rechten schriftelijk worden uitgeoefend (verzending per post of langs elektronische weg).
2. Ingeval een van de in lid 1 vermelde rechten afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de betrokken aandeelhouder of aandeelhouders een minimumdeelneming in de vennootschap moet of moeten bezitten, dan mag deze drempel niet hoger worden vastgesteld dan op 5 % van het aandelenkapitaal.
3. Elke lidstaat stelt, onder verwijzing naar een bepaald aantal dagen voorafgaand aan de algemene vergadering of de oproeping, één specifieke termijn vast tot waarop aandeelhouders het in lid 1, onder a), bedoelde recht kunnen uitoefenen. Op dezelfde wijze kan elke lidstaat een termijn vaststellen voor de uitoefening van het in lid 1, onder b), genoemde recht.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer de uitoefening van het in lid 1, onder a), genoemde recht een wijziging van de reeds aan de aandeelhouders meegedeelde agenda voor de algemene vergadering tot gevolg heeft, de vennootschap een herziene agenda op dezelfde wijze als de voorgaande agenda bekendmaakt vóór de in artikel 7, lid 2, gedefinieerde toepasselijke registratiedatum, dan wel — indien er geen registratiedatum geldt — tijdig vóór de datum van de algemene vergadering, om de andere aandeelhouders in staat te stellen een volmachthouder aan te wijzen of, indien van toepassing, per brief te stemmen.”
Het in art. 6 lid 1, onder a Aandeelhoudersrichtlijn beschreven recht is het agenderingsrecht (the right to put items on the agenda). Aandeelhouders dienen volgens de Europese wetgever het recht te hebben om punten (onderwerpen) op de agenda van de algemene vergadering te plaatsen, mits elk van die punten ofwel wordt gemotiveerd, ofwel wordt voorzien van een ontwerpresolutie ter goedkeuring. Maar op welke punten ziet het in art. 6 lid 1, onder a Aandeelhoudersrichtlijn neergelegde agenderingsrecht? Anders geformuleerd: welke onderwerpen moeten aandeelhouders op de agenda kunnen (doen) plaatsen?
Om de strekking van het agenderingsrecht van art. 6 lid 1, onder a Aandeelhoudersrichtlijn te achterhalen is het van belang terug te grijpen op de aan de Aandeelhoudersrichtlijn ten grondslag liggende documenten. De eerste aanzet voor de Aandeelhoudersrichtlijn is gegeven met het Actieplan van de Europese Commissie ter modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie. In de paragraaf die gaat over het versterken van aandeelhoudersrechten (par. 3.1.2) staat:
“De versterking van de rechten van de aandeelhouders moet in wezen zijn gebaseerd op a) het verstrekken van uitvoerige informatie over de verschillende bestaande rechten en over de wijze waarop deze kunnen worden uitgeoefend en b)de ontwikkeling van faciliteiten die nodig zijn om de daadwerkelijke uitoefening van deze bestaande rechten te garanderen[onderstreping EB].”1
In het tweede consultatiedocument van de Europese Commissie staat over het agenderingsrecht opgetekend:
“With the right to ask questions, the right to add items to the agenda and table resolutions are among the principal means available to shareholders to contribute to shaping General Meetings and, as such,intervene in the governance of companies. However, reasonable limitations are needed, in order to avoid that rights are abused and to ensure that General Meetings are able to operate properly [onderstreping EB].”2
Vervolgens verscheen op 5 januari 2006 de conceptversie van de Aandeelhoudersrichtlijn. Uit de titel blijkt dat de conceptversie aanstuurt op regulering van de uitoefening van stemrechten door aandeelhouders (“the exercise of voting rights by shareholders”). In de toelichting op het ontwerp van art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn staat:
“The right to add items to the agenda and to table draft resolutions enables shareholders to decisively influence general meetings[onderstreping EB].”3
De hierboven onderstreepte passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van (art. 6 van) de Aandeelhoudersrichtlijn leveren een gemengd beeld op. Enerzijds zijn er aanwijzingen die erop duiden dat aandeelhouders met het in art. 6 lid 1, onder a Aandeelhoudersrichtlijn verwoordde recht slechts onderwerpen op de agenda moeten kunnen (doen) plaatsen waarvoor de algemene vergadering besluitvormingsbevoegdheid heeft. Ik doel dan op de passage uit het Actieplan en de titel van de conceptversie van de Aandeelhoudersrichtlijn. Anderzijds zijn er passages die erop duiden dat ook onderwerpen waarvoor de algemene vergadering geen besluitvormingsbevoegdheid heeft, door aandeelhouders op de agenda zouden moeten kunnen worden geplaatst. Ik denk dan aan de zin in het tweede consultatiedocument dat aandeelhouders met het agenderingsrecht kunnen interveniëren ‘in the governance of companies’, en – zij het in mindere mate – dat het agenderingsrecht aandeelhouders in staat stelt om algemene vergaderingen beslissend te beïnvloeden.
Dan enkele passages uit de preambule van de Aandeelhoudersrichtlijn. In punt 1 en 2 van de preambule wordt gesproken over het ‘versterken’ van aandeelhoudersrechten. Dat versterken moet evenwel in de context worden geplaatst van het effectief uitoefenen van aan het nationale recht ontleende rechten (punt 14 preambule). De Aandeelhoudersrichtlijn laat de inhoud van op nationaal niveau toegekende aandeelhoudersrechten ongemoeid. Slechts de uitoefening van die nationale rechten (in een grensoverschrijdende context) wordt gefaciliteerd. Op nationaal niveau toegekende rechten worden dus niet ‘versterkt’ in die zin dat een andere, meeromvattende inhoud aan die rechten wordt gegeven, uiteraard voor zover niet anders uit de Aandeelhoudersrichtlijn voortvloeit. In dat licht beschouwd zou het in de Aandeelhoudersrichtlijn opgenomen agenderingsrecht bedoeld kunnen zijn als een recht om louter onderwerpen op de agenda te plaatsen ten aanzien waarvan de algemene vergadering besluitvormingsbevoegdheid heeft. Het agenderingsrecht zorgt er dan voor dat aandeelhouders hun op nationaal niveau toegekende vergader- en stemrechten effectief kunnen uitoefenen, in die zin dat ze niet afhankelijk zijn van een ander om een onderwerp op de agenda te krijgen.
In punt 3 van de preambule is bepaald dat houders van aandelen met stemrecht, dit stemrecht ook moeten kunnen uitoefenen, omdat het stemrecht tot uiting komt in de prijs die bij de verkrijging van de aandelen moet worden betaald. Bovendien, zo staat geschreven, is effectieve zeggenschap van de aandeelhouders een eerste vereiste voor een goede corporate governance. Die effectieve zeggenschap dient daarom te worden vergemakkelijkt en aangemoedigd. Deze passage uit de preambule wijst weer meer in de richting van een agenderingsrecht dat ook ziet op onderwerpen die buiten de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering vallen. Als effectieve zeggenschap van aandeelhouders een eerste vereiste is voor goede corporate governance, zou er ook een bepaalde mate van zeggenschap moeten zijn (bijvoorbeeld discussievoering, zie hierna) over onderwerpen die buiten de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering vallen.
Punt 4 van de preambule leert verder dat bepaalde minimumnormen moeten worden ingevoerd om investeerders te beschermen en te bewerkstelligen dat de aan stemgerechtigde aandelen verbonden aandeelhoudersrechten soepel en daadwerkelijk kunnen worden uitgeoefend. Dit is een indicatie voor een agenderingsrecht dat slechts ziet op de uitoefening van aan de algemene vergadering toekomende bevoegdheden.
Verder acht ik het volgende nog van belang. De aandeelhoudersrichtlijn beoogt de uitoefening van op nationaal niveau toegekende aandeelhoudersrechten te faciliteren. Bij die aandeelhoudersrechten wordt al snel aan het stemrecht (ter uitoefening van een bepaalde bevoegdheid van de algemene vergadering) gedacht, maar een ander hier ter zake doend aandeelhoudersrecht is het vraagrecht. Art. 9 Aandeelhoudersrichtlijn verplicht lidstaten aandeelhouders het recht te geven om vragen te stellen met betrekking tot punten op de agenda van de algemene vergadering (cursivering EB). De Europese wetgever voorziet hier in een vraagrecht dat uitdrukkelijk is beperkt tot in de agenda opgenomen punten.4 De Aandeelhoudersrichtlijn beoogt mede de uitoefening van dat begrensde vraagrecht te faciliteren en dat vraagrecht is volgens de Europese wetgever bij uitstek een recht waarmee geïntervenieerd kan worden in de governance van de vennootschap.5 Het lijkt mij dat interventie in de governance door middel van het stellen van vragen slechts mogelijk is als die vragen ook mogen zien op onderwerpen die niet tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren. Volgens mij ligt het dan ook voor de hand dat het vraagrecht van art. 9 Aandeelhoudersrichtlijn zich uitstrekt tot dergelijke onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de genoemde governance van de vennootschap. Nu slechts gevraagd kan worden over onderwerpen die op de agenda staan, acht ik het, in het verlengde van het bovenstaande, aannemelijk dat het agenderingsrecht van art. 6 lid 1, onder a Aandeelhoudersrichtlijn zich ook uitstrekt tot onderwerpen die niet tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren. Het tot de op de agenda genoemde onderwerpen beperkte vraagrecht (waarmee dus geïntervenieerd moet kunnen worden in de governance van de vennootschap) kan niet effectief worden uitgeoefend als het agenderingsrecht niet ook onderwerpen bestrijkt die buiten de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering vallen.
Ik kom hiermee tot een andere uitkomst dan A-G Timmerman in zijn conclusie voor Boskalis/Fugro. De A-G erkent in zijn conclusie dat de totstandkomingsgeschiedenis van de Aandeelhoudersrichtlijn niet op alle punten even helder is, maar komt, mede na bestudering van de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn in Duitsland en België, tot de conclusie dat de opstellers van de Aandeelhoudersrichtlijn met art. 6 lid 1, onder a vooral het oog hebben gehad op die onderwerpen waarover de algemene vergadering juridisch bindende besluiten kan nemen.6 Hierbij moet worden opgemerkt dat er bij de implementatie van de Aandeelhoudersrichtlijn in Frankrijk en Nederland in tegenstelling tot bij de implementatie in Duitsland en België het geval was, wel vanuit is gegaan dat art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn voorziet in een recht waarmee aandeelhouders ook onderwerpen op de agenda kunnen laten plaatsen ten aanzien waarvan de algemene vergadering geen besluitvormings-bevoegdheid heeft.7
Mijn conclusie luidt dat het in art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn geformuleerde agenderingsrecht niet beperkt is tot bepaalde onderwerpen.8 De vervolgvraag is of art. 6 lid 1 onder a Aandeelhoudersrichtlijn verplicht tot het toelaten van een stemming over de onderwerpen waar het artikel op ziet. Dat zijn dus enerzijds onderwerpen die tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren, en anderzijds de overige onderwerpen.