Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.5:II.5.4.3.5 HR 2 maart 1966, BNB 1966/106
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.5
II.5.4.3.5 HR 2 maart 1966, BNB 1966/106
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622308:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 2 maart 1966, ECLI:NL:HR:1966:AX6609, BNB 1966/106.
Vgl. paragraaf 2.2.3 ‘Passend binnen het gesloten stelsel’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 2 maart 1966, BNB 1966/106 maakte erflater aan zijn echtgenote een legaat ‘groot f 100 000 onder de last om dit bedrag binnen zes maanden na het overlijden van de erflater uit te keren aan weldadige instellingen, hebbende de erflater de keus dezer instellingen en het bedrag hetwelk elk daarvan zal ontvangen, aan de legatarisse overgelaten, terwijl hij voorts bepaalde dat, indien ter zake van dit legaat ten laste van zijn echtgenote successierecht mocht worden geheven, dit ten laste van zijn nalatenschap zou komen.’1 Deze last werd door de Hoge Raad eveneens als rechtsgeldig beschouwd.
Stond erflater in casu een vorderingsrecht tot nakoming, ofwel een sublegaat, voor ogen dan zou naar huidig recht (evenals in het vorige voorbeeld met betrekking tot HR 30 september 1925, PW 12040) mijns inziens niet voldaan zijn aan het bepaaldheidsvereiste ten aanzien van het aanwijzen van de legatarissen (vgl. paragraaf 5.3.2.4). Voor een rechtsgeldig legaat dient erflater namelijk individueel of in een bepaalde hoedanigheid aangewezen personen te noemen, waaruit de echtgenote dan vervolgens de keuze kan maken. Hiervan is bij de ruime formulering ‘weldadige instellingen’ geen sprake.
Bovengenoemde uitspraken laten zien dat er ten aanzien van de last een zeer soepel bepaaldheidsvereiste geldt, waarbij aan degene op wie de last drukt veel vrijheid wordt gelaten om naar eigen oordeel, ofwel subjectief, een invulling aan de last te geven. De last leent zich mijns inziens dan ook bij uitstek voor wilsdelegatie.
Alvorens ik nader inga op de vraag in hoeverre een ander kan bepalen wat de omvang van de verkrijging is die met een last kan worden bewerkstelligd (‘het object van de verkrijging’), heb ik aandacht voor een andere vraag. In paragraaf 5.4.1 merkte ik reeds op dat de last niet aan iedereen kan worden opgelegd, maar enkel aan de personen genoemd in art. 4:130 lid 1 en 2 BW (gesloten stelsel).2 Hindert dit erflater in zijn vrijheid om ten aanzien van de last te delegeren, in die zin dat hij niet aan een ieder deze delegatiebevoegdheid kan verlenen?