Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.4.3.1
1.4.3.1 Het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655681:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook buiten het terrein van causaliteitsonzekerheid zijn verschillende figuren te onderscheiden die men zou kunnen aanduiden als ‘proportionele aansprakelijkheid’. Wanneer ik in het hiernavolgende spreek over ‘proportionele aansprakelijkheid’, doel ik op de proportionele benadering die in het Nefalit/Karamus-arrest werd gevolgd als oplossing voor onzekerheid over het csqn-verband.
HR 31 maart 2006, NJ 2011/250, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Karamus), r.o. 3.13. Zie voor een bespreking van dit arrest onder meer ook Nieuwenhuis 2006, p. 177-178; Lindenbergh 2006, p. 736-741; Van Dijk 2006, p. 294-306.
Met name Kortmann heeft erop gewezen dat het eigenlijk onzuiver is om de door de Hoge Raad in Nefalit/Karamus gehanteerde techniek te kwalificeren als proportionele aansprakelijkheid. Zie Kortmann 2006, p. 1409-1411 en Kortmann 2012, p. 52-58. In het arrest Nationale Nederlanden/S. en L. zegt de Hoge Raad echter zelf dat de in het arrest Nefalit/Karamus geformuleerde rechtsregel ‘ook wel wordt aangeduid als proportionele aansprakelijkheid’ (curs. ACWP), HR 14 december 2012, NJ 2013/236, m.nt. S.D. Lindenbergh onder NJ 2013/237, r.o. 4.2, eerste volzin. En in het arrest Deloitte/H. & H. Beheer e.a. overweegt de Hoge Raad als volgt: ‘In (…) [het arrest Nefalit/Karamus] heeft de Hoge Raad de rechtsregel van de proportionele aansprakelijkheid aanvaard’ (curs. en toevoeging ACWP), HR 21 december 2012, NJ 2013/237, m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.5.2, eerste volzin.
Zie over de in de vorige voetnoot genoemde terminologische kwestie ook Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 81b; Akkermans & Van Dijk 2012, § 2; Klaassen 2012a, p. 16.
HR 31 maart 2006, NJ 2011/250, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Nefalit/Karamus), r.o. 3.13.
Idem.
Idem. Terzijde wijs ik erop dat de Hoge Raad in zijn arrest HR 14 december 2012, NJ 2013/236, m.nt. S.D. Lindenbergh onder NJ 2013/237 (Nationale Nederlanden/S. en L.), r.o. 4.2 de formulering van de in de hoofdtekst geciteerde overweging nog heeft gepreciseerd, maar dat is voor mijn betoog verder niet van belang.
HR 24 december 2010, NJ 2011/251, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai; JOR 2011/54, m.nt. A.C.W. Pijls (Fortis/Bourgonje), r.o. 3.8-3.9.
Bij het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid gaat het in essentie om aansprakelijkheid corresponderend met de kans dat de gestelde schade door de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis is veroorzaakt.1 In het algemeen wordt aangenomen dat de Hoge Raad2 deze figuur voor het eerst heeft toegepast in het bekende arrest Nefalit/ Karamus.3, 4 In deze zaak ging het – zoals bekend – om een (voormalig) werknemer die zijn (voormalig) werkgever aansprakelijk stelde voor gezondheidsschade (longkanker) ten gevolge van blootstelling aan asbeststof tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werkgever verdedigde zich met de stelling dat de longkanker van de werknemer ook kon zijn veroorzaakt door andere oorzaken en in het concrete geval waarschijnlijk was veroorzaakt door zijn eigen rookgedrag. Medisch gezien kon niet worden aangetoond waardoor de longkanker was veroorzaakt. Het causaal verband tussen de tekortkoming van de werkgever en de gezondheidsschade van de werknemer liet zich daarom niet met enige mate van zekerheid vaststellen. De ziekte van de werknemer kon ook zijn veroorzaakt door omstandigheden waarvoor niemand verantwoordelijk was of door een combinatie van factoren. De Hoge Raad oordeelt over dit probleem als volgt:5
‘Onder zodanige omstandigheden ligt in het algemeen voor de hand (…) dat de rechter een deskundige benoemt om zich te laten voorlichten over de grootte van de kans dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt in de uitoefening van zijn werkzaamheden door een toerekenbare tekortkoming van de werkgever. Indien vervolgens moet worden geoordeeld dat die kans zeer klein is, zal het in het algemeen voor de hand liggen dat de rechter de vordering afwijst en indien die kans zeer groot is, dat hij haar toewijst.’
Wanneer de kans niet zeer klein of zeer groot is, geldt volgens de Hoge Raad een ander regime:6
‘Ten aanzien van de tussen die beide uitersten gelegen gevallen is het echter in het algemeen, mede gelet op de strekking van de onderhavige norm – het voorkomen van gezondheidsschade bij de werknemer – en de aard van de normschending (…) uit overwegingen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar de onzekerheid over de mate waarin de tekortkoming van de werkgever heeft bijgedragen tot de schade van de werknemer, in zijn geheel op de werknemer af te wentelen. Eveneens onaanvaardbaar (…) is het echter de onzekerheid over het causaal verband met de schade van de werknemer geheel voor risico van de werkgever te laten komen, in weerwil van de niet zeer kleine kans dat buiten de uitoefening van de werkzaamheden gelegen omstandigheden die aan de werknemer moeten worden toegerekend (zoals roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken), de schade (mede) hebben veroorzaakt.’
Vervolgens formuleert de Hoge Raad de oplossing met bijbehorende juridische grondslag:7
‘Mede gelet op de aan de artikelen 6:99 en 6:101 BW ten grondslag liggende uitgangspunten moet daarom worden aangenomen dat (…) [onder de hier genoemde omstandigheden] de rechter de werkgever tot vergoeding van de gehele schade van de werknemer mag veroordelen, met vermindering van de vergoedingsplicht van de werkgever in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin de aan de werknemer toe te rekenen omstandigheden tot diens schade hebben bijgedragen.’ (toevoeging ACWP)
Hoewel de Hoge Raad in bovenstaande overwegingen omzichtig formuleert en hij zich niet expliciet uitlaat over de reikwijdte van de in dit arrest geformuleerde oplossing, lijkt uit de overwegingen wel een zekere terughoudendheid te spreken voor het toepassen van proportionele aansprakelijkheid als oplossing voor causaliteitsonzekerheid. Zo is het oordeel van de Hoge Raad duidelijk toegespitst op de specifieke omstandigheden van het geval en baseert hij zijn beslissing mede op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Ook het feit dat de Hoge Raad in zijn motivering expliciet refereert aan de strekking van de norm – het voorkomen van gezondheidsschade bij de werknemer – en de aard van de geschonden norm – de zorgplicht van een werkgever jegens zijn werknemer – wijst op een terughoudende toepassing. In het hierna nog te bespreken arrest Fortis/Bourgonje heeft de Hoge Raad deze terughoudendheid nader geëxpliciteerd.8