Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/9.4.1
9.4.1 Blokkerende werking van beslag
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS385894:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor een bespreking van het rechtskarakter van beslag en de discussie in de literatuur omtrent de wijze waarop het gevolg van een vervreemding in weerwil van beslag moet worden geconstrueerd, verwijs ik naar hetgeen hierboven is opgemerkt op p. 227.
Ik maak gemakshalve onderscheid tussen verhaalsbeslag en leveringsbeslag. Er kunnen nog andere doelen aan het beslag ten grondslag liggen. Zie Mijnssen & Van Mierlo 2009/1.2.
Zie art. 453a Rv voor roerende zaken, respectievelijk art. 505 lid 2 Rv voor onroerende zaken. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat het beslag ook bescherming biedt tegen een onderbewindstelling, verhuring of verpachting.
Een bespreking van de regels van derdenbescherming laat ik achterwege omdat de beschermde rechten van derden geen rangordeconflict met het beslag doen ontstaan, maar het beslag eenvoudigweg teniet doen gaan.
Bij de bespreking van de gevolgen van de Vormerkung hierboven in par. 9.3.2 is ter vergelijking reeds het rechtsgevolg van beslag op onroerende zaken aan de orde gekomen.1 Een schuldeiser die zijn vordering wil veiligstellen kan beslag laten leggen op een goed van zijn schuldenaar. Die vordering kan strekken tot verhaal dan wel tot levering van het beslagen goed.2
Het gevolg van het beslag is dat onder meer een vervreemding of bezwaring niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen.3 Het tijdstip waarop deze zogenoemde blokkerende werking ingaat, is ten aanzien van roerende zaken het tijdstip van ondertekening door de deurwaarder van het proces-verbaal zoals bedoeld in art. 440 Rv en ten aanzien van onroerende zaken in beginsel het tijdstip van inschrijving in de openbare registers.4 Aan deze tijdstippen wordt in de hoofdregel de rang van het beslag in de verhouding tot andere rechten op het beslagen goed gekoppeld.5 Aangezien ten aanzien van conflicterende rechten op een onroerende zaak de rangorde wordt bepaald door de volgorde van inschrijvingen, zou kunnen worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen daaromtrent in par. 8.2.1 is opgemerkt, ware het niet dat de wet in art. 505 lid 3 Rv hierop een uitzondering maakt. Deze uitzondering op de prioriteitsregel komt hierna aan de orde.