Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.4.2
15.4.2 Formele rechtskracht van de aanslag en doorwerking naar de boete
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940569:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Tot medio 2019 kon dit bijvoorbeeld voorkomen als de belastingplichtige wél ontvankelijk was voor de boete, maar niet voor de belastingaanslag. Zie daarover nader paragraaf 15.4.3.3. Zie voor een voorbeeld: Rb Noord-Holland 13 februari 2018, V-N 2018/21.27.28 (zie m.n. r.o. 30 en 35).
Zie paragraaf 9.3.3.3.1. In dat kader kan wel rekening worden gehouden met bestaande onzekerheden in de boetegrondslag vanwege (bijvoorbeeld) de formele rechtskracht van de aanslag, zie paragraaf 14.4.4.3.3.
Rb Noord-Holland 13 februari 2018, V-N 2018/21.27.28 lijkt hier anders over te denken, zie r.o. 30 en 35.
Feteris 2002, p. 153.
Zie voor een voorbeeld waarin dit aan de orde was (en daarover ook inhoudelijk werd geoordeeld) Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/56.24, r.o. 4.25. Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 5 april 2017, V-N 2017/30.17.39, r.o. 4.3 en 4.8.
Koopman 1996, p. 195 (par. 6.4.5).
Zie Haas 2012, par. 14.X, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 28 en Conclusie A-G Niessen 7 oktober 2005, BNB 2006/247, NTFR 2005/1622, par. 5.5. In dezelfde zin: Van Suilen 2008-I, herhaald in Van Suilen 2008-II, par. 5. Uit HR 25 april 2008, BNB 2008/175, NTFR 2008/871, leidt hij af dat de rechter de grondslag niet inhoudelijk zou mogen beoordelen. Mijns inziens ten onrechte, omdat de Hoge Raad dat niet categorisch verbiedt, maar heeft bepaald dat áls de aanslag onherroepelijk is geworden, dat dan een mee te wegen omstandigheid is. Zie ook de Conclusie van A-G Wattel voor HR 23 januari 2009, V-N 2009/8.6, BNB 2009/81, NTFR 2009/261 (par. 3.9), alsmede de noot van Van de Merwe bij dat arrest in NTFR 2009/261. Anders: Wijsman 2017, p. 378, wiens opvatting in lijn is met die van de Hoge Raad (de boetegrondslag is eenvoudigweg geen onderdeel van de delictsomschrijving).
Zie daarover nader paragraaf 13.3.5.1.
In paragraaf 9.3.3.3.1 ben ik, tegen de achtergrond van de grondslagkoppeling, reeds dieper ingegaan op dit aspect. Vgl. in dit verband ook Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, waarin de medepleger de aan de belastingplichtige zelf opgelegde boete ter discussie stelde, door de hoedanigheid van die belastingplichtige als pleger (dus: zijn kwaliteit) te betwisten. Hoewel het Hof daar wel een oordeel over gaf, lijkt uit de strafrechtelijke leer omtrent het te leveren bewijs van het medeplegen te volgen dat zulks in de zaak tegen de medepleger niet nodig is (zie paragraaf 6.5.2.2).
Dit kan worden afgeleid uit r.o. 3.3 van HR 23 januari 2009, V-N 2009/8.6, BNB 2009/81, NTFR 2009/261.
Zie Hof Amsterdam 5 januari 2009 (kenbaar uit HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9, V-N 2010/54.7), r.o. 2.5.19 en Rb Noord-Holland 13 februari 2018, V-N 2018/21.27.28, r.o. 30 en 35. Anders: Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2022, V-N 2022/56.24, r.o. 4.25.
In het verlengde van de procesrechtelijke verwevenheid rijst de vraag of een eenmaal in rechte vaststaande (dus onherroepelijke) belastingaanslag als voldongen feit heeft te gelden in de sfeer van de boete.1
Kijkend naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over de grondslagkoppeling, kan de omvang van de heffing probleemloos doorwerken naar de boetegrondslag. In de opvatting van de Hoge Raad is de boetegrondslag immers louter een strafmaatkwestie.2 Naar mijn mening is dat niet juist, omdat de boetegrondslag een onderdeel van de centrale stellingen is. Reeds daarom kan de omvang van de heffing in mijn optiek niet zomaar doorwerken, maar moet de inspecteur de heffing in de hoedanigheid van boetegrondslag afzonderlijk bewijzen en kan de boeteling die dus ook afzonderlijk ter discussie stellen.3
Ook als het gaat om het bewijs van de centrale stellingen meen ik dat de feiten waarop de onherroepelijke belastingaanslag gebaseerd is, in de sfeer van de boete niet zonder meer als vaststaand hebben te gelden. Feteris heeft daarvoor als onderbouwing gegeven dat tegen de belastingaanslag geen rechtsgang open heeft gestaan die voldoet aan de vereisten van art. 6 EVRM.4 Daar ben ik het mee eens. Het maakt om die reden naar mijn opvatting verder niet uit om welke reden de belastingaanslag formele rechtskracht heeft gekregen. Zelfs als de belastingplichtige er om hem moverende redenen bewust voor heeft gekozen om alleen in rechte te ageren tegen de opgelegde boete, kunnen de feiten waarop de onderliggende belastingaanslag is gebaseerd, worden betwist (bijvoorbeeld als de inspecteur met die feiten het bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit wil leveren).5 Koopman heeft eveneens verdedigd dat in de boetesfeer een hernieuwde discussie over de heffing kan plaatsvinden, zelfs wanneer geen rechtsmiddel tegen de heffing is ingesteld. Hij baseert dat op het recht op toegang tot de rechter.6 Ook overigens is er in de literatuur (deels op andere gronden) kritiek op de rechtstreekse doorwerking in gevallen waarin de heffing in rechte is komen vast te staan. Volgens verschillende auteurs moet de heffing, als grondslag voor de boete, dan toch nog ter discussie kunnen worden gesteld.7 Daarbij kan de boeteling ook aanvoeren dat de inspecteur de feiten waarop de (omvang van de) heffing is gebaseerd, niet ‘beyond reasonable doubt’ heeft bewezen.8
Wanneer het beroep wél mede is gericht tegen de met de boete samenhangende heffing, zou de boeteling naar mijn mening evenzeer in staat moeten worden gesteld om de heffing, in de hoedanigheid van boetegrondslag, afzonderlijk (dus met inachtneming van de waarborgen van art. 6 EVRM) ter discussie te stellen.9 Het heeft er echter alle schijn van dat de Hoge Raad een andere opvatting heeft, die erop neer komt dat een eenmaal vaststaande heffing niet opnieuw, als boetegrondslag, kan worden bestreden.10 De feitenrechter lijkt deze opvatting te volgen.11