Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.2.2.3
2.2.2.3 Onvoltooide poging
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715371:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Strijards 1995, p. 11 en 13-14. Vgl. Rozemond 1994, p. 660.
Rutgers 1992, p. 287.
Prakken & Roef 2004, p. 241.
Al is de vraag nog steeds: welk delict precies? Strijards 1995, p. 1.
Alexander & Ferzan 2012, p. 644.
Daar komt bij dat poging slechts bij misdrijven strafbaar is, zodat ernstige schade in het verschiet ligt (zie daarover §3.2).
Verbruggen 2004, p. 36. Vgl. ook: Rutgers 1992, p. 286-287. Voorbereiding kan als een vorm van concrete gevaarzetting worden gezien, nu de voorbereiding steeds op een bepaald (voldoende) concreet delict moet zijn gericht (Smith 2003, p. 199-200, 203 en 210; Concl. A-G N. Jörg, ECLI:NL:PHR:2004:AN9358, bij HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358 (Handleiding), par. 18). Andere auteurs menen dat bij voorbereiding juist sprake is van abstracte gevaarzetting (zie bijvoorbeeld: De Hullu 2021, p. 72; Concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2014:427, bij HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:427, par. 15). Prakken en Roef omschrijven voorbereiding paradoxaal genoeg als enerzijds een onzelfstandig gevaarzettingsdelict (vanwege het vereiste verband met een voltooid delict) en anderzijds als een zelfstandig onvoltooid delict (omdat het verband met het voltooide delict zwak is en enkel of vooral wordt gevormd door de intentie van de dader). Anders dan poging zou voorbereiding volgens Prakken en Roef een minder sterk accessoir karakter hebben, nu de vervulling van de bestanddelen van de voorbereiding zelf centraal staat, waardoor de subjectieve intentie waarmee de handelingen zijn verricht centraal komt te staan. Zie: Prakken & Roef 2004, p. 233-234.
Verbruggen 2004, p. 36. De door Verbruggen voorgestane oplossing – het meewegen van het voornemen van de dader – moet vanuit liberaal oogpunt uiteraard worden verworpen, omdat daarmee de intentie de gebreken die kleven aan de gedraging gaat compenseren en zo de grondslag voor aansprakelijkheid wordt.
Dat laat overigens onverlet dat het binnendringen van een woning een zelfstandig strafbaar feit kan zijn.
Het hypothetische causale verband, waarin de waarschijnlijkheid centraal staat dat de gedraging tot een schadelijk gevolg zal leiden, sluit op het eerste gezicht goed aan op het criterium van de uiterlijke verschijningsvorm. Het gaat bij de uiterlijke verschijningsvorm immers om een waarneming door objectieve derden, zodat de intentie – die niet waarneembaar is – buiten beschouwing moet blijven.1 Ook blijven zo alledaagse gedragingen – zelfs als deze zijn verricht met kwade intenties – straffeloos, aangezien dan uit de gedraging zelf geen gevaar zal blijken.2 Bovendien moet de gedraging zijn gericht op de voltooiing van een misdrijf. Wil er reeds zicht zijn op voltooiing, dan zal het gevolg doorgaans wel met een hoge mate van waarschijnlijkheid intreden.3 Met hypothetische causaliteit komt zo een beperkte strafbaarheid van de onvoltooide poging binnen handbereik. De kans dat een schadelijk gevolg zal intreden, is bij veel uitvoeringshandelingen al betrekkelijk groot. Van de dader die een geladen vuurwapen op iemand richt en zijn vinger op de trekker legt, kan natuurlijk nog niet met natuurkundige zekerheid worden voorspeld wat hij zal doen, maar voor zover de causale keten reeds tot stand is gekomen, wijst deze vrij eenduidig in de richting dat de dader op het punt staat een misdrijf te plegen.4 Daar speelt ook in mee dat de verdachte van een onvoltooide poging doorgaans al het nodige heeft geïnvesteerd in zijn poging, zodat in zekere zin sprake is van verzonken kosten, die mogelijk aan terugtred in de weg kunnen staan.5 Het gebrek aan natuurkundige causaliteit wordt daarmee tot op zekere hoogte gecompenseerd.6
Om de eisen aan het causale verband met het grondfeit verder te versterken, ligt het bovendien voor de hand om te vereisen dat de gedraging ondubbelzinnig moet zijn gericht op een specifiek en concreet strafbaar feit en in ieder geval niet tevens kan zijn verricht omdat de dader een niet-strafbaar gevolg wilde veroorzaken.7 Verbruggen brengt daar tegenin dat dan niet tijdig kan worden ingegrepen: een dader die ergens inbreekt, kan evengoed bezig zijn met een diefstal als met een moord of zelfs ‘slechts’ op verkenning zijn.8 Precies daarom moet de uitvoeringshandeling vanuit liberaal oogpunt ondubbelzinnig zijn: zolang de gedraging niet op één duidelijk strafbaar feit is gericht, kan niet van een begin van uitvoering van dat strafbare feit worden gesproken.9 Dat duidelijk moet zijn welk strafbaar feit in het verschiet ligt, is niet alleen nodig om naar geldend recht de strafmaat te kunnen bepalen (die is immers relatief aan de strafmaat van het voltooide delict), maar komt ook beter tegemoet aan het legaliteitsbeginsel (daarover hoofdstuk 5). Bovendien sluit ook dat aan op de gedachte dat de gedraging moet zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf; gedragingen die te ver van de voltooiing zijn verwijderd, zijn nog te multi-interpretabel.