Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/3.5.3.2
3.5.3.2 Relativering van het free rider effect: financiering met risicomijdend vermogen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402360:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sterker nog, Bebchuck & Fried 1996, p. 857-934, wijzen erop dat de vestiging van zekerheden kan resulteren in een waarde-overheveling van de ‘zwakke’ crediteuren, naar de professionele crediteur die de zekerheden krijgt. Posner 2007, p. 429, overweegt dienaangaande: “There is a danger that a corporation will take on too much debt. The reason is that some unsecured creditors cannot protect themselves against the enhanced risk of noncollection that secured credit creates for them.” In Nederland heeft Bier erop gewezen dat de bevoorrechte positie van de professionele crediteur met zekerheden, juist kan leiden tot extra nadeel voor de ‘zwakkere’ crediteuren (Bier 2006a, p. 219).
LoPucki 1992, p. 147-160. Zo ook Thompson 2005, p. 631 & Bainbridge 2001, p. 530. Freedman overweegt: “It is mainly the sophisticated creditor with bargaining power who seems to gain. […] Contracting around the limited liability of small firms is an incomplete approach to the moral hazard problem and, worse, creates distortions of its own. The business owner under such a regime has every incentive to pass on risk wherever he can to compensate for the fact that he cannot always do so. He is encouraged to keep his large creditors with personal guarantees happy at the expense of the others.” (Freedman 2000, p. 332).
Uit art. 2:403 lid 1 sub f vloeit immers voort dat de aandeelhouder/moedermaatschappij zich door de 403-verklaring uitsluitend verbindt voor de schulden uit hoofde van door de vennootschap verrichte rechtshandelingen. Onvrijwillige schuldeisers kunnen op grond van de verklaring dus (in beginsel) niet de moedervennootschap aanspreken.
Möller 2005, p. 13 en LoPucki 1998, p. 149-150.
Leebron 1991, p. 1631.
Er zijn echter veel omstandigheden denkbaar waaronder de ‘zwakke’ crediteuren geen bescherming ontlenen aan de betrokkenheid van een professionele financier. Sterker nog, deze betrokkenheid kan voor hen zelfs nadelig zijn. Zo kan in de kredietovereenkomst bepaald zijn dat het bankkrediet opeisbaar wordt op het moment dat de vennootschap onder een bepaalde (solvabiliteits)ratio zakt; een dergelijke bepaling leidt ertoe dat de bank in de aanloop naar het faillissement voorrang zal kunnen nemen op de overige crediteuren. Ook als de bank haar risico’s heeft beperkt door zekerheden te bedingen op de activa van de vennootschap, is geen sprake van een free ride effect.1
Daarnaast beschikt de aandeelhouder over verschillende mogelijkheden om de vennootschap te financieren met ‘risicomijdend vermogen’. Zo kan de vennootschap haar activiteiten financieren door vreemd vermogen aan te trekken waarvoor de aandeelhouder (of een zustervennootschap waarin de activa van de onderneming zijn ondergebracht) zich jegens de bank borg stelt. In economische termen houdt dit in dat de risicodragende investering van de aandeelhouder – de borgstelling – slechts ten behoeve van de kredietverstrekkende bank wordt ingebracht; andere crediteuren kunnen zich immers niet op grond van de borgstelling op de aandeelhouder verhalen.2 Een vergelijkbare situatie doet zich voor als de bank bereid is vermogen aan de risicovolle vennootschap te verstrekken vanwege een door de aandeelhouder afgegeven 403-verklaring. Uitsluitend de contractuele crediteuren van de vennootschap ontlenen daaraan bescherming; de onvrijwillige schuldeisers kunnen zich op grond van de 403-verklaring immers niet verhalen op de moedervennootschap. 3 Ook door het gebruik van leaseconstructies is het mogelijk om in de voor de risicovolle activiteiten benodigde activa te voorzien, zonder dat enig risicodragend vermogen wordt ingebracht.4 Zolang de uit de riskante activiteiten voortvloeiende winsten direct door uitkeringen of andere transacties met aandeelhouders aan de vennootschap worden onttrokken, zal de vennootschap nimmer over enig voor verhaal vatbaar vermogen beschikken. Al deze financieringsconstructies hebben tot gevolg dat de aandeelhouder een deel van het ondernemingsrisico afwentelt op de onvrijwillige crediteuren, en vaak ook op de ‘zwakke’ contractuele crediteuren.
Leebron ziet in het feit dat de bank slechts tot kredietverstrekking bereid is bij een persoonlijke garantstelling door de aandeelhouders, een objectief oordeel dat de vennootschap niet adequaat gefinancierd is:
“If contractual creditors believe such a promise is necessary, it reflects an arm’s length determination that the capital and expected earnings of the enterprise may be insufficient to meet the corporation’s obligations. In effect, such creditors insist that assets of the shareholders conditionally become corporate assets. For these reasons, the obligation also ought to run in favor of noncontractual creditors. These creditors have no opportunity to bargain; it is a reasonable presumption that if they could, they too would insist on the guarantee. […] In effect, the shareholder guarantee is a form of equity contribution to the corporation.”5