De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board
Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.4.5.a:VII.3.4.5.a Inleiding
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.3.4.5.a
VII.3.4.5.a Inleiding
Documentgegevens:
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242681:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De collectieve aansprakelijkheid van art. 2:138/248 BW kan tot onbillijke uitkomsten leiden. Denkbaar is dat de niet-uitvoerende bestuurder op grond van de taakverdeling in het geheel niet betrokken is geweest bij de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Art. 2:138/248 lid 3 BW biedt de niet-uitvoerende bestuurder in dat geval de mogelijkheid zich aan de gevestigde aansprakelijkheid te onttrekken.
Omdat het disculpatieregime van art. 2:138/248 lid 3 BW niet wezenlijk verschilt van het regime van art. 2:9 lid 2 BW, verwijs ik voor een uitgebreide bespreking van de vereisten voor een succesvolle disculpatie naar § VII.3.2.5.1 Hetgeen ik daar schreef, geldt eveneens voor de disculpatiemogelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder op grond van art. 2:138/248 lid 3 BW, tenzij anders is vermeld. In deze subparagraaf ligt de focus op vragen die rijzen in verband met de disculpatiemogelijkheid van het derde lid van art. 2:138/248 BW.
Voor een succesvolle disculpatie eist art. 2:138/248 lid 3 BW dat de niet-uitvoerende bestuurder geen verwijt treft van de vastgestelde kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Daarnaast dient hij, zodra hij wist of behoorde te weten dat een medebestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervulde, maatregelen te hebben getroffen teneinde de gevolgen daarvan af te wenden.