Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/4.4.5:4.4.5 Duur van de uitgifte
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/4.4.5
4.4.5 Duur van de uitgifte
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349460:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe lang mogen de beschermingsprefs blijven uitstaan? Bij het antwoord op deze vraag zal de RNA-norm maatgevend zijn. Daaruit blijkt niet van een harde termijn waarbinnen beschermingsprefs mogen uitstaan. De Hoge Raad oordeelde slechts dat het voor onbepaalde tijd handhaven van een beschermingsmaatregel in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn.1 De enige harde beperking is opgenomen in art. 5:70 lid 1onderdeel c Wft. Ingevolge deze bepaling is de stichting niet vrijgesteld van de biedplicht indien zij na aankondiging van een openbaar bod langer dan twee jaar vanaf die aankondiging overwegende zeggenschap in de vennootschap houdt.2 Het Rapport Delegatie van de emissiebevoegdheid 2008 noemt geen maximumperiode gedurende welke beschermingsprefs mogen uitstaan, maar geeft als best practice regel dat de duur wordt vermeld in de toelichting op het voorstel om het bestuur als het tot uitgifte van beschermingsprefs bevoegde orgaan aan te wijzen.3 Om maximale flexibiliteit te behouden, meen ik dat beter geen (maximum)duur genoemd wordt.
Kort samengevat geldt voor wat betreft de duur waaronder beschermingsprefs mogen uitstaan – los van de RNA-norm – het volgende:
voor alle situaties anders dan na aankondiging van een openbaar bod gelden geen wettelijke beperkingen ten aanzien van de duur; wel ten aanzien van het aantal beschermingsprefs;
in de situatie van een (vijandig) openbaar bod mag de stichting niet langer dan twee jaar over overwegende zeggenschap beschikken vanaf het moment dat aankondiging van het bod wordt gedaan, wil zij zijn vrijgesteld van de biedplicht;
vindt aankondiging van een openbaar bod plaats, dan kunnen de beschermingsprefs beter zo laat mogelijk aan de stichting worden uitgegeven, opdat de termijn van twee jaar zo laat mogelijk aanvangt.
Uiteraard staat het de vennootschap vrij om in haar statuten te bepalen dat beschermingsprefs voor een maximumduur kunnen uitstaan. Zo kennen veel vennootschappen een statutaire bepaling die is gestoeld op Bijlage X en die inhoudt dat het bestuur binnen twee jaar na de uitgifte een algemene vergadering bijeen moet roepen en een voorstel moet doen tot intrekking of inkoop van de beschermingsprefs.4 Met de keuze voor zo’n vrijwillige regeling kan de vennootschap twijfelende aandeelhouders bij de introductie van beschermingsprefs in de statuten over de streep trekken. Dit beperkt de vennootschap uiteraard in haar bewegingsruimte.