Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.6.4.2
4.6.4.2 Vereisten van het devaluatieverweer
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS498830:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 3, par. 3.5.5 en 3.5.6.
Hoofdstuk 2, par. 2.4.2.2.
Zie voor de problematiek over vorderingen tot terugbetaling in de precontractuele fase uitvoerig: Damminga 2006.
De beslissing van de Hoge Raad in een vergelijkbaar geval (HR 18 april 1969, NJ 1969/336 (Katwijkse haven)) dat de afbrekende partij – die toestond dat omvangrijkewerkzaamheden reeds werden verricht en vervolgens de rest van het project aan een ander gunde – geen vergoeding hoefde te betalen aan de teleurgestelde aannemer is dan ook terecht bekritiseerd in de literatuur. Zie over deze problematiek en dit arrest: Schoordijk 1969; Van den Berg 1991; Damminga 2006; Ruygvoorn 2009.
Wat zijn de vereisten voor een geslaagd beroep op het devaluatieverweer? Enkele rechtsvergelijkende beschouwingen werpen licht op de zaak. In hoofdstuk 3 bleek dat onder Duits recht de verrijkingsschuldenaar alleen een beroep kan doen op het devaluatieverweer als hij te goeder trouw is.1 In Engeland is de benadering echter een andere. De verrijkingsschuldenaar kan namelijk volgens de Engelse auteurs een beroep doen op het verweer, tenzij hij te kwader trouw is.2 Zij wijzen daarbij op het volgende geval. A bouwt per vergissing op een stuk grond dat niet aan hem, maar aan B toebehoort. B weet dat A zich vergist, maar hij laat A zijn gang gaan. De Engelse auteurs betogen dat als A de waarde van de materialen vordert van B uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, B niet tegen A kan aanvoeren dat hij niet de waarde van de nagetrokken zaken waardeert op hun marktwaarde.
Het betoog van de Engelse auteurs zou ook voor het Nederlandse recht gevolgd moeten worden. Volgens mij dient niet vereist te zijn dat A meende recht te hebben op een bepaald vermogensvoordeel. Met andere woorden, A hoeft niet te goeder trouw te zijn; afwezigheid van kwade trouw volstaat.
Een voorbeeld verduidelijkt deze benadering. Als A en B onderhandelen over een aannemingsovereenkomst en A begint alvast te bouwen, dan weten zij allebei dat de onderhandelingen niet perse tot een overeenkomst hoeven te leiden. Komt de overeenkomst niet tot stand, dan heeft het volgende te gelden. B weet dat hij geen recht had op de prestatie en de daarbij gebruikte zaken. B is daarom niet te goeder trouw. Maar ook A weet dat zijn werkzaamheden onverplicht zijn, terwijl het aan B bekend is dat A dit weet. B is daarom niet te kwader trouw. Voor zover A een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking heeft tegen B, moet B naar mijn mening een beroep kunnen doen op het devaluatieverweer. A zou anders in de praktijk B’s vrijheid om de onderhandelingen af te breken illusoir kunnen maken: B zou dan gedwongen zijn de werkzaamheden te vergoeden waar hij geen prijs op stelt en ter zake waarvan hij geen overeenkomst wil sluiten.3 Echter, B zal wel moeten aantonen dat hij de prestaties niet waardeert. Stel bijvoorbeeld dat B zonder vergoeding de prestaties van A en de daarbij gebruikte materialen in ontvangst neemt. B breekt vervolgens de onderhandelingen met A af en laat de werkzaamheden voltooien door C. Deze brengt slechts zijn eigen werkzaamheden in rekening, een fractie van wat voor het volledige werk en de materialen op de markt zou moeten worden betaald.4 B kan naar mijn mening niet het verweer voeren dat hij de prestaties van A niet waardeert, aangezien deze prestaties ertoe hebben geleid dat C niet het volledige bedrag in rekening hoeft te brengen.