Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.3.4.2
6.3.4.2 Een andere bestuursstructuur
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS390962:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Witteveen (2004), p. 165.
In mijn visie komt ook bij de SE-Richtlijn relevantie toe aan de leidinggevende of de toezichthoudende component binnen de bestuursstructuur waarop de medezeggenschap betrekking heeft. Indien voorafgaand aan de fusie de medezeggenschap gold voor 1/3 van het aantal leden van het toezichthoudende orgaan, wordt na de fusie de medezeggenschap van toepassing op 1/3 van het aantal niet-uitvoerende leden van het bestuursorgaan in een monistisch bestuursstructuur (ervan uitgaande dat binnen het bestuursorgaan een onderscheid is aangebracht tussen uitvoerende en nietuitvoerende leden). Ik leid dit af uit het feit dat de medezeggenschap ingevolge de SE-Richtlijn geen betrekking kan hebben op de leidinggevende component zodat de uitvoerende bestuurders reeds om die reden buiten het toepassingsbereik vallen.
In gelijke zin Techmann (2007), p. 92.
Deze regel geldt ook voor de omgekeerde situatie. In dat geval moet de medezeggenschap die voor de fusie betrekking had op het bestuursorgaan in een monistische bestuursstructuur worden getransformeerd naar een dualistische bestuursstructuur. Indien voorafgaand aan de fusie geen onderscheid bestond tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders, kan discussie ontstaan waarop de medezeggenschap na de fusie betrekking krijgt. Dit lijkt mij het toezichthoudende orgaan te zijn. Binnen een dualistische bestuursstructuur richt de medezeggenschap zich doorgaans op het toezichthoudende orgaan.
De formulering van art. 16 lid 4 (c) Tiende Richtlijn doet vermoeden dat de limitering onbegrensd is als de medezeggenschap voor de fusie minder dan een derde van het proportionele aantal leden betrof. Dat zou betekenen dat de lidstaten de mogelijkheid hebben de medezeggenschap bij wet te reduceren tot nihil. Dit lijkt mij niet beoogd. Mijns inziens geldt de beperking tot een derde als algemeen minimum.
De bestuursstructuur van de uit de fusie ontstane vennootschap wordt bepaald door het nationale recht van de lidstaat van vestiging. De Europese wetgever heeft niet willen tornen aan de verschillende bestuursstructuren die binnen de lidstaten bestaan (zie hoofdstuk 3.11). Dit maakt het mogelijk dat een medezeggenschapssysteem na de fusie van toepassing wordt in een andere bestuursstructuur dan de bestuursstructuur die voor de fusie bestond. Medezeggenschapssystemen laten zich echter niet eenvoudig omzetten. Ik illustreer dit aan de hand van drie voorbeelden:
Voorbeeld 1. Een Nederlandse NV (verdwijnende vennootschap) en een Belgische NV (verkrijgende vennootschap) willen fuseren. De Nederlandse vennootschap werkt met een dualistische bestuursstructuur. De werknemers hebben via het spreekrecht invloed op de samenstelling van zowel het leidinggevende als het toezichthoudende orgaan. De Nederlandse systematiek dient op basis van de referentievoorschriften na de fusie te worden toegepast in de uit de fusie ontstane Belgische vennootschap. De Belgische vennootschap werkt met een monistische bestuursstructuur. De leidinggevende taken zijn evenwel gedelegeerd aan een directiecomité. Heeft de medezeggenschap na de fusie betrekking op de leden van het bestuursorgaan, de leden van het directiecomité of op beide?
Voorbeeld 2. Een Nederlandse structuur-BV (verkrijgende vennootschap) met meer dan 500 werknemers en een Belgische BVBA (verdwijnende vennootschap) willen fuseren. Ook nu werkt de Nederlandse vennootschap met een dualistische bestuursstructuur. De werknemers oefenen via het (versterkte) aanbevelingsrecht invloed uit op de samenstelling van de raad van commissarissen. De Nederlandse uit de fusie ontstane vennootschap heeft een monistische bestuursstructuur. Heeft de medezeggenschap na de fusie betrekking op alle leden van het bestuursorgaan? Maakt het nog verschil of in de statuten een onderscheid is gemaakt tussen uitvoerende en nietuitvoerende bestuurders?
Voorbeeld 3. Ditmaal willen een Nederlandse NV (verdwijnende vennootschap) en een Duitse AG (verkrijgende vennootschap) fuseren. De Duitse AG kent geen medezeggenschap. De Nederlandse NV heeft een monistische bestuursstructuur. De werknemers hebben via het spreekrecht invloed op de benoeming van alle leden van het bestuursorgaan. De uit de fusie ontstane Duitse vennootschap kent een dualistische bestuursstructuur. Is de medezeggenschap na de fusie op het toezichthoudende en/of het bestuursorgaan van de Duitse vennootschap van toepassing?
Bij de oprichting van een SE leidt deze problematiek niet tot hoofdbrekens. De SEVerordening kent als uitgangspunt dat de medezeggenschap in een monistische structuur op het bestuursorgaan en in een dualistische structuur op het toezichthoudende orgaan betrekking heeft. De algemene opvatting is dat de medezeggenschap na de fusie naar de andere bestuursstructuur wordt getransformeerd zonder dat belang toekomt aan het feit dat de invloed voor de fusie was gericht op de samenstelling van een ander orgaan binnen de vennootschap.1 Hiertegen kan men bedenkingen hebben.2 Met de uitbreiding van het medezeggenschapsbegrip tot het leidinggevende orgaan van de vennootschap is deze benadering voor de Tiende Richtlijn sowieso niet houdbaar. Neem het derde voorbeeld. Indien geen rekening wordt gehouden met de leidinggevende dan wel de toezichthoudende component waarop de medezeggenschap zich voor de fusie richtte in de monistische bestuursstructuur, is niet duidelijk of na de fusie het leidinggevende en/of het toezichthoudende orgaan van de Duitse vennootschap aan het spreekrecht onderworpen raakt. Het ‘voor en na-beginsel’ vergt dat men ernaar moet streven dat de situatie na de fusie zo veel mogelijk overeenstemt met de situatie daarvoor. Dit betekent dat de medezeggenschap na de fusie moet worden toegepast op dezelfde component (de leidinggevende dan wel de toezichthoudende component) als die waarop de medezeggenschap voorafgaand aan de fusie betrekking had.3
Hoe pakt dit uit in de hiervoor genoemde voorbeelden? Na de fusie geldt in het eerste voorbeeld het spreekrecht bij de benoeming van de leden van het bestuursorgaan én het directiecomité, geldt in het tweede voorbeeld het (versterkte) aanbevelingsrecht bij een onderscheid tussen bestuurders bij de benoeming van de niet-uitvoerende leden en geldt in het derde voorbeeld het spreekrecht bij de benoeming van de leden van zowel het leidinggevende als het toezichthoudende orgaan. Deze benadering is alleen dan niet toepasbaar als in het tweede voorbeeld na de fusie geen onderscheid tussen de bestuurders is aangebracht. De medezeggenschap wordt dan op het gehele bestuursorgaan van toepassing.4 Deze nadelige uitwerking wordt ondervangen door art. 16 lid 4 (c) Tiende Richtlijn. Deze bepaling biedt lidstaten de mogelijkheid het proportionele aantal werknemersvertegenwoordigers in het bestuursorgaan te beperken tot een derde van het totale aantal leden.5 De Europese wetgever achtte het niet gewenst dat de medezeggenschap die voorafgaand aan de fusie op het toezichthoudende orgaan betrekking had door de fusie één op één op het bestuursorgaan van toepassing zou worden. Zowel de Nederlandse als de Duitse en Belgische wetgever hebben art. 16 lid 4 (c) Tiende Richtlijn niet geïmplementeerd. Het lijkt mij raadzaam dat de Nederlandse en Belgische wetgever hiertoe alsnog overgaan. Voor Duitsland bestaat geen noodzaak, nu het Duitse recht voor de toepassing van medezeggenschap steeds een dualistische bestuurstructuur verplicht stelt.