Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.6.4:16.6.4 Suggesties ten aanzien van de informatiebeschikking
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.6.4
16.6.4 Suggesties ten aanzien van de informatiebeschikking
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940251:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.4.3.2.
Of dat beroep ook inderdaad slaagt, is afhankelijk van het antwoord de vraag of de informatiebeschikking wel de voor de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel vereiste dwang oplevert. Zoals in paragraaf 11.2.5.1 is uiteengezet, meent de Hoge Raad mogelijk van niet, maar lijkt dat niet te stroken met de lijn van het EHRM.
Zie paragraaf 16.4.2.
Zie paragraaf 16.5.3.2 en paragraaf 16.6.3.2.
Zie paragraaf 16.5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De omkering kan voor wat betreft categorie II-triggers slechts plaatsvinden wanneer de inspecteur de schending van de betreffende informatieverplichting heeft vastgelegd in een onherroepelijk geworden informatiebeschikking.1 Op grond van de wettelijke regeling moet de inspecteur de belastingplichtige in de informatiebeschikking wijzen op de sanctie van de omkering, als mogelijk gevolg van het volharden in de schending van de informatieverplichting.2 De inspecteur is echter niet verplicht om daarbij aan te geven wat de gevolgen voor een eventueel op te leggen boete zullen zijn. Naar mijn mening zou het goed zijn als de wetgever art. 52a AWR zou uitbreiden met een zodanige verplichting. De belastingplichtige wordt momenteel immers niet volledig geïnformeerd over zijn rechtspositie.
Als de informatieverplichting ziet op het afleggen van eigen verklaringen, kan een geslaagd beroep op het nemo tenetur-beginsel er bijvoorbeeld toe leiden dat de omkering alleen gevolgen voor de heffing zal hebben.3 De belastingplichtige die tevens vreest voor een boete, kan met die wetenschap een betere afweging maken tussen toch meewerken of blijven zwijgen. Bovendien zou de inspecteur er op voorhand aan worden herinnerd dat hij de boetegrondslag bij volharding in het zwijgen afzonderlijk zal moeten berekenen.4 In verband met de latente werking van het nemo tenetur-beginsel zijn de gevolgen van het wél meewerken voor een eventuele latere boete overigens evenzeer relevant. De inspecteur zou in dat verband kunnen aangeven dat de informatie niet zal worden gebruikt voor de onderbouwing van een boete.
Ook afgezien van de invloed van het nemo tenetur-beginsel zou de inspecteur in de informatiebeschikking kunnen aangeven wat de eventuele gevolgen van het niet-meewerken voor een op te leggen boete zullen zijn. Daarbij kan hij bijvoorbeeld mededelen dat aan het schenden van de betreffende informatieverplichting een vermoeden zou kunnen worden ontleend, dat als bewijsmiddel voor het bewijs van de centrale stellingen kan worden gebruikt.5 Verder kan hij aangeven dat de strafmaat zal worden bepaald aan de hand van de redelijke schatting, waarop hooguit een beperkte matiging wegens bestaande onzekerheden in de grondslag kan worden toegepast.6