Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.6.2
16.6.2 Verband met de onschuldpresumptie: Hoge Raad (BNB 2011/206 en BNB 2011/207)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940247:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, waarover nader in paragraaf 9.3.3.3.2.
In concreto: een microfiche met daarop (louter) banksaldi van rekeninghouders per 31 januari 1994.
Zie met name HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.3.1 en volgende.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.2 en 4.5.3. Zie ook paragraaf 9.3.3.3.2.
Ook het bewijs voor de toepasselijkheid van de omkering als zodanig moet overigens ‘op jaarbasis’ worden geleverd, zie HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157, r.o. 3.4.2 en HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.19, waarover nader in paragraaf 7.4.4.2.3.
Zie paragraaf 16.5.3.2 hiervoor. Eventueel kan het zwijgen als steunbewijs dienen ter versterking van de overtuigingskracht van andere bewijsmiddelen, zie paragraaf 10.2.4. Er moet dan wel ander, op zichzelf reeds voldoende sterk bewijs zijn voor het hebben begaan van het beboetbare feit.
In de literatuur wordt aan dit aspect – mijns inziens ten onrechte – voorbijgegaan, zie bijvoorbeeld Jansen in zijn commentaar bij NTFR 2011/946, die alleen het opzet-element bespreekt (punt 13 en 14).
Vgl. ook de latere concrete uitwerking in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, waarin de Hoge Raad op dit punt (en ten opzichte van het bewijs van de schuldgradatie) een duidelijk onderscheid aanbrengt.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11 en 4.12.
Zie paragraaf 9.3.1.
Onder omstandigheden kan het bewijs van de trigger voor de omkering wel tevens het bewijs van (het begaan van) het beboetbare feit opleveren, zie paragraaf 16.5.3.2 hiervoor.
Vgl. HR 18 augustus 2023, V-N 2023/37.19, r.o. 3.2.1-3.2.2 (waarover nader in paragraaf 7.4.5.2). Vgl. in dit verband ook Møller 2008, par. 1, die opmerkt dat de heffing – vanwege de zeer zware (tegen)bewijslast – in feite plaatsvindt ‘op basis van bewijsrecht in plaats van op basis van de belastbare feiten’. Vgl. voorts het arrest inzake de zogeheten zesmaandenfictie in de loonheffingen, HR 7 november 2014, V-N 2014/58.7, BNB 2015/57, NTFR 2014/2724 (r.o. 2.3.6), waaromtrent nader in paragraaf 9.3.3.3.2.
Uiteraard kan dat alleen als de inspecteur ook de vereiste schuldgradatie kan bewijzen en bij dit alles de bewijsgradatie ‘beyond reasonable doubt’ haalt.
De Hoge Raad benadrukte deze tweetrapsraket in zijn opdracht aan het verwijzingshof, zie HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.5. Zie voorts bijvoorbeeld HR 24 oktober 2008, V-N 2008/54.9, BNB 2008/308, NTFR 2008/2099, waarin het eveneens een zaak betrof waarin de omkering was gegrond op een categorie II-trigger (schenden van de administratieplicht). Het Hof had het bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit (het doen van een onjuiste aangifte) aangenomen op grond van een onverklaarbaar laag brutowinstpercentage en een afwijkende samenstelling van de omzet-mix.
Zie paragraaf 16.5.3.2. Vgl. de casus die voorlag in HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157: het Hof had de omkering mede gebaseerd op het niet doen van de vereiste aangifte (zie r.o. 5.6 van de Hofuitspraak), maar door een gebrekkige onderbouwing kon dat oordeel geen stand houden (r.o. 3.4.1).
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 (waaromtrent nader in paragraaf 10.4). Helaas bevat het arrest slechts een aanknopingspunt in deze richting. Het tegen de omkering gerichte cassatiemiddel (middel VI) klaagde weliswaar over het bewijs van de categorie I-trigger (zie 6.4 van het cassatieberoepschrift), maar de Hoge Raad verwierp dat middel onder verwijzing naar art. 81 Wet RO.
Zie paragraaf 16.3.2.
Vgl. bijvoorbeeld de noot van De Bont bij het arrest in BNB 2008/165 (die concludeerde dat de formulering omtrent de doorwerking te ruim was), alsmede het Commentaar van Elk bij het arrest in NTFR 2008/157 (hij gaf alleen de algemene conclusie dat doorwerking van de grondslag toelaatbaar was). Zie ook de Conclusie A-G Niessen voor HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, par. 6.6 en verder. Zie voorts Happé e.a. 2010 p. 398-399, die (zoals uit noot 42 lijkt te volgen) van mening waren dat de Hoge Raad van koers was veranderd ten opzichte van het arrest BNB 2002/27. Zie ten slotte de literatuurverwijzingen in de noot van Langereis bij HR 6 juni 2008, BNB 2009/47 (voetnoot 6), alsmede de verwijzingen die ik hiervoor in paragraaf 16.5.3 opnam. Anders reeds: Van Suilen in zijn Commentaar bij HR 24 oktober 2008, NTFR 2008/2099.
Zie voor de opvatting van de wetgever hierover paragraaf 16.3.2.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.2.
Vgl. HR 28 september 2012, V-N 2013/8.8 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.2 en 4.6.3, onder expliciete verwijzing naar het arrest HR 18 januari 2008, BNB 2008/165, V-N 2008/6.4, NTFR 2008/157.
In de eerder besproken arresten inzake de KBLux-zaken uit 20111 zag de inspecteur zich bij de oplegging van navorderingsaanslagen aan de zogeheten weigeraars geconfronteerd met een bewijsprobleem, omdat hij alleen beschikte over een bepaald saldo op enig moment.2 De inspecteur baseerde de omkering vervolgens op de weigering om inzage in onder meer de bankafschriften te geven (een categorie II-trigger), hetgeen voor wat betreft de heffing de goedkeuring van de Hoge Raad kon wegdragen.3 Voor de boeteoplegging lag dat anders. De Hoge Raad gaf in enkele goed gemotiveerde overwegingen duidelijk aan op welke wijze de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM de doorwerking van de omkering beïnvloedt.4 Uit deze overwegingen zijn de volgende rechtsregels te destilleren:
Geen boete kan worden opgelegd ter zake van een beboetbaar feit waaromtrent bewijs ontbreekt dat het is gepleegd;
Het beboetbare feit bestaat (bijvoorbeeld) uit ‘het over een bepaald jaar niet aangeven van bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen’;
Als de periode in kwestie meerdere jaren bestrijkt, moet het bewijs voor elk van de jaren afzonderlijk worden geleverd;5
De weigering om de door de inspecteur gevraagde inzage te verschaffen, levert als zodanig geen bewijs op van het begaan van een beboetbaar feit;6
Een dergelijke weigering heeft ook geen invloed op de bewijslastverdeling ter zake.
Interessant is vooral dat de Hoge Raad hiermee nadrukkelijk het kale beboetbare feit op het oog heeft gehad (en niet de schuldgradatie).7 De toepassing van de sanctie van de omkering van de bewijslast ten aanzien van de heffing werkt dus niet door naar het bewijs van het hebben begaan van het kale beboetbare feit. De belastingplichtige hoeft in de sfeer van de boete immers juist niet te bewijzen dat hij geen beboetbaar feit heeft begaan. De inspecteur moet voor elk van de jaren het bewijs leveren dat de boeteling het feit ter zake waarvan de boete is opgelegd (dát er inderdaad een saldo aanwezig was en rente was genoten),8 daadwerkelijk heeft begaan.9
Deze conclusie is naar mijn mening juist, aangezien het kale beboetbare feit een centrale stelling is, waarvoor de onschuldpresumptie geldt.10 Als de inspecteur het kale beboetbare feit alleen maar kan bewijzen aan de hand van de redelijke schatting van de omvang van de heffing die hij in het kader van de omkering heeft gemaakt, dan is dat in de sfeer van de boete onvoldoende.11 Doorwerking van de schatting zou immers niet alleen een schatting van de omvang betekenen, maar ook een (in)schatting van het antwoord op de vraag of er überhaupt wel enige heffing verschuldigd is geweest (en dus van het antwoord op de vraag of de boeteling het kale beboetbare feit wel heeft begaan).12 Is er wél voldoende ander bewijs dat het kale beboetbare feit inderdaad is begaan, dan kan in beginsel13 ook een boete worden opgelegd.14
Van groot belang hierbij is naar mijn mening dat er in BNB 2011/206 sprake was van een categorie-II trigger. De inspecteur hoefde daardoor in de sfeer van de heffing geen enkele positieve heffingscomponent volgens de reguliere regels te bewijzen. Hij had slechts het bewijs van de trigger geleverd (het niet geven van inzage), waarna een redelijke schatting van de omvang van de heffing volstond. De inspecteur had (in de sfeer van de heffing) dus geen positief bewijs geleverd van de te lage heffing, dat vervolgens (in de sfeer van de boete) zou kunnen dienen als bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit. Wanneer de inspecteur de omkering zou hebben gegrond op een categorie I-trigger, in het bijzonder het niet doen van de vereiste aangifte wegens aanzienlijke inhoudelijke onjuistheden, had hij daarmee wellicht wél (tevens) het bewijs kunnen leveren van het begaan van het kale beboetbare feit.15 Vermoedelijk was deze situatie aan de orde in het in 2013 gewezen arrest waarin de Hoge Raad nadere richtlijnen gaf omtrent de vraag hoe de uitgangspunten uit BNB 2011/206 precies moesten worden toegepast bij de beoordeling van het bewijs van de boete in KBLux-zaken.16
De arresten uit 2011 bevatten in mijn ogen een belangrijke aanvulling op het arrest BNB 2008/165, althans op de wijze waarop dit arrest veelal werd geïnterpreteerd. In de ogen van velen leek de Hoge Raad het wettelijke verbod op de omkering van de bewijslast voor wat betreft de vergrijpboete17 te beperken tot de schuldgradatie.18 Blijkens de arresten uit 2011 staat de Hoge Raad (onder verwijzing naar de onschuldpresumptie) echter duidelijk een ruimere opvatting voor:19 het verbod op doorwerking geldt voor alle elementen van het beboetbare feit.20 In samenhang bezien met BNB 2008/165 kan de onder omkering vastgestelde heffing naar de sfeer van de boete slechts beperkt doorwerken, namelijk louter in de boetegrondslag (dat wil zeggen: in de hoedanigheid van rekeneenheid voor de bepaling van de strafmaat).21