Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.3
9.3.3 Soevereiniteit in eigen kring
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452789:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Doomen & Van Schaik, NLJP 2015/1, p. 47-62.
Wet van 23 januari 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het laten vervallen van het verbod op godslastering, Stb. 2014, 39.
In 1934 werd art. 147a toegevoegd, omdat de wetgever onvoldoende rekening had gehouden met de ‘niet openlijke’ verspreiding. Janssen & Nieuwenhuis 2011, p. 327.
Zie Handelingen II 1931/32, 88, p. 2631; Handelingen I 1932/33, 6, p. 42. Zie ook Noyon/ Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, Commentaar artikel 147, aant. 10 (tijdvak 27 april 1988-1 januari 2000).
De dynamische objectiverende definitie die de wetgever van 1932 voorstond werd ook ingegeven door een confessioneel motief. Met name het open of dynamische karakter van het godsbegrip dat aan deze definitie ten grondslag lag kunnen we op grond hiervan legitimeren. Dit blijkt onder meer uit het volgende citaat van Donner:
‘Neen, Mijnheer de Voorzitter, de goede lijn — in overeenstemming met de antirevolutionnaire practijk [Donner was lid van de Anti Revolutionaire Partij] op ander gebied — ligt, ook bij begrip van de anomalie, dat in een Goderkennenden Staat in de openbare sfeer uitingen als de gewraakte worden vernomen, anders: geen rechtstreeks van Staatswege als onmiddellijk object van een strafbaar feit gestelde algemeene Godsidee, maar bescherming in hun vrijheid van de concrete vormen, waarin de Godsidee leeft, bescherming dus in hun vrijheid van de godsdienstige gevoelens. En langs dien weg, maar dan dus alleen als effect en niet als richting gevend, kunnen de ergerlijke verschijnselen worden geweerd, zooals in het algemeen op godsdienstig terrein de goede vruchten door de maatschappelijke samenleving slechts langs den weg van de materieele handhaving der individueele en genootschappelijke godsdienstvrijheid kunnen worden verkregen.’1
In bovenstaand citaat komt naar voren dat Donner niet een statisch geobjectiveerd godsbegrip nastreefde op grond waarvan vanuit een theocratische invalshoek elke kritiek op het christelijke begrip van God kon worden bestraft, maar dat hij uitging van een dynamisch of open godsbegrip dat de verhouding tussen de gelovige en God centraal stelde. In dezelfde parlementaire vergadering stelt de minister:
‘Naar de rechtsidee, niet naar het rechtsbegrip beteekent artikel 147: het eigen terrein der gelovigen [cursief: JV] hebt gij te ontzien en zo is het ook hier: het Opperwezen moogt gij niet als wezenlijk stellen – en daarmede anderer terrein betreden – en dan smaden.’2
In dit citaat komt het principe van soevereiniteit in eigen kring naar voren. Het doel van het godslasteringsverbod was dat men niet interfereert in de particuliere verhouding (of ‘wetskring’3) tussen God en de gelovige door het vooropstellen van een godsbegrip om dat vervolgens te smaden. Dit geldt volgens de minister ook voor de staat die teneinde het godslasteringsverbod te handhaven ook geen godsbegrip mag definiëren, omdat anders ook hij zich daarmee zou begeven op het ‘eigen terrein der gelovigen’.4 Men vond dat het voor burgers maar ook voor de overheid niet gepast was om zich inhoudelijk uit te spreken over het wezen van God. Een dergelijke houding zou indruisen tegen de leer die stelt dat de verhouding tussen God en de gelovige(n) een aangelegenheid is waarin men niet mag interfereren. De staat moest deze ‘kring’ beschermen tegen interventies van buitenaf.5 Het confessionele perspectief richt zich op de bescherming van de verhouding tussen de Allerhoogste en de mens, in de zin dat die verhouding of kring niet aangerand mag worden door laster. De bescherming is dus gericht op de verhouding tussen de gelovige en zijn God. Dit in tegenstelling tot een theocratisch motief. Dat gaat er vanuit dat in geval van godslastering de samenleving als geheel de wraak van God op zich laadt. Het juridische begrip in een theocratisch motief gaat uit van één ‘ware’ godsdienst terwijl in het confessionele perspectief – vanwege het besef van soevereiniteit in eigen kring – het godsbegrip niet nader is gedefinieerd en daardoor meerdere godsideeën kan omvatten.