Beperkte rechten op eigen goederen
Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.3.6:10.3.6 Conclusie
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.3.6
10.3.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491123:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
117. Art. 4:50 lid 3 BW is slechts van betekenis als de nalatenschap geen afgescheiden vermogen vormt. Dat is – kort gezegd – slechts het geval bij een nalatenschap met één erfgenaam die zuiver heeft aanvaard. Verder treedt geen vermenging op, als andere beperkte rechten met een lagere of gelijke rang rusten op het moederrecht van het beperkte recht dat anders door vermenging teniet zou gaan (zie §10.3.1). Alleen als geen andere beperkte rechten met een lagere of gelijke rang op het moederrecht rusten, voorkomt art. 4:50 lid 3 BW dat vermenging optreedt. In die gevallen kan echter het tenietgegane beperkte recht net zo goed opnieuw worden gevestigd, om uitvoering te geven aan het legaat. Slechts in uitzonderlijke situaties – bij oude zakelijke rechten en beperkte rechten waarvoor op grond van overgangsrecht afwijkende regels gelden – is vestiging niet mogelijk.
Volgens de parlementaire geschiedenis leent art. 4:50 lid 3 BW zich voor analoge toepassing op andere uiterste wilsbeschikkingen. Gebleken is dat analoge toepassing slechts nodig is bij een testamentaire last die uitsluitend is opgelegd aan een executeur, en niet tevens aan de erfgenaam (art. 4:130 lid 2 BW). In de andere onderzochte gevallen is analoge toepassing niet aannemelijk, niet nodig of niet mogelijk (zie §10.3.4). Het is evenmin mogelijk voor een erflater of erfgenaam, om een beperkt recht te vestigen dat zou vallen binnen het bereik van de bepaling (zie §10.3.5).
Het toepassingsgebied van art. 4:50 lid 3 BW is heel beperkt. Wel kan art. 4:50 lid 3 BW aanleiding geven tot ingewikkelde problemen bij de verwerping van een legaat (zie §10.3.2) en bij de uitoefening van een keuzelegaat (zie §10.3.3). Om deze redenen zou overwogen kunnen worden de bepaling te schrappen.