Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/10.3.2
10.3.2 Verwerping
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491139:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Perrick 4 2021/557, 571; Klaassen-Eggens/Luijten & Meijer, Erfrecht 2008/228, 825-827.
Medewerking aan de levering door de legataris zal vermoedelijk moeten worden aangemerkt als een stilzwijgende aanvaarding van het legaat. Na aanvaarding is verwerping niet meer mogelijk (art. 4:201 lid 1 BW). Vgl. Asser/Perrick 4 2021/557; hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1894; hof ’s-Hertogenbosch 29 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BV3373.
Vgl. HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1694 (IN Lease/Dynamic Air); HR18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0805 (Provincie Groningen/Vebervis); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/385; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/145, 284; Asser/Sieburgh 6-III 2018/99-100, 158-161; J. C.T.F. Lokin 2015.
Vgl. Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/274-275; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/112-113; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/314.
110. Volgens de tenzij-formule van art. 4:50 lid 3 BW geldt de bepaling niet, als het legaat wordt verworpen. Dit betekent dat het beperkte recht bij verwerping wel door vermenging tenietgaat, tenzij het recht om een andere reden blijft voortbestaan. Bijvoorbeeld als de nalatenschap een afgescheiden vermogen vormt. Als verwerping tot gevolg heeft dat het beperkte recht door vermenging tenietgaat, is het de vraag op welk moment dat rechtsgevolg intreedt. Heeft de vermenging terugwerkende kracht tot het moment van de erfopvolging of treedt de vermenging ex nunc op?
Volgens Perrick en Luijten & Meijer gaan beperkte rechten als gevolg van de verwerping, met terugwerkende kracht door vermenging teniet.1 Perrick past art. 4:190 lid 4 BW analoog toe. Volgens die bepaling heeft de aanvaarding van een nalatenschap terugwerkende kracht. Luijten & Meijer motiveren hun standpunt niet.
De vraag is vooral relevant als tussen het moment van overlijden en de verwerping van het legaat, beschikkingshandelingen zijn verricht met het beperkte recht of het bezwaarde goed (anders dan ter uitvoering van het legaat).2 Er kunnen vier gevallen worden onderscheiden:
de erflater heeft een tot de nalatenschap behorend beperkt recht gelegateerd. De erfgenaam heeft de bezwaarde eigendom in zijn privé-vermogen. De erfgenaam draagt het gelegateerde beperkte recht (in weerwil van het legaat) over aan een derde. Vervolgens wordt het legaat verworpen;
de erflater heeft een tot de nalatenschap behorende zaak gelegateerd. De erfgenaam heeft een beperkt recht op die zaak in zijn privé-vermogen. De erfgenaam draagt de gelegateerde zaak (in weerwil van het legaat) over aan een derde. Vervolgens wordt het legaat verworpen;
de erflater heeft een tot de nalatenschap behorend beperkt recht gelegateerd. De erfgenaam heeft de bezwaarde eigendom in zijn privé-vermogen. De erfgenaam draagt de bezwaarde eigendom over aan een derde. Vervolgens wordt het legaat verworpen;
de erflater heeft een tot de nalatenschap behorende zaak gelegateerd. De erfgenaam heeft een beperkt recht op die zaak in zijn privé-vermogen. De erfgenaam draagt het beperkte recht over aan een derde. Vervolgens wordt het legaat verworpen.
Drie oplossingen zijn denkbaar. Ten eerste dat het beperkte recht met terugwerkende kracht door vermenging tenietgaat. In de gevallen a. en d. zou de overdracht zonder effect zijn. Het object van de overdracht bestaat achteraf gezien niet meer. Mogelijk zou uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen kunnen meebrengen dat de overdracht van het beperkte recht, moet worden opgevat als de vestiging van een nieuw beperkt recht. Mocht dat niet het geval zijn, dan zou de verkrijger geen beroep kunnen doen op de derdenbescherming van art. 3:86 of 3:88 BW, omdat die bepalingen alleen beschermen tegen beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. Daarvan is geen sprake. De derdenbeschermingsbepalingen voor registergoederen (art. 3:24, 3:25 en 3:26 BW) kunnen evenmin uitkomst bieden, omdat niet is voldaan aan de vereisten van die bepalingen. Mogelijk zou een beroep op art. 3:36 BW wel succesvol kunnen zijn. Volgens die bepaling kan tegenover een derde die op grond van een verklaring of gedraging − kort gezegd − te goeder trouw het ontstaan, bestaan of tenietgaan van een bepaalde rechtsbetrekking heeft aangenomen en in redelijk vertrouwen daarop heeft gehandeld, door degene of wiens verklaring of gedraging het gaat, op de onjuistheid van die veronderstelling geen beroep worden gedaan. De verkrijger heeft hier te gelden als een ‘derde’, omdat hij niet betrokken was bij de verwerping van het legaat.3 Hij heeft mogelijk op grond van een verklaring of gedraging van de erfgenaam erop vertrouwd dat het overgedragen goed bestond ten tijde van de overdracht, en hij heeft gehandeld in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling. Achteraf gezien was het goed echter met terugwerkende kracht tenietgegaan. De erfgenaam zou aan de vermeende verkrijger van het beperkte recht moeten tegenwerpen dat het beperkte recht door vermenging teniet is gegaan. De vermeende verkrijger heeft het beperkte recht echter eerder van diezelfde erfgenaam overgedragen gekregen. De vermeende verkrijger kan zich daarom mogelijk met succes erop beroepen dat hij mocht vertrouwen op de verklaring van de erfgenaam, dat het beperkte recht bestond ten tijde van de overdracht.
In de gevallen b. en c. heeft de verkrijger, als het beperkte recht met terugwerkende kracht teniet zou gaan, het goed achteraf gezien onbezwaard verkregen. De erfgenaam en de verkrijger gingen ten tijde van de overdracht echter ervan uit dat het goed was bezwaard met een beperkt recht. Daardoor kan een titelprobleem ontstaan: de wil van partijen was mogelijk niet gericht op overdracht van de onbezwaarde eigendom.4 Dat moet door uitleg van de titel worden vastgesteld. Wilden partijen de bezwaarde eigendom overdragen, dan heeft achteraf gezien geen overdracht plaatsgevonden. Rechtvaardigt de titel wel de overdracht van de onbezwaarde eigendom, dan zou de erfgenaam mogelijk een geslaagd beroep kunnen doen op dwaling (art. 6:228 BW) of op ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW). De erfgenaam heeft onbedoeld een beperkt recht verloren. De erfgenaam zou eveneens mogelijk een geslaagd beroep kunnen doen op art. 3:36 BW. Omdat hij te goeder trouw meende dat het beperkte recht nog bestond, en in redelijk vertrouwen op de juistheid van die veronderstelling heeft gehandeld.
Ten tweede. Wordt geen terugwerkende kracht aangenomen, dan is alles een stuk overzichtelijker. In alle vier de situaties blijven de overdrachten gewoon geldig.
Ten derde. Een andere oplossing zou zijn, de beperkte rechten wel met terugwerkende kracht teniet te laten gaan. Maar met dien verstande dat beschikkingshandelingen in de periode tussen het overlijden en de verwerping, worden geëerbiedigd. De rechten van schuldeisers die in deze periode beslag hebben gelegd, worden eveneens geëerbiedigd. Is bijvoorbeeld aanvankelijk de bezwaarde eigendom van een zaak overgedragen, terwijl die eigendom achteraf gezien onbezwaard bleek te zijn, dan heeft de verkrijger – door die eerbiedigende werking – toch slechts de bezwaarde eigendom verkregen.
Welke oplossing heeft de voorkeur? Het niet-toekennen van terugwerkende kracht (de tweede oplossing), heeft duidelijk de charme van de eenvoud. Letterlijke lezing van art. 4:50 lid 3 BW wijst echter wel in de richting van terugwerkende kracht, aangezien in beginsel vermenging optreedt op het moment van overlijden (op dat tijdstip komen beperkt recht en moederrecht in één hand). Art. 4:50 lid 3 BW maakt daarop een uitzondering. Volgens de tenzij-formule van die bepaling gaat die uitzondering niet op, als het legaat wordt verworpen. Daarom geldt de hoofdregel weer: het beperkte recht gaat op het moment van overlijden teniet. De derde oplossing, waarbij beschikkingshandelingen in de tussenperiode worden geëerbiedigd, heeft de voorkeur. Bij die oplossing wordt de wettekst zoveel mogelijk gevolgd, maar worden de onwenselijke gevolgen daarvan weggenomen. De onwenselijkheid is gelegen in de complexe en nogal onoverzichtelijke situatie die zou ontstaan als terugwerkende kracht zonder eerbiediging (de eerste oplossing) zou worden aangenomen. De derde oplossing stemt bovendien overeen met de door mij bepleite beperkte terugwerkende kracht van vermogensafscheiding (zie §5.2).
Speelt nog een rol dat in de gevallen a. en b. de erfgenaam in weerwil van het legaat heeft gehandeld? Dienen degenen die daarvan hebben geprofiteerd, minder coulant behandeld te worden? Ik meen van niet. Wordt het legaat verworpen, dan is het niet meer relevant dat in weerwil van het legaat is gehandeld. Anders dan bij bijvoorbeeld een beschikking in weerwil van beslag,5 legt een legaat slechts een verbintenisrechtelijke verplichting op aan de erfgenaam. Er is geen aanleiding een goederenrechtelijke sanctie te verbinden aan handelen in strijd met een legaat dat op een later moment wordt verworpen.