Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.2.2
2.2.2 Taakopdracht en bevoegdheid bestuur
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384565:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ibid, nr. 231.
Onder artikel 52 van de WvK 1838 bestond de mogelijkheid om in de statuten te bepalen dat de commissarissen bevoegd waren om “namens de vennooten” de rekening en verantwoording van de bestuurders op te nemen en deze goed te keuren. Hierin is andermaal een spoor te herkennen van de contractuele oorsprong van de N.V.: rekening en verantwoording was kennelijk verschuldigd aan de vennoten, niet aan de vennootschap als zodanig. Volgens Van der Heijden betrof het door de commissarissen namens de vennoten laten goedkeuren van een jaarrekening een “oud-vaderlandsch gebruik”. Zie Handboek Van der Heijden 1931, nr. 271.
Handboek Van der Heijden 1931, nrs. 233-234.
Ibid, nr. 277.
Ibid.
Ibid, nr. 218.
Met het drijven van de in de doelomschrijving van de N.V. bepaalde onderneming was het bestuur van de N.V. belast. Hiertoe was het bestuur – en alleen het bestuur – bevoegd om de N.V. te vertegenwoordigen en daartoe het vermogen van de N.V. aan te wenden op een wijze die het dienstbaar achtte aan het bereiken van het doel van de vennootschap zoals vastgelegd in de statuten.1Artikel 47 WvK onderscheidde drie elementen in de bestuurstaak, te weten (i) het besturen van de zaken van de vennootschap; (ii) het beheer van het vermogen van de vennootschap; en (iii) het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de vennootschap. Over de vervulling van deze bestuurstaak was het bestuur rekening en verantwoording schuldig aan de N.V., onder meer via de jaarlijkse aanbieding van de balans en de winst- en verliesrekening ter vaststelling aan de AVA (artikel 42 WvK) en via het bij die gelegenheid te geven verslag ter vergadering aan de AVA over de gang van zaken van de vennootschap en het door het bestuur gevoerde beheer (artikel 49 WvK). Ook kon het bestuur al dan niet onder toezicht worden gesteld van een RvC die facultatief bij statuten kon worden ingesteld.2 Binnen de grenzen van zijn bestuursmacht zoals kenbaar uit wet en statuten was het bestuur vrij om naar eigen inzicht te beschikken over de voorhanden middelen (het vennootschapsvermogen) teneinde het vennootschappelijk doel te bereiken.
Op grond van artikel 47c WvK was elke bestuurder jegens de vennootschap op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Artikel 45 van het WvK 1838 had op deze plaats nog gerept over een behoorlijke uitvoering van de aan de bestuurders opgedragen last. Deze woordkeus in het WvK 1838 wijst op lastgeving (thans artikel 7:414 BW). Inderdaad was het onder het oude recht een gangbare opvatting om de verhouding tussen bestuurder en N.V. als een verhouding van lasthebber-lastgever te kwalificeren. Volgens Van der Heijden was deze lastgevingsconstructie niet gewijzigd of verlaten bij de overgang naar artikel 47 WvK 1929. Hij stelde zich op het standpunt dat hiermee ook de onder het oude recht heersende opvatting dat een bestuurder alleen zelfstandige bestuursmacht had over de ‘gewone dagelijksche’ bedrijfsuitvoering in de interpretatie van de reikwijdte van de bestuursmacht op grond van artikel 47 WvK moest worden verdisconteerd.3 Hierin lag dus een zekere beperking van de bestuursmacht besloten in de zin dat over ‘niet-alledaagse’ aangelegenheden niet zelfstandig door het bestuur besloten zou kunnen worden. In de visie van Van der Heijden berustte de bevoegdheid om over dergelijke aangelegenheden te besluiten bij de AVA. Nu de bevoegdheid om over niet-alledaagse aangelegenheden te besluiten niet aan het bestuur was toegekend – artikel 47 WvK moest immers in deze zin beperkt worden uitgelegd – kwam deze bevoegdheid op grond van artikel 43 WvK toe aan de AVA.
Een andere begrenzing van de bestuursmacht van het bestuur op grond van artikel 47 WvK was gelegen in de tegenstrijdig belang-regeling van artikel 51 WvK. Op grond van dit artikel viel de bevoegdheid om de vennootschap te vertegenwoordigen toe aan de commissarissen in alle gevallen waarin de vennootschap een tegenstrijdig belang had met een of meer van haar bestuurders tenzij de statuten anders bepaalden. De AVA bleef steeds bevoegd om in dergelijke gevallen in plaats van de commissarissen een of meer speciale vertegenwoordigers aan te wijzen. Deze bevoegdheid kon de AVA ook niet bij statuten worden ontnomen. Aangenomen werd dat de tegenstrijdig belang-regeling ook gold voor vennootschappen waarin geen RvC was ingesteld. Bij dergelijke vennootschappen zonder commissarissen zou steeds een aanwijzingsbesluit van de AVA zijn vereist.4 Deze wettelijke bepaling is uiteindelijk tot 1 januari 2013 ongewijzigd van kracht gebleven. Onder het WvK 1929 was een op onderdelen vergelijkbare regeling van toepassing op het stemrecht van individuele aandeelhouders. Op grond van artikel 44c WvK konden geen geldige stemmen worden uitgebracht op aandelen die gehouden werden door een aandeelhouder aan wie uit andere hoofde dan zijn aandeelhouderschap door het te nemen besluit enig recht jegens de N.V. zou worden toegekend of die daardoor van enige verplichting jegens de N.V. zou worden ontslagen. Deze bepaling was echter van zuiver regelend recht en kon bij statuten in het geheel buiten toepassing worden verklaard.
Beide hierboven genoemde regelingen behelsden in feite een afbakening van de intra-vennootschappelijke belangensfeer waarin bestuurders, commissarissen en aandeelhouders over en weer waren verbonden. Voor het bestuur lag de regeling over tegenstrijdig belang in een logisch verlengde van zijn hoedanigheid als de facto lasthebber van de N.V. en zijn gebondenheid aan de vennootschappelijke doelomschrijving. Uit de wettelijke bepaling van artikel 50 WvK volgde dat de N.V. kennelijk een ‘belang’ kon hebben, waarmee de vraag rees wat dit belang kon inhouden. Van der Heijden gaf met betrekking tot de tegenstrijdig belang-regeling het voorbeeld dat een bestuurder “een belang van derden, b.v. van obligatienemers, strijdig met het belang der vennootschap” zou vertegenwoordigen.5 Dergelijke belangen beschouwde Van der Heijden kennelijk als gelegen buiten de vennootschappelijke sfeer. Ook de regeling van artikel 44c WvK vormde een bescherming tegen belangenvermenging in de vennootschappelijke besluitvorming. Het mocht zo zijn dat de vennoten door het doen van de vereiste storting op de door hen genomen aandelen in principe waren bevrijd van hun verplichting tot onderlinge samenwerking, maar op grond van artikel 44c WvK was hen de mogelijkheid ontzegd om hun stemrecht als vennoot in de N.V. te gebruiken ter verwezenlijking van bepaalde privébelangen. Volgens Van der Heijden leidde de toepassing van deze regeling in de praktijk echter tot veel “onverkwikkelijke debatten” en onzekerheid in het rechtsverkeer. Zijn advies was dan ook: “De N.V., welke artikel 44c in haar statuten buiten werking stelt, stopt zich een bron van onrust en ellende.”6