Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.4.1.2
7.3.4.1.2 Bewijsrisico
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940237:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de mogelijke oorsprong van deze term, alsmede het gebruik daarvan door de Hoge Raad: Feteris 2007, p. 299 (noot 8). Zie voorts bijvoorbeeld Rb Den Haag 22 juni 2023, V-N 2023/39.9, r.o. 31, Rb Noord-Holland 11 februari 2019, r.o. 12 (kenbaar uit Hof Amsterdam 24 december 2020, V-N 2021/15.20) en Rb Gelderland 18 september 2018, V-N 2018/66.10, r.o. 21.
In dezelfde zin: Schuurmans 2005, p. 5 en p. 22-23.
Zie voor een voorbeeld HR 6 augustus 2021, V-N 2021/33.12.
Zie voor de uitwerking van het bewijsrisico voorts paragraaf 7.3.7.4.2. Anders: Schuurmans 2005, p. 23-24 en p. 105, die de bewijslast opsplitst in enerzijds bewijsrisico en anderzijds bewijsvoeringslast. Ik vraag mij af wat in deze opvatting het gevolg zou zijn als de partij op wie wel de bewijsvoeringslast rust, maar die niet het bewijsrisico draagt, zijn plicht tot bewijsvoering verzaakt. Ik denk niet dat in die gevallen het bewijsrisico bij de andere partij blijft of terechtkomt.
Zie HR 25 oktober 2002, V-N 2002/57.7, BNB 2003/14, r.o. 3.2.4. Vgl. voorts de uiteenzetting (inzake het ontzenuwen van vermoedens) van Happé e.a. 2010, p. 403, waaruit glashelder blijkt hoe het bewijsrisico geworteld is in de bewijslastverdeling. Zie voorts Feteris 2007, p. 299.
HR 26 mei 1954, BNB 1954/235.
In situaties waarin de feiten niet concludent zijn, elkaar tegenspreken, of er überhaupt weinig bewijs is, kan er niet altijd voldoende sterk bewijs worden geleverd. Er blijft dan dus twijfel bestaan over de ware toedracht: er is sprake van een zogenoemd ‘non liquet’. Om toch een beslissing te kunnen nemen, krijgt één van de partijen het nadeel van die twijfel toebedeeld. Het betreft dus een procesrisico, dat meestal wordt aangeduid als bewijsrisico.1 Dit bewijsrisico manifesteert zich als de feiten niet komen vast te staan.2 De nadelige consequenties daarvan komen voor rekening van één van de partijen: die partij heeft het bewijsrisico. De bewijslastverdeling kan aldus bepalend zijn voor de afloop van een zaak. Als de bewijslast onjuist is verdeeld, wordt de verkeerde partij opgezadeld met het bewijsrisico.3
De partij die het bewijsrisico draagt, is de partij die als eerste aan zet is om zijn stellingen in te nemen en, bij betwisting, ook waar te maken. Dat is altijd de partij op wie overeenkomstig de bewijslastverdelingsregels de primaire bewijslast rust.4 Het gebrek aan duidelijkheid over de feiten komt voor zijn rekening.5
Het gevolg van het niet naar behoren stellen van de relevante feiten ter zake waarvan de stelplicht op die partij rust, is hetzelfde als wanneer die partij niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast: de rechter kan met het bestaan van die feiten dan geen rekening houden.6 Het vraagstuk van de bewijslastverdeling komt dan ook in wezen neer op de toedeling van het bewijsrisico. De conclusie is dus: bewijslast betekent stelplicht en bewijsrisico.