Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.2.4:7.2.4 Functies
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.2.4
7.2.4 Functies
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264574:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitgangspunt was dat het recht van pandgebruik een aflossingsfunctie had. Dit bleek uit art. 13 Ontwerp-Kreet, art. 1816 WNH en het daarmee corresponderende art. 16 Ontwerp-Van der Linden.1 Zoals gezegd kenden deze artikelen een stilzwijgend recht van pandgebruik toe als de pandhouder een vruchtdragend onderpand in zijn macht had. De pandgebruiker mocht zijn recht van pandgebruik uitoefenen met het doel de waarde van de vruchten te ‘verrekenen’ met de rente en de hoofdsom. Dit impliceert dat de waarde van de vruchten in mindering kwam op rente en hoofdsom, zodat sprake was van een aflossingsfunctie. Het ligt overigens niet voor de hand dat de term ‘verrekening’ die in de wetgevingsdocumenten werd gebruikt, duidde op de juridische rechtsfiguur van schuldvergelijking. De term die daarvoor in het Ontwerp-Van der Linden en het WNH werd gebruikt, was namelijk niet ‘verrekening’, maar ‘compensatie’.2
Het recht van pandgebruik had dus in beginsel een aflossingsfunctie. In afwijking hierop konden partijen overeenkomen dat het recht van pandgebruik een rentefunctie had. Dit blijkt allereerst uit art. 13 en art. 18 onder e Ontwerp-Kreet en de toelichting daarbij. De aflossingsfunctie van art. 13 van het Ontwerp-Kreet gold als partijen niets waren overeengekomen. Artikel 18 bracht tot uitdrukking dat het partijen vrijstond om bij “pactum antichreseos” anders overeen te komen.3 Zoals uiteengezet in de vorige hoofdstukken duidde de term pactum antichreseos op een partijafspraak op grond waarvan een recht van rentepandgebruik tot stand kwam. Dezelfde systematiek kwam terug in het Ontwerp-Van der Linden en het WNH. Art. 1816 (art. 16 Ontwerp-Van der Linden) bepaalde zoals gezegd dat een recht van pandgebruik in beginsel een aflossing tot doel had. Daaraan voegde art. 1817 WNH (art. 17 Ontwerp-Van der Linden) toe dat partijen hiervan bij de vestiging konden afwijken met een beding dat – in mijn woorden – aan het pandgebruik een rentefunctie gaf:
“Art. 1817. Zelfs kan de pandhouder bedingen, dat hij, in plaats van de interessen te trekken, tot de afbetaling zijner schuld, het verpande goed gebruiken, of de vruchten daar van genieten zal; mits dat genot de wettige maat van interessen niet merkelijk te buiten gaat.”4
Het hier genoemde beding bracht mee dat de vruchtopbrengst niet in mindering kwam op rente en hoofdsom, zij kwam voor een rentevergoeding in de plaats. Dit was kenmerkend voor het recht van rentepandgebruik.
De hier besproken systematiek komt overeen met het systeem van het moderne Zuid-Afrikaanse recht. Zij is bovendien gelijk aan het systeem dat ik heb laten zien voor het Justiniaanse Romeinse recht, het ius commune en het Rooms-Hollandse recht.