Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.2.3:7.2.3 Uitoefening van het recht van pandgebruik
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/7.2.3
7.2.3 Uitoefening van het recht van pandgebruik
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264528:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 150-151, art. 9, 11; Herman 1914, p. 124; Van Gessel-De Roo 1991, p. 121, art. 3-4; art. 1809 en 1811 WNH.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 112, art. 13 en de nota daaronder.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23.
Van Gessel-De Roo 1991, p. 110-111, art. 6; De Smidt, Ontwerp van der Linden, p. 142, art. 7-9; Art. 471-473 WNH.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De pandgebruiker was bevoegd het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Deze bevoegdheid gold voor roerende zaken, onroerende zaken en vorderingen. Gaf een zaak natuurlijke vruchten, dan kon de pandhouder die vruchten onder zich nemen. Daarnaast was de pandhouder inningsbevoegd ten aanzien van burgerlijke vruchten. Een schuldeiser met een pandrecht op een onroerende zaak was bijvoorbeeld bevoegd om huurpenningen van huurders te innen. Een pandhouder van een vordering kon de rente, en zelfs de hoofdsom innen.
Artikel 13 Ontwerp-Kreet en artikel 1816 WNH (art. 16 Ontwerp-Van der Linden) leken de werking van het recht van pandgebruik te beperken tot het vuistpandrecht op roerende zaken. Deze artikelen spraken immers van een “pandrecht met bezit gepaard”. Alleen voor de vestiging van een vuistpandrecht op roerende zaken was afgifte aan de pandhouder (terhandstelling) vereist.1 Enkel een vuistpandrecht op roerende zaken was dus een pandrecht “met bezit gepaard”.
Toch konden ook pandrechten op onroerende zaken of vorderingen een recht van pandgebruik meebrengen. Dit blijkt allereerst uit het feit dat Kreet in artikel 13 verwees naar het recht van pandgebruik van het Rooms-Hollandse recht, zoals Voet dit besprak.2 In het bijzonder het recht van pandgebruik op onroerende zaken was onder het Rooms-Hollandse recht populair, zoals ook Voet schreef.3 Bovendien sprak Kreet in artikelen 13 en 18 niet alleen van roerende zaken, maar ook van schuldbrieven en inschulden (artikel 13) en onroerende zaken en andere vruchtgevende goederen (artikel 18). Ten slotte spraken artikelen 13 en 18 Ontwerp-Kreet en artikel 1816 WNH (art. 16 Ontwerp-Van der Linden) van de bevoegdheid tot het innen van onder meer huurpenningen, renten en interessen. Dit waren vruchten die voortkwamen uit onroerende zaken of vorderingen.4 Zij zouden niet specifiek in de wet zijn genoemd, als de pandgebruiker niet de bevoegdheid had ze te innen en in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.