Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/454
454 Het bezoldigingsbeleid van de OK
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372675:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie in gelijke zin rechter Collins in 1941: “Here, the plaintiffs proffered no testimony whatever in support of their charge of waste. The figures, they reason, speak for themselves, and the defendants must justify them. The figures do speak, but just what do they say as matter of equity? They are immense, staggeringly so. Even so, is that enough to compel the substitution of the Court’s judgment for that of the stockholders?” Heller v. Boylan, 29 N.Y.S.2d 653, 671 (N.Y. Misc. (Sup. Ct.) 1941).
Zo blijkt uit de PCM-beschikking dat de verschillende deelnemers zich te weinig of geen rekenschap hadden gegeven van de bij de vennootschap betrokken belangen. In dit kader dient ook voornoemde overweging uit de Getronics-beschikking geplaatst te worden. Het is als onzorgvuldig aan te merken om een beloningsafspraak na te komen zonder eerst te onderzoeken of men daartoe, gegeven de omstandigheden, juridisch gehouden is. Leidt dat onderzoek niet tot de evidente uitkomst dat die gehoudenheid ontbreekt, dan heeft de vennootschap een grote beleidsvrijheid bij haar keuze om tot nakoming over te gaan. Van Slooten 2016, p. 346.
Zo blijkt uit de Uni-Invest-beschikking waar de tegenstrijdige belangen van Homburg duidelijk waren onderkend. In RNA was de besluitvorming gebrekkig, onder meer doordat de bestuurders onjuiste of onvolledige informatie hadden verstrekt aan de RvC voor het goedkeuren van wijzigingen die zouden leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking van de bestuurders ten detrimente van de vennootschap.
Hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9804 (VEB/ABN AMRO), r.o. 3.44.
In het andere geval wijst de OK het enquêteverzoek in beginsel toe.
Zie in gelijke zin Van Slooten 2016, p. 344. Van Slooten stelt daarin dat: “[…] vlak voor het ontslag gemaakte afspraken kritischer zullen moeten worden bekeken.”
Wanneer voornoemde beschikkingen in samenhang worden bezien, dan volgt de hoofdregel voor een beoordeling van de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen uit de Ahold-beschikking. De OK overweegt daarin dat met betrekking tot de met een lid van een raad van bestuur gemaakte belonings- en andere afspraken terzake van zijn of haar werkzaamheden als lid van die raad, geldt dat in beginsel slechts aan de instantie die tot vaststelling van die voorwaarden bevoegd is, ter beoordeling staat welke afspraken in het bewuste geval geëigend zijn, zulks met dien verstande dat die instantie vanzelfsprekend een eventueel goedkeuringsrecht van een andere instantie (zoals de AVA) met betrekking tot onderdelen van die afspraken, heeft te eerbiedigen. Terughoudendheid bij de inhoudelijke beoordeling van de bezoldiging door de OK is derhalve op zijn plaats.
Voor gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid is slechts plaats, indien er sprake is van afspraken die zodanig zijn dat (voorshands geoordeeld moet worden dat) daartoe in redelijkheid niet gekomen had kunnen komen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er geen ruimte is om tot toetsing te komen van een bepaalde bezoldiging, enkel gebaseerd op het feit dat de omvang van deze bezoldiging buitenproportioneel is, zoals blijkt uit de Uni-Invest- en de PCM-beschikking. Aan de hoogte van de beloningen kan op zichzelf niet zonder meer een argument worden ontleend voor het constateren van wanbeleid.1
De aandacht van de OK gaat primair uit naar het besluitvormingsproces omtrent de gewraakte bezoldiging. De kernvraag lijkt in dat kader te zijn of er sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging bij het vaststellen, toekennen en/of uitkeren van de bezoldiging.2 Bij beantwoording van deze vraag is een tweetrapsraket te ontwaren. De eerste trap heeft te maken met de vraag of het (bevoegde) orgaan dat het besluit genomen heeft voldoende en juist geïnformeerd was en ook overigens de regels voor de totstandkoming in acht heeft genomen. De aandacht gaat daarbij in het bijzonder uit naar de vraag of eventuele tegenstrijdige belangen voldoende zijn onderkend en adequaat zijn geadresseerd.3
In het kader van de vraag of tegenstrijdige belangen voldoende zijn onderkend en geadresseerd in relatie tot de bezoldiging van bestuurders is nog interessant de beschikking uit 2008 inzake ABN AMRO. De OK oordeelde daar over de vraag of bestuur en raad van commissarissen voldoende waarborgen hebben getroffen ter vermijding van mogelijke belangenvermenging, gelet op hun financiële belangen in ABN AMRO. De OK overweegt in deze beschikking dat geen rechtsregel voorschrijft, dat bestuurders of commissarissen met financiële belangen in de vennootschap waarbij zij werkzaam zijn, niet mogen deelnemen aan fusiebesprekingen. Evenmin schrijft enige rechtsregel voor, dat het hebben van bedoelde financiële belangen verhindert dat bestuur en raad van commissarissen beslissingen nemen van strategische aard waarvan fusiebesprekingen het gevolg zijn. Niet is gesteld of gebleken dat bestuur en raad van commissarissen van ABN AMRO op enigerlei wijze financiële belangen hebben verkregen of bedongen ter zake van het slagen van de fusiebesprekingen. De enkele omstandigheid dat waarschijnlijk is dat bestuurders en commissarissen van ABN AMRO na het welslagen van de fusie zitting krijgen in de board van de op te richten fusievennootschap, hetgeen overigens als een niet ongebruikelijk verschijnsel heeft te gelden, tegen een daarbij passende beloning, geeft onvoldoende grond voor een vermoeden van belangenvermenging, aldus de OK.4
Geeft het besluitvormingsproces onvoldoende reden tot twijfel dan rest slechts een marginale beoordeling van de vraag of de gemaakte keuzes verdedigbaar zijn.5 In de PCM-beschikking verwoordt de OK deze terughoudende toetsing door te stellen dat slechts aan een daadwerkelijk inhoudelijke beoordeling van de bezoldiging wordt toegekomen wanneer geen redelijk denkende ondernemer de onderhavige beloningen zou hebben uitbetaald.
Wanneer deze laatste toets – de vraag of de gemaakte keuze verdedigbaar is – wordt ontleed, dan valt deze uiteen in twee delen. Zo ligt allereerst de aannemelijkheid van de gegeven rechtvaardigingsgrond(en) voor de bezoldiging ter beoordeling voor. Uit de Uni-Invest-beschikking volgt dat een gegeven rechtvaardigingsgrond in beginsel slechts dan onvoldoende aannemelijk is, indien het gebezigde argument als zonneklaar onjuist kan worden aangemerkt. Ten tweede speelt de vraag of het gebezigde argument een voldoende rechtvaardiging oplevert voor de gewraakte bezoldiging. Hieraan is – zoals volgt uit de RNA-beschikking – slechts dan niet voldaan, wanneer kan worden vastgesteld dat de bezoldigingsafspraak gericht is op het zonder voldoende rechtvaardiging bevoordelen van bestuurders, waardoor (een deel van) de bezoldiging is aan te merken als ongerechtvaardigde verrijking van de bestuurder(s) zonder nut voor de vennootschap. Er moet, kort gezegd, een verband zijn tussen de bezoldiging en het daarmee beoogde doel in het voordeel van de vennootschap.
Uit vorenstaande volgt dat de rol van de OK bij de beoordeling van de bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen uiterst terughoudend is. Wel is daarbij op grond van de beschikkingen van de OK een kanttekening te plaatsen. Zo zijn er aanwijzingen dat de kans op een inhoudelijke beoordeling van de bezoldiging door de OK toeneemt, wanneer er sprake is van een (tussentijdse) aanpassing van de bezoldigingsafspraken vanwege een op handen zijnde gebeurtenis, dan wel het vaststellen van een bezoldiging zonder daarbij rekening te houden met een op handen zijnde gebeurtenis.6 Een voorbode voor het belang van deze omstandigheden is te vinden in de Getronics-beschikking, waarin de OK overwoog dat mede gewicht toekomt aan de inhoud van de getroffen regeling, zulks in samenhang met de omstandigheden waaronder en het tijdstip waarop de afspraken zijn gemaakt. In de RNA-beschikking voegt de OK de daad bij het woord, door over te gaan tot een nadrukkelijke inhoudelijke beoordeling van de gebeurtenis gedreven tussentijdse wijziging van de bezoldigingsafspraken. In de onderhavige casus leidt deze kritische beoordeling uiteindelijk tot de vaststelling dat er sprake is geweest van wanbeleid. De toets die de OK hanteert voor het aannemen van wanbeleid wijzigt overigens niet. Ook in de RNA-beschikking is immers doorslaggevend het oordeel van de OK dat de wijziging slechts in het belang van bestuurders was, zonder nut voor de vennootschap.