Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.10
3.10 Reikwijdte van de bevoegdheid; afwijking van dwingend recht
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196870:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Die constatering behoeft enige nuancering. Verbunt leest in Versatel II dat kan worden afgeweken van dwingende bepalingen van vennootschappelijk organisatierecht en dwingend rechtspersonenrecht (Verbunt 2008, p. 153 en p. 165). Volgens Storm maakt de Hoge Raad een scherp onderscheid tussen de onmiddellijke voorziening en de tweede fase voorziening en hij leidt daaruit af dat met een tweede fase voorziening niet “in algemene zin van dwingend recht” mag worden afgeweken (Storm 2008, p. 33-35). Croiset van Uchelen stelt vast dat de Hoge Raad bevestigt dat afwijkingen van dwingend recht niet zijn toegestaan bij benoeming van functionarissen bij wijze van tweede fase voorziening (Croiset van Uchelen 2008, 200). Van Solinge en Nieuwe Weme betrekken het standpunt dat afwijking van dwingend recht bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de tweede fase ook mogelijk is (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/770).
OK 14 december 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8151, ARO 2006/3 (Versatel).
HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4888, ARO 2007/155 (Versatel II). De Hoge Raad herhaalde wat hij in de zaak Skygate had overwogen (HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138 (Skygate)). Met onmiddellijke voorzieningen kan tijdelijk inbreuk gemaakt worden op de geldende rechtsverhoudingen binnen de rechtspersoon en aan het treffen van de voorzieningen hoeft niet in de weg te staan dat ze kunnen leiden tot onomkeerbare gevolgen, mits de voorziening naar haar aard voorlopig is en een billijke afweging heeft plaatsgevonden van de belangen van de betrokken partijen (HR 14 september 2007, r.o. 4.2 en 4.3).
HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, ARO 2002/40 (Zwagerman), r.o. 3.9: “De tijdelijke aanstelling van een commissaris door de Ondernemingskamer berust op het bepaalde in artikel 2:356 BW. De aldus aangestelde commissaris heeft in beginsel de bevoegdheden als vermeld in art. 2:250 BW. Artikel 2:356 bevat een limitatieve opsomming van de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen. Daartoe behoort niet het toekennen van bijzondere, naast de in de zo juist vermelde bepaling genoemde bevoegdheden aan de op de voet van artikel 2:356, aanhef en letter c, aangestelde commissaris. Wel kan de Ondernemingskamer op grond van het bepaalde onder d van laatstgenoemd artikel een voorziening treffen waarbij tijdelijk van de statuten wordt afgeweken in dier voege dat in afwijking van de statuten aan de commissaris bepaalde bevoegdheden worden toegekend. Aan deze commissaris kunnen echter geen andere bevoegdheden worden toegekend dan de wet toelaat.”.
J.M.M. Maeijer, annotatie bij HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857 (Zwagerman), NJ 2002/296. Art. 2:349a lid 2 (oud) BW vigeerde.
Geerts 2004, p. 5.2.6.1 (p. 271).
Olden, Ondernemingrecht 2003/p. 549-555, nr. 6.
R.M. Hermans, annotatie bij OK 14 december 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AU8151, Ondernemingsrecht 2006/36 (Versatel), nr. 9; P.M. Storm, annotatie bij OK 12 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BM6143, Ondernemingsrecht 2007/54 (Versatel).
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA4888), bij HR 14 september 2007 (Versatel II).
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA4888), bij HR 14 september 2007 (Versatel II), nr. 3.13.
Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BA4888), bij HR 14 september 2007 (Versatel II), nr. 3.11.
[119] De vraag of artikel 2:349a lid 2 BW de rechter de bevoegdheid geeft bij de keuze voor concrete onmiddellijke voorzieningen af te wijken van bepalingen van dwingend recht, wordt sinds de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Versatel II bevestigend beantwoord.1 In die zaak waren bij wijze van onmiddellijke voorziening commissarissen benoemd.2 Aan hen kwam bij uitsluiting de bevoegdheid toe om bepaalde beslissingen te nemen en om de vennootschap met betrekking tot bepaalde onderwerpen te vertegenwoordigen, in alle gevallen waarin de wet of de statuten van de vennootschap enige bevoegdheid toekennen aan haar raad van commissarissen of waarin die bevoegdheid voortvloeit uit de Nederlandse corporate governance code. De Hoge Raad overwoog dat de Ondernemingskamer onder bepaalde voorwaarden bij wijze van onmiddellijke voorziening een commissaris mag aanstellen met bijzondere, van bepalingen van dwingend recht afwijkende bevoegdheden.3
[120] Eerder had de Hoge Raad de kwestie geadresseerd in zijn uitspraak in de tweede fase van de zaak Zwagerman.4 De beschikking heeft een aantal reacties uitgelokt.
Maeijer meent dat de benadering van de Hoge Raad – in Maeijers woorden: dat de dwingendrechtelijke verdeling van bevoegdheden tussen organen van een vennootschap dient te worden gerespecteerd – ook zou moeten gelden als het gaat om de tijdelijke aanstelling van een commissaris op de voet van artikel 2:349a lid 2 BW.5 Hij merkt op dat op grond van artikel 2:349a lid 2 BW weliswaar andere voorzieningen kunnen worden getroffen dan die zijn opgesomd in artikel 2:356 BW, maar dat, indien wordt aangesloten bij artikel 2:356 BW, het voor de hand ligt geen ruimere armslag te nemen dan bij rechtstreekse toepassing van die bepaling is toegestaan.
Geerts leidt uit de Zwagerman-beschikking af dat “(onmiddellijke) voorzieningen die de dwingendrechtelijke bevoegdheden tussen de diverse organen van een vennootschap doorbreken (…) niet (mogen) worden getroffen”.6
Olden beperkt zich in zijn beschouwing niet tot de bevoegdheden van (leden van) vennootschappelijke organen.7 Hij betoogt dat het treffen van de in artikel 2:356 BW opgesomde voorzieningen een wettelijke basis heeft. Dat maakt het aanvaardbaar dat van dwingend recht wordt afgeweken. Op grond van de overweging in de MvT dat een aantal van de in artikel 2:356 BW genoemde voorzieningen ook als ordemaatregel kunnen gelden, komt hij tot de conclusie dat “voorzieningen – onmiddellijk of niet – slechts dwingende regels van vennootschapsrecht opzij mogen zetten, indien en voor zover dat in art. 2:356 BW uitdrukkelijk is bepaald”.
Hermans stelt dat de Ondernemingskamer niet de vrijheid heeft om onmiddellijke voorzieningen te treffen die in strijd zijn met dwingend recht, maar Storm plaatst daar weer een vraagteken bij.8
A-G Timmerman las in de beschikking in de zaak Zwagerman geen begrenzing van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen door de dwingendrechtelijke bevoegdheden van organen. Hij ging uitvoerig in op de vraag of de Ondernemingskamer bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen mag afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen uit Boek 2.9 Hij kwam tot de slotsom dat de Zwagerman-beschikking in beginsel alleen grenzen stelt aan de bevoegdheid tot het treffen van voorzieningen op de voet van artikel 2:356 BW. Artikel 2:349a lid 2 BW geeft de Ondernemingskamer de bevoegdheid om in noodsituaties van dwingendrechtelijke bepalingen van Boek 2 BW af te wijken.10 Dat sluit aan bij de regel van artikel 2:8 lid 2 BW en is een illustratie van het gezegde: ‘Nood breekt wet’, aldus Timmerman.11