Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/4.4.3
4.4.3 LGO-besluit 2013
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181106:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
COM(2008) 383, p. 2.
Ibid. In 2008 telde de Gemeenschap 21 LGO. Volgens de Commissie verschillen deze LGO enorm van elkaar, maar zij hebben volgens de Commissie de volgende gemeenschappelijke eigenschappen: “het zijn geen soevereine staten, het zijn parlementaire democratieën, het zijn eilanden, zij hebben een zeer kleine bevolking en kennen een buitengewone ecologische rijkdom vergeleken met continentaal Europa. Alle LGO zijn relatief kwetsbaar voor externe schokken en hebben over het algemeen en smalle economische basis die met name om dienstverlening draait. Zij zijn ook sterk afhankelijk van ingevoerde goederen en energie. Over het algemeen voeren de LGO slechts in beperkte mate goederen uit naar de EU of naar andere delen van de regio waarin zij liggen.” Idem, p. 3-4.
Idem, p.6. Volgens de Commissie zorgt deze aanpak, waarbij grote aandacht bestaat voor armoedebestrijding, ervoor dat de LGO regelmatig worden gezien als ACS-staten, waarvoor de nodige aandacht wordt besteed aan armoedebestrijding. Idem, p. 8.
HvJ EU 14 september 1995, gevoegde zaken T-480/93 en T-483/93 (Antillean Rice Mills vs. Commissie van de Europese Gemeenschappen), Jur. II-2310, r.o. 91.
De Commissie noemt in dit kader de LGO als deel van de ‘uiterste grenzen’ van de Unie. COM(2008) 383, p. 6.
Idem, p. 8-9. Volgens de Commissie van ontwikkelingsbijstand (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) kan geen van de LGO worden gerekend tot de lage-inkomstenlanden.
Idem, p. 9.
Ibid.
Ibid.
Ibid.
Idem, p. 10.
Ibid. Zo wordt bijvoorbeeld in Frans-Polynesië, een LGO, wetenschappelijk onderzoek gedaan waarbij verschillende onderzoeksinstellingen uit de Franse Republiek en de Verenigde Staten van Amerika betrokken zijn.
Ibid. Hoewel het LGO-besluit uit 2001 wel bepalingen bevat over de samenwerking met andere landen die in de regio liggen, bevat het geen stimuleringsmaatregelen of enige verantwoordelijkheid over de uitvoering van de intensieve samenwerking. COM(2008) 383, p. 11. Een voorbeeld over de beperkte verantwoordelijkheid van de LGO op het gebied van milieu wordt als volgt door de Commissie onder woorden gebracht in COM(2008) 383, op p. 11: “De ecologische duurzaamheid van de LGO is niet alleen van belang voor het welzijn van de LGO zelf; het behoud van de biologische diversiteit van de LGO is ook voor de Gemeenschap en de gehele wereld van groot gewicht, gezien de internationale dimensie op het gebied van onderzoek, de duurzame exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en de bestrijding van klimaatverandering. Het huidige LGO-besluit wijst de LGO echter geen verantwoordelijkheden toe waarmee zij doeltreffend kunnen werken aan milieubescherming en milieubehoud overeenkomstig de normen van de Gemeenschap, toezicht op de naleving van de visserijvoorschriften, effectieve maatregelen ter bestrijding van vervuiling en passende capaciteit op het gebied van noodhulpverlening, een gebied waar nieuwe commerciële mogelijkheden kunnen worden benut, of aan wetenschappelijke samenwerking met Europese onderzoeksinstellingen en -teams uit andere lidstaten dan die waartoe de LGO behoren.”
Idem, p. 11.
Idem, p. 11-12. Andere terreinen die het Groenboek noemt, zijn: ‘onderzoek, maritieme zaken en bestuur van zee, energievoorziening, energie-efficiëntie en duurzame energiebronnen, goed bestuurd, ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, culturele uitwisseling, media, onderwijs en opleiding, migratie, bestrijding van georganiseerde misdaad en mensenhandel, bestrijding van terrorisme, bestrijding van witwassen, belastingfraude en belastingontduiking, bestrijding van drugs en bestrijding van illegale, niet-aangegeven en niet-gereglementeerde visserij, alsmede samenwerking op administratief, politieel en justitieel gebied’.
Ibid.
Idem, p. 3.
Ibid.
Ibid.
Ibid.
Zie in dit kader het proefschrift van M’Saïdié 2013; Louis Dubois, ‘Les outre-mers dans la jurisprudence de la Cour de justice des Communautés européennes’, in: Laurent Tesoka, Jacques Ziller, Union européenne et outre- mers. Unis dans leur diversité, Presses universitaires d’Aix-Marseille 2008.
COM(2009) 623.
Idem, p. 3.
Het versterken van het concurrentievermogen van de LGO wordt één belangrijke doelstelling voor het nieuwe partnerschap tussen de Unie en de LGO. De LGO kunnen volgens de Commissie hun concurrentievermogen versterken door het versterken van ‘onderwijs en beroepsopleiding, technologische vooruitgang en innovatie, informatie- en communicatietechnologieën, macro-economische stabiliteit, de rechtsstaat, goed bestuur, transparantie en goed functionerende instellingen’. Idem, p.5.
Aangezien de klassieke ontwikkelingssamenwerking met de LGO volgens de Commissie niet in staat is om de problemen van de LGO aan te pakken, is een belangrijk doel van de nieuwe aanpak het verminderen van de kwetsbaarheid van de LGO, met als gevolg het vermogen om gepast te reageren op bijvoorbeeld bepaalde economische schokken en kwetsbaarheid voor natuurrampen. Idem, p. 6.
Idem, p. 4-6. Deze derde doelstelling zal volgens de Commissie naast de economische en financiële voordelen tevens bijdragen tot het bevorderen van de normen en waarden van de Unie in de regio van de LGO. Idem, p. 5.
Idem, p. 4. In de woorden van de Commissie zal deze relatie niet meer een relatie zijn ‘tussen donor en begunstigde’.
Idem, p. 3.
Hiermee wordt denkelijk gedoeld op duurzaamheid.
Ibid.
Aanpassing van het vorige LGO-besluit is nodig ‘gezien de politieke prioriteiten op Europees niveau (Europa 2020) en op internationaal niveau (zoals rond milieu, klimaatverandering, beheer van natuurlijke hulpbronnen) sinds vaststelling van het huidige LGO-besluit in 2001’. Idem, p. 5. Dit laatste LGO-besluit raakt het leven van de LGO-Unieburger veel concreter dan de oude LGO-besluiten.
Idem, p. 4.
Ibid. Het Koninkrijk merkt in dit kader op dat het bereid is de verantwoordelijkheid te dragen voor de administratieve lasten van de zogenoemde BES-eilanden.
Het Koninkrijk heeft in EU-verband nimmer aangegeven dat de legitimatie van de Raad bij het nemen van de LGO-besluiten voor de LGO-Nederlanders ontbreekt. De LGO-besluiten worden, zoals hiervoor aaangegeven, genomen door de Raad. De legitimatie van de Raad ligt bij de nationale parlementen van de lidstaten. In Hoofdstuk VII zal echter blijken dat de Staten-Generaal de iure fungeren als het vertegenwoordigende orgaan van het land Nederland en niet van het Koninkrijk.
HvJ EU 5 juni 2014, gevoegde zaken C-24/12 en C-27/12 (X BV/TBG Limited vs. Staatssecretaris van Financiën), ECLI:EU:C:2014:1385.
Idem, r.o. 42.
Idem, r.o. 47.
Idem, r.o. 50 en 55.
Europese Commissie, COM(2018) 461, Brussel 14.6.2018, Voorstel voor een besluit van de Raad inzake de associatie van de landen en gebieden oversee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie enerzijds en Groenland en het Koninkrijk Denemarken anderzijds, https:// eur-lex.europa.eu/resource.html?uri=cellar:a22696d6-6fe2-11e8-9483- 01aa75ed71a1.0019.02/DOC_3&format=PDF. In de preambule, onder 8: “Bovendien dient de solidariteit tussen de Unie en de LGO te zijn gebaseerd op hun unieke relatie en op het feit dat zij allen tot de ‘Europese familie’ behoren.”
Europese Commissie, COM(2018) 461, Brussel 14.6.2018, p. 10. In de preambule, onder 10: “De associatie tussen de Unie en de LGO moet ook in de toekomst worden gebaseerd op drie pijlers, namelijk versterking van het concurrentievermogen, vergroting van de veerkracht en vermindering van de kwetsbaarheid, en stimulering van samenwerking en integratie tussen de LGO en andere partners en naburige regio’s.”
Zie in dit verband Fiche 8: MFK-LGO-besluit.
Een tweetal zaken is in dit verband interessant: ten eerste HvJ EU zaak C- 391/17, tussen de Europese Commissie en het Verenigd Koninkrijk, en ten tweede HvJ EU zaak C-395/17, tussen de Europese Commissie en het Koninkrijk der Nederlanden. De zaak tegen het Koninkrijk der Nederlanden heeft betrekking op het in strijd met het LGO-besluit afgegeven EUR.1.-certificaten door Curaçao en Aruba. De Commissie is de mening toegedaan dat het Koninkrijk der Nederlanden krachtens het Unierecht aansprakelijk is voor het verlies van eigen middelen dat door deze LGO is veroorzaakt. De Commissie stelt in dit kader dat het Koninkrijk krachtens de verplichting tot loyale samenwerking er zorg voor moet dragen dat niet geïnde douanerechten door de lidstaat ter beschikking moeten worden gesteld van de begroting van de EU. De zaak tegen het Verenigd Koninkrijk heeft betrekking op het volgende. De Commissie betoogt in die zaak dat het Verenigd Koninkrijk geen vergoeding heeft verstrekt tot het verlies van eigen middelen die ter beschikking hadden moeten worden gesteld van de EU-begroting. Het gevorderde bedrag heeft betrekking op douanerechten die bij invoer naar Italië van uit derde landen afkomstige zendingen niet zijn geïnd. Anguilla, een LGO van het Verenigd Koninkrijk, heeft ten onrechte geen uitvoercertificaten afgegeven. Volgens de Commissie is het Verenigd Koninkrijk op grond van het beginsel van loyale samenwerking verantwoordelijk voor het door de eigen LGO veroorzaakte verlies aan eigen middelen. De arresten van het Hof van Justitie op deze zaken zijn nog niet openbaar. De conclusies van A-G Bobek daarentegen wel. In beide conclusies brengt Bobek naar voren ‘dat er op een lidstaat die bijzondere betrekking heeft met de betrokken LGO, in elk geval een algehele verantwoordelijkheid rust om alle passende maatregelen te nemen ter voorkoming en monitoring van schendingen van het Unierecht die kunnen voortvloeien uit de gedragingen (handelingen of nalatigheden) in het kader van de associatieregeling’. Echter zijn volgens Bobek ‘behoorlijk wat argumenten nodig om de kloof te overbruggen (voor zover dat mogelijk is) tussen die algemene verklaring en de slotsom dat die lidstaat dan ook automatisch financieel aansprakelijk is voor elk door de Commissie genoemd bedrag dat in een andere lidstaat als eigen middelen van de Unie had moeten worden vastgesteld en beschikbaar gesteld’. Het voorgaande brengt Bobek op relevante vragen die betrekking hebben op het nationaal-constitutionele kader van de desbetreffende lidstaat: kan de Commissie namelijk de lidstaten die bijzondere betrekkingen hebben met een LGO, verzoeken om betaling voor elke vermeende schending van de LGO-besluiten? Zou het Unierecht in een dergelijk geval dan vereisen dat ‘rechtstreeks bestuur’ wordt ingevoerd door de lidstaat die de LGO rijk is? Conclusie A-G Bobek 6 februari 2019, zaak-395/17, overweging 56. De constitutionele bezwaren die het Verenigd Koninkrijk aanvoert in deze zaak hebben betrekking op de omstandigheid dat het Verenigd Koninkrijk op grond van zijn constitutionele regelingen met Anguilla geen algemene wetgevende bevoegdheden heeft, met als gevolg dat toezicht kan worden gehouden op de individuele administratieve besluiten die worden genomen door de autoriteiten van Anguilla. Deze redenering van het Verenigd Koninkrijk overtuigt Bobek niet, vanwege de omstandigheid dat de feiten in deze zaak een ander beeld laten zien – namelijk dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk als eerste in Anguilla onderzoek hebben uitgevoerd. Conclusie A-G Bobek 6 februari 2019, zaak C-391-17, overweging 98. De conclusie van Bobek in de zaak tegen het Koninkrijk der Nederlanden illustreert dat het lastig is om de lidstaat financieel aansprakelijk te stellen voor een misslag van de LGO. Er zijn in de woorden van de Bobek namelijk ‘behoorlijk wat argumenten nodig’ om tot een financiële aansprakelijkheidsstelling van de lidstaat te komen. Deze overweging past goed in het beeld dat de rechtsbetrekking tussen de LGO en de EU een wederkerige is.
Europese Commissie, COM(2018) 461, art. 5 lid 1.
Europese Commissie, COM(2018) 461, p. 10.
Europese Commissie, COM(2018) 461, art. 82 lid 2 onder a. Mochten, bijvoorbeeld, Sint Maarten (een LGO) en Saint Martin (een UPG) naar aanleiding van een natuurramp financiële toewijzing willen ontvangen van de EU, dan is een gezamenlijke aanvraag op grond van deze bepaling van het toekomstige LGO-besluit mogelijk.
Zoals hiervoor vermeld, was de Commissie voornemens om het partnerschap tussen de Unie en de LGO substantieel te herzien. In de woorden van de Commissie was het de bedoeling ‘te onderzoeken hoe afstand kan worden genomen van de klassieke ontwikkelingsaanpak en tegelijkertijd het concurrentievermogen van de LGO te versterken en hun integratie in de regionale en de wereldeconomie te bevorderen, rekening houdende met niet alleen de problemen waarmee zij zich geconfronteerd zien, maar ook het potentieel waarover zij beschikken’.1 Om deze reden heeft de Commissie in 2008 een Groenboek uitgebracht teneinde het debat tussen de LGO en de Unie te vergemakkelijken, ‘met name waar het gaat om de algemene filosofie die aan deze betrekkingen op de langere duur ten grondslag moet liggen’.2 De algemene aanpak van de LGO-regeling heeft gelegen in een ontwikkelingssamenwerking tussen de E(E) G resp. Unie met de LGO om armoede op de LGO te bestrijden. Deze aanpak past volgens het Groenboek van de Commissie niet meer bij de huidige stand van zaken.3
Hoewel de LGO volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie geen integrerend deel uitmaken van de EU4 kunnen zij volgens de Commissie niet worden gezien als derde landen. De LGO zijn namelijk staatsrechtelijk nauw verbonden aan een Unielidstaat, met als gevolg dat zij naar de mening van de Commissie in feite niet kunnen worden losgezien van de Unie.5 Het partnerschap tussen de LGO en de EU kreeg door de jaren heen steeds meer kritiek van sommige lidstaten, omdat de LGO profiteren van de ontwikkelingshulp van de Unie, terwijl sommige LGO moeilijk kunnen worden beschouwd als een ontwikkelingsland.6 Om die reden vindt de Commissie dat de LGO-regeling die gold ten tijde van het Groenboek, niet toereikend is voor de LGO. De problemen waar de LGO mee kampen vereisten volgens de Commissie een andere aanpak dan louter een klassieke ontwikkelingssamenwerking, zoals dat het geval is bij ACS-staten en derde landen.7 De duurzame ontwikkeling van de LGO is naar de mening van de Commissie het beste gediend als de LGO meer worden geïntegreerd in de regionale markten en in de wereldmarkt.8 Opvallend hierbij is dat de Commissie bij de integratie in de regionale markten en de wereldmarkt van de LGO ook rekening tracht te houden met het potentieel van de LGO, zoals de deskundigheid van de LGO op bepaalde terreinen en de beschikbaarheid van de LGO over bepaalde natuurlijke bronnen.9 Daarnaast vindt de Commissie het van belang dat ook aandacht wordt besteed aan bepaalde milieuaspecten, zoals de kwetsbaarheid van de LGO voor klimaatverandering.10 Deze nieuwe samenwerking dient dan ook te worden gebaseerd op wederzijdse belangen tussen de LGO en de Unie. Zo verlangt de Commissie dat de LGO in de regio waar zij liggen de normen van de Unie op het gebied van milieu, de rechtsstaat, eerbiediging van mensenrechten bevorderen.11 Daarnaast is van belang dat de LGO bijvoorbeeld klimatologisch onderzoek over hun ecologische rijkdom mogelijk maken, aldus de Commissie.12
Tot aan het LGO-besluit van 2013 wordt de rechtsbetrekking tussen de Unie en de LGO in beginsel niet gebaseerd op wederzijdse belangen van de Unie en de LGO. De verantwoordelijkheid van de LGO tot aan het LGO-besluit van 2013 beperkt zicht voornamelijk tot de rol van ‘begunstigde van een niet- wederkerige associatieregeling’.13 Om deze reden acht de Commissie het van belang dat de LGO die een rijke biodiversiteit hebben, deze toegankelijk moeten maken voor wetenschappelijke documentatie.14 Aangezien Deel IV van het Verdrag volgens de Commissie genoeg speelruimte laat voor een eventuele ‘modernisering’ van de LGO-regeling, verwacht de Commissie dat de EU en de LGO meer zullen samenwerking op verscheidene terreinen, zoals het economisch beleid, ondernemings- en werkgelegenheidsbeleid, sociaal beleid, handel en investeringen, infrastructuur enzovoorts.15
Opvallend aan dit Groenboek van de Commissie is dat het een nieuw elan wil geven aan de relatie tussen de EU en de LGO. De Commissie wil de relatie met de LGO, die voornamelijk is gebaseerd op armoedebestrijding, binnen de kaders van het Verdrag veranderen naar een van versterking van de concurrentiekracht van de LGO en meer samenwerking met andere landen in de eigen regio.16 De Commissie wil derhalve de rechtsverhouding van de LGO in het nieuwe LGO-besluit zodanig invullen dat de LGO de ‘voorposten’, of in de woorden van de Commissie de ‘buitenste grenzen’, van de Unie worden.17 Het Nederlandse kabinet heeft deze visie van de Commissie sterk onderschreven.18 Nederland acht het immers van groot belang dat de associatieregeling van de LGO toegesneden is op de behoeften van de LGO.19 De inzet van de Commissie om de nadruk van de LGO-regeling te verleggen naar de versterking van de concurrentiekracht en rechtsstatelijkheid in plaats van armoedebestrijding, sluit volgens het Nederlandse kabinet goed aan bij de huidige stand van zaken in een globaliserende wereld.20 In dit licht heeft het Nederlandse kabinet enkele ideeën en aanbevelingen gedaan voor de nieuwe verhouding tussen de Unie en de LGO:
Het feit dat de LGO onderdeel van de Europese familie zijn brengt rechten en plichten met zich mee. In dit licht zou de Commissie de LGO moeten helpen om op termijn – op vrijwillige basis – Europese standaarden over te nemen, bijvoorbeeld op het terrein van goed bestuur.
De toekomstige handelingsregelingen zouden structureel van aard moeten zijn en gerichter zijn toegesneden op bestaande of potentierijke economische activiteiten van de verschillende LGO.
De LGO zouden geholpen moeten worden om verder te integreren in de regio waarin zij zijn gelegen, onder andere door verdere diversificatie van hun economieën te stimuleren. Onderzocht zou kunnen worden of er mogelijkheden zijn om industriële, logistiek of kennisgerichte activiteiten verder uit te bouwen en te onderscheiden.
De Commissie zou er op moeten toezien dat de belangen van de LGO systematisch in aanmerking worden genomen in contacten met derde landen in de regio’s waarin zij gelegen zijn.
De Commissie zou de ervaring en expertise die is opgedaan in het kader van de UPG moeten aanwenden om de risico’s die samenhangen met de kleinschaligheid van het bestuursapparaat van veel LGO, bijvoorbeeld op het terrein van economie en de integriteit, te beperken.”21
Deze punten van het kabinet illustreren dat de visie van de Commissie zoals uiteengezet in het Groenboek volgens het kabinet kan worden beschouwd als een goed uitgangspunt voor de nieuwe relatie tussen de Unie en de LGO.22 Zowel de rijksregering als de Commissie is derhalve van mening dat afstand moet worden genomen van de klassieke ontwikkelingssamenwerking ter bestrijding van armoede zoals die voor ogen stond in 1957. Een stevige positie van de LGO in het raamwerk van de Unie wordt derhalve toegejuicht. Opvallend is ook dat het Nederlandse kabinet de wederkerigheid van de rechtsbetrekking tussen de Unie en de LGO benadrukt, door te stellen dat het onderdeel zijn van de ‘Europese familie’ verschillende ‘rechten en plichten’ met zich brengt.
Naar aanleiding van reacties op het Groenboek heeft de Commissie eind 2009 een Mededeling gedaan voor een nieuw partnerschap met de LGO.23 In deze Mededeling meent de Commissie dat er een brede consensus bestaat onder de lidstaten om de LGO-regeling substantieel te herzien.24 De LGO-regeling dient volgens de Commissie na het nieuwe LGO-besluit een drieledig doel te hebben: ten eerste het versterken van het concurrentievermogen van de LGO,25 ten tweede het verbeteren van het aanpassingsvermogen van de LGO26 en tot slot het bevorderen van de samenwerking tussen de LGO en andere partners in hun regio.27 Daarnaast verdient volgens de Commissie opmerking dat de toekomstige betrekkingen tussen de EU en de LGO een wederzijds karakter in zich dienen te bergen.28 Dit wederkerige karakter heeft onder andere te maken met de omstandigheid dat de inwoners van de LGO die in beginsel de nationaliteit hebben van een lidstaat Unieburgers zijn, met als gevolg dat hun verhouding met de Europese rechtsorde is gebaseerd op ‘nauwe banden die uit de gemeenschappelijke geschiedenis en de grondwettelijke tradities [voortvloeien]’.29 Het Koninkrijk onderschrijft deze nieuwe strekking van de Mededeling van de Commissie en moedigt de LGO aan om op vrijwillige basis de voor hen relevante regelgeving van de Unie over te nemen.30 De Unie en het Koninkrijk willen derhalve, na ongeveer vijftig jaar een relatie van ontwikkelingssamenwerking te hebben met de LGO, een gelijkwaardiger partnerschap waarin ook aandacht bestaat voor wat de LGO hebben te bieden aan de Unie.31 In dit kader wordt gedacht aan bijvoorbeeld instituten op het terrein van ‘duurzame energie’32 en het uitdragen van Europese normen en waarden in de buurlanden van de LGO.33 Hiermee lijkt de Commissie volgens het Koninkrijk convergentie na te streven tussen het UPG- en LGO-regime.34
Het LGO-besluit dat thans geldt, is het op 1 januari 2014 in werking getreden Besluit 2013/755/EU van 25 november 2013. Het besluit heeft een geldigheidsduur tot 2020 en betreft een aanzienlijke modernisering van het LGO-besluit uit 2001. Als ultieme doelstelling van het besluit is geformuleerd het stimuleren van duurzame ontwikkeling, en betreft daarmee dus niet zozeer de bestrijding van armoede.35 In dit kader worden drie pijlers genoemd die dienen bij te dragen aan de verwezenlijking van dit doel, te weten (1) de bevordering van het concurrentievermogen, (2) de vermindering van de kwetsbaarheid en (3) de samenwerking van de LGO in hun eigen regio.36 Het Koninkrijk ondersteunt dit nieuwe LGO-besluit voor een groot deel, alhoewel het bezwaar heeft gemaakt tegen art. 47 Besluit met betrekking tot de afhandeling van administratieve fouten van de LGO die voor rekening komen van de lidstaat.37 Volgens het Koninkrijk staat deze bepaling een gelijkwaardige relatie tussen de Unie en de LGO in de weg.38 Vermoedelijk is de nationaal-staatsrechtelijke verhouding in het Koninkrijk de reden voor deze stellingname. Aangezien de landen naar constitutioneel Koninkrijksrecht autonomie hebben op veel terreinen, ligt het volgens het Koninkrijk niet voor de hand om de aan de LGO toerekenbare fouten voor rekening van de lidstaat te laten komen.39
Over dit laatste LGO-besluit gaat de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak XBV/TBG Limited vs. Staatssecretaris van Financiën.40 Dit geval gaat over de vraag of het Unierecht inzake het vrij verkeer van kapitaal van toepassing is, indien een lidstaat, in casu het Koninkrijk der Nederlanden, zijn handelsverkeer met de eigen LGO kan onderwerpen aan beperkingen.41 In dit arrest brengt het Hof van Justitie de hoofdregel in Leplat in herinnering; namelijk dat bepalingen van het VwEU die niet in Deel IV VwEU staan zonder uitdrukkelijke verwijzing niet van toepassing zijn op de LGO. Vervolgens merkt het Hof van Justitie op dat in Deel IV VwEU bepalingen inzake het vrij verkeer van kapitaal ontbreken.42 Het Hof van Justitie oordeelt vervolgens:
“Gelet op de in punt 45 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak [o.a. Leplat en Eman en Sevinger] en gelet op het feit dat het vierde deel van het EG-Verdrag noch het LGO-besluit, met als rechtsgrondslag dat deel van het Verdrag, uitdrukkelijk verwijst naar artikel 56 EG, dient de prejudiciële vraag te worden getoetst aan dat artikel 47, lid 1, en dient te worden nagegaan of de draagwijdte van deze bepaling is gepreciseerd of afgebakend in andere regels van de bijzondere regeling waaronder de associatie EU-LGO valt. […] Gelet op het bovenstaande dient op de eerste prejudiciële vraag te worden geantwoord, zonder dat behoeft te worden onderzocht in welke mate de Unierechtelijke regels betreffende de verhoudingen tussen de Unie en de LGO van toepassing zijn op een lidstaat en zijn eigen LGO, dat het recht van de Unie aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een belastingmaatregel van een lidstaat waardoor het kapitaalverkeer tussen deze lidstaat en zijn eigen LGO wordt beperkt, in zoverre daarmee de doelstelling van bestrijding van belastingontduiking daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd.”43
Hoewel het Hof van Justitie zich in deze uitspraak niet expliciet uitlaat over de vraag of het kapitaalverkeer tussen de lidstaat en de eigen LGO dient te worden getoetst aan Unierechtelijke regels inzake het vrij verkeer van kapitaal, toetst het Hof van Justitie deze kapitaalbetrekking aldus wel aan het LGO- besluit.
De trend dat de rechtsbetrekking tussen de LGO en de Unie verandert naar een wederkerig partnerschap met over en weer verplichtingen, blijkt tevens uit het voorstel van de Raad voor het toekomstige LGO-besluit 2020/21.44 De structuur van het huidige LGO-besluit uit 2013 wordt hoofdzakelijk overgenomen door het toekomstige LGO-besluit. Ook het toekomstige besluit zal bestaan uit drie pijlers, zijnde politieke zaken, handen en tot slot samenwerking.45 Het toekomstige besluit besteed aandacht aan duurzame ontwikkeling en klimaat.46 Dit past in de geconstateerde verandering dat de LGO-EU-rechtsbetrekking niet (meer) ziet op ontwikkelingssamenwerking.47 In overeenstemming met het huidige LGO-besluit worden in het voorstel voor het toekomstige LGO-besluit verschillende vraagstukken van wederzijds belang genoemd. Deze betreffen onder meer economische diversifiëring van de economieën van de LGO, het bevorderen van de groene economie, het duurzaam beheer van natuurlijke bronnen en het bevorderen van rampenrisicovermindering.48 Een relevante wijziging die het voorstel voor het LGO-besluit met zich brengt, is dat het een specifieke bepaling bevat die regionale samenwerking tussen de LGO en de UPG bevordert.49 Art. 82 van het voorstel maakt het namelijk mogelijk dat een financiële toewijzing wordt gegeven aan één of meer LGO en één of meer UPG.50