Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.1:3.4.1 Verplichting tot afwaardering op lagere bedrijfswaarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/3.4.1
3.4.1 Verplichting tot afwaardering op lagere bedrijfswaarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS351687:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 april 1991, nr. 27 074, BNB 1991/165.
Vergelijk in dit verband tevens HR 30 maart 1955, nr. 12 236, BNB 1955/183 met noot van M.J.H. Smeets. De essentie van dit arrest is dat indien effecten, welke tegen kostprijs plegen te worden gewaardeerd, al te zeer in waarde dalen, het aanhouden van de kostprijs in strijd is met goed koopmansgebruik. Alsdan dient de waardering, zo nodig met wijziging van stelsel, op bedrijfswaarde te geschieden.
HR 30 maart 1955, nr. 12 236, BNB 1955/183 met noot van M.J.H. Smeets.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad heeft in een belangrijk arrest van 17 april 19911 als zijn oordeel uitgesproken dat bij een substantiële daling van de bedrijfswaarde op grond van goed koopmansgebruik een afwaardering tot op deze lagere bedrijfswaarde verplicht is ongeacht het gekozen waarderingsstelsel.
In casu ging het om een vennootschap onder firma die per 1 januari 1985 werd omgezet in een besloten vennootschap waarbij het gehele ondernemingsvermogen exclusief de onroerende zaak werd ingebracht. Deze onroerende zaak werd per 1 januari 1985 voor de bedrijfswaarde overgebracht naar het privé-vermogen van de firmanten. Het daaruit voortvloeiende verlies werd ten laste van de jaarwinst en niet van de stakingswinst gebracht. In de procedure deed zich onder meer de vraag voor of sprake was van een stelselwijziging, met andere woorden: is belanghebbende overgestapt van het stelsel 'waardering op kostprijs minus afschrijvingen' naar het stelsel 'kostprijs minus afschrijvingen of lagere bedrijfswaarde'.
De Hoge Raad overweegt:
`Indien het stelsel niet mede de mogelijkheid inhield van een lagere waardering als vorenbedoeld (waardering op lagere bedrijfswaarde/GM), kan nochtans sprake zijn van een zodanige vermindering van de bedrijfswaarde, dat een winstbepaling die met deze waardevermindering geen rekening houdt, niet meer in overeenstemming is met goed koopmansgebruik;'.
In een dergelijke situatie is er dus geen sprake van een vrijwillige stelselwijziging en behoeft niet te worden getoetst of de handelwijze van belanghebbende is gericht op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel.
De Hoge Raad oordeelt tevens dat het uit de vermindering van de bedrijfswaarde voortvloeiende verlies in aanmerking moet worden genomen in het jaar waarin het zich heeft voorgedaan. Heeft het desbetreffende verlies zich al in een eerder jaar voorgedaan dan zijn de regels inzake de foutenleer van toepassing.2
Ook na bestudering van bovengenoemd arrest, resteren een tweetal onbeantwoorde vragen:
Welk kenmerk van goed koopmansgebruik brengt deze verplichte afwaardering nu met zich mee?
Bij welke waardedaling is afwaardering verplicht? Het bovenstaande arrest spreekt over een 'zodanige vermindering van de bedrijfswaarde; in BNB 1955/ 1833 is sprake van een 'aanmerkelijke waardedaling:
In de paragrafen 3.5.3 en 4.14.1 zal op deze vragen nader worden ingegaan.