Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/9.8.2
9.8.2 Aanbevelingen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268376:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 8, par. 8.4.3 met verwijzing naar art. 34, eerste lid Bpr Wft, art. 10, zesde lid Besluit bestuurlijke boetes financiële sector, art. 1:80 en bijbehorende bijlage en art. 1:81 Wft.
Zie hoofdstuk 8, par. 8.2.6. Op het moment van afronding van dit proefschrift is overigens nog niet zeker dat het tuchtrecht daadwerkelijk in België zal worden ingevoerd.
Hoofdstuk 8, par. 8.7.2. Het doel van deze informatiedeling is niet zozeer gelegen in het voorkomen van samenloop tussen (accountants-) tuchtrecht en toezicht, maar van samenloop van klachten. Anders dan in het bancair tuchtrecht is de AFM tot het indienen van dergelijke klachten bevoegd. Zie hoofdstuk 8, par. 8.2.4.
Zie hoofdstuk 8, par. 8.6.4 en 8.6.5.
Art. 7.2 Tuchtreglement. Deze aanbeveling is gebaseerd op de stand van zaken per 1 juni 2020.
Inschrijvingen in het tuchtrechtelijk Register zijn beperkt in zowel inschrijvingsduur (drie jaar) als de op te nemen maatregelen (beroepsverbod), zie hoofdstuk 8, par. 8.6.4. Het Belgische wetsvoorstel kent deze beperkingen niet.
Hoofdstuk 8, par. 8.6.4.
Zie hoofdstuk 8, par. 8.5.4.
Hoofdstuk 8, par. 8.8.3. Komt een persoon of organisatie niet voor op de limitatieve lijst, dan kan de toezichthouder de informatie pas opvragen wanner het dossier hiertoe aanleiding geeft.
(1) Verduidelijk de meldplicht voor banken
In het licht van bovenstaande conclusies wordt, in de eerste plaats, aanbevolen om de meldplicht van banken ten aanzien van tuchtrechtelijke informatie te verduidelijken. Op de banken rust de verplichting om de toezichthouder onverwijld te informeren wanneer sprake is van nieuwe informatie of antecedenten die een ander licht kunnen werpen op de vereiste betrouwbaarheid (art. 34 Bpr Wft). Hieronder vallen in ieder geval de antecedenten die staan opgenomen in Bijlage A bij art. 6 Bpr Wft. Hoewel op deze Bijlage melding wordt gemaakt van disciplinaire procedures en maatregelen kan er twijfel bestaan of hieronder ook het bancair tuchtrecht moet worden begrepen. Aanbevolen wordt om dit te expliciteren. Hiermee wordt bevorderd dat de banken de toezichthouder onverwijld op de hoogte stellen wanneer een beleidsbepaler, interne toezichthouder of een lid van het tweede echelon aan een tuchtrechtelijk procedure wordt onderworpen (“onderworpen is”) of is geweest. De toezichthouder zal zo al in een vroeg stadium kunnen beoordelen of de informatie een ander licht werpt op de eerder vastgestelde betrouwbaarheid of geschiktheid. Het risico op onnodige, dubbele procedures neemt hierdoor af.
Een dergelijke explicitering zou ook de rechtszekerheid ten goede komen, nu het niet-nakomen van deze meldingsplicht kan worden bestraft met een bestuurlijke boete van de tweede categorie (basisbedrag € 500.000).1
(2) Onderzoek de mogelijkheden van een systematische vorm van informatievoorziening
In de tweede plaats wordt aanbevolen om te onderzoeken of in het Nederlandse bankentuchtrecht een systeem van reguliere informatievoorziening kan worden ingevoerd, zodat de relevante tuchtrechtelijke informatie rechtstreeks ter kennis wordt gebracht van de toezichthouder. Een dergelijke systeem maakt de toezichthouder minder afhankelijk van meldingen van de banken, zoals besproken onder aanbeveling (1). De meldingsplicht van de banken is bovendien beperkt tot personen die aan toetsingen zijn onderworpen: dagelijks beleidsbepalers, interne toezichthouder en leden van het tweede echelon. Tuchtrechtelijke informatie over andere bankmedewerkers valt hier buiten, en zal ook niet steeds als “incident” aan de toezichthouder hoeven te worden gemeld.
In dit verband kunnen ideeën worden ontleend aan het wetsvoorstel tot invoering van een bankierseed en tuchtrecht in België. In dit wetsvoorstel is bepaald dat alle tuchtrechtelijke beslissingen in beroep en hoger beroep onmiddellijk ter kennis worden gebracht van de toezichthouders, waarna de toezichthouders het volledige dossier van de procedure ter inzage kunnen opvragen.2 In het Nederlandse rechtssysteem zouden verge lijkbare bepalingen kunnen worden opgenomen in art. 3:17c, tweede lid, Wft of de in het derde lid van dit artikel genoemde amvb.
Het Belgische wetsvoorstel ziet echter niet op informatie over lopende tuchtrechtelijke onderzoeken. Het Nederlandse accountantstuchtrecht gaat in dit opzicht een stap verder. De secretaris van de accountantskamer doet periodiek opgave bij de AFM van alle ingediende tuchtklachten tegen accountants, vergezeld van een beschrijving van de aard en inhoud van de klacht. Desgevraagd worden ook de betreffende processtukken aan de AFM verstrekt.3 Met een vergelijkbaar systeem van informatiedeling in het bancair tuchtrecht zou kunnen worden gewaarborgd dat toezichthouders al in een vroeg stadium over mogelijke, voor het toezicht relevante aspecten worden geïnformeerd. Deze oplossing lijkt het beste tegemoet te komen aan de door de wetgever beoogde “filterfunctie”, zoals hiervoor besproken. Wel zou de wetgever hier een proportionaliteitsafweging dienen te maken en zal onder meer rekening moeten worden gehouden met de privacybescherming van lager geplaatste medewerkers, bijvoorbeeld door de op hen betrekking hebbende dossiers in eerste instantie slechts geanonimiseerd aan de toezichthouders te verstrekken.4
(3) Introduceer een inzagerecht in het Tuchtrechtelijk Register
De aanbevelingen onder (1) en (2) vereisen een aanpassing van de betreffende wetgeving en/of amvb’s. Als tussenstap zou de toezichthouder (alvast) een inzagerecht kunnen worden verleend in het Tuchtrechtelijk Register. In dit Register worden de opgelegde maatregelen, en minnelijke schikkingen die tevens een maatregel bevatten, geregistreerd.5 Het Register kan op dit moment slechts door de banken worden geraadpleegd. Net als in het Belgische wetsvoorstel kan met een inzagerecht worden voorkomen dat de toezichthouders een persoon goedkeuren voor een positie bij, bijvoorbeeld, een verzekeraar terwijl hij of zij eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld wegens (wan-)gedrag in een (vorige) functie bij een bank.6 De effectiviteit van zowel het tuchtrecht als het toezicht zal hierdoor toenemen. Voor de toezichthouder heeft een inzagerecht daarnaast als voordeel dat dit efficiënter is dan het opstellen van een formeel informatieverzoek, terwijl voor de betrokken persoon kan meewegen dat met een inzagerecht de vertrouwelijkheid van een lopend (her-)toetsingsonderzoek beter kan worden gegarandeerd.7
Informatievoorziening conform het Belgische systeem of conform het accountantstuchtrecht zou echter effectiever zijn. In deze systemen is geborgd dat niet alleen de opgelegde sancties ter kennis komen van de toezichthouder, maar ook de onderliggende stukken en informatie over tuchtprocedures die niet in een maatregel hebben geresulteerd. Dit laatste kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een beleidsbepaler de Gedragsregels niet heeft aanvaard (en de bankierseed niet heeft afgelegd), hetgeen van belang is voor de beoordeling van de geschiktheid,8 of als een lager geplaatste bankmedewerker (slechts) het interne bankbeleid heeft gevolgd en daarom niet verwijtbaar heeft gehandeld. In dit laatste geval lijkt het aangewezen dat de toezichthouder na kan gaan of het bankbeleid voldoet aan de daaraan te stellen eisen.
(4) Verduidelijk de bronnen van het betrouwbaarheidsonderzoek
De toezichthouders zijn bevoegd om, in het kader van een lopend betrouwbaarheidsonderzoek, informatie op te vragen bij “organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene” (art. 7, eerste lid, onder i Bpr Wft). Deze formulering roept vragen op. De bepaling lijkt te zijn geschreven voor organisaties waarin vrije beroepsbeoefenaren zich hebben verenigd, zoals de Nederlandse Orde van Advocaten of de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, en is met de invoering van het bancair tuchtrecht niet aangepast. Het verdient aanbeveling om dit alsnog te doen. De tuchtrechtelijke informatie kan immers relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid en het zou duidelijk moeten zijn dat deze informatie bij de tuchtrechtelijke instanties kan worden opgevraagd, zoals de Stichting Tuchtrecht Banken.9