Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/7.3.4
7.3.4 Procesvertegenwoordiging: de heersende leer
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS378193:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit een gevolg van de regel in art. 2:130/240 lid 3 BW dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur of een bestuurder onbeperkt en onvoorwaardelijk is.
HR 9 juli 1990, NJ 1991/51 m.nt. Maeijer (Sluis). Vgl. Rb. Haarlem (pres.) 19 november 1992, NJ 1993/794 en HR 5 januari 1979, NJ 1979/317 (Slijkerman/Volkshogeschool ’t Oldörp).
T&C Ondernemingsrecht/Josephus Jitta, art. 2:350 BW, aant. 2 (online bijgewerkt tot 4 december 2015).
OK 25 april 2002, JOR 2002/219 (Kai San Holding BV), r.o. 3.2.
OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 m.nt. Leijten (Smit Transformatoren), r.o. 3.1 en 3.2.
Zo ook Leijten en Nieuwe Weme (2012), p. 136.
Bij privaatrechtelijke Nederlandse rechtspersonen strekt de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur zich ook uit tot een procesopdracht.1 Een statutaire bepaling die het voeren van rechtsgedingen onderwerpt aan een meerderheidsbesluit van het bestuur of aan de goedkeuring van een ander orgaan van de rechtspersoon, doet derhalve niet af aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur en de individuele bestuurders.2 Dit uitgangspunt is in overeenstemming met de Sluis- beschikking van de Hoge Raad.3
In de Sluis-beschikking dienen de aandeelhouders van Sluis BV (verder: Sluis) een enquêteverzoek in. Een van de twee zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegde bestuurders staat achter het verzoek. De andere bestuurder niet. Hij laat namens Sluis een verweerschrift indienen. De verzoekende aandeelhouders voeren aan dat er geen besluit van het bestuur van de vennootschap is om het verweerschrift in te dienen. Zij betogen (kennelijk) dat de OK het verweerschrift niet in behandeling kan nemen. De OK verwerpt deze stelling met een beroep op de vertegenwoordigingsregels, die meebrengen dat een bestuursbesluit voor het verrichten van een rechtshandeling tot het voeren van verweer niet vereist is. Haar oordeel blijft in cassatie in stand.
De Hoge Raad overweegt dat een zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder, behoudens misbruik van bevoegdheid, bevoegd is namens de rechtspersoon een rechtshandeling te verrichten, ook als aldus in strijd zou zijn gehandeld met een binnen de interne verhoudingen van de rechtspersoon geldende regel om een dergelijke rechtshandeling slechts te verrichten op grond van een – geldig tot stand gekomen – bestuursbesluit. De OK verwierp de stelling van de verzoekende aandeelhouders dat zij het verweerschrift niet in behandeling kon nemen dan ook met een beroep op de vertegenwoordigingsregels. Zo kon zij kennisnemen van het verweerschrift en daarmee van alle standpunten binnen het bestuur van Sluis. De OK dient bij haar beslissing om al dan niet een enquêteverzoek toe te wijzen namelijk de belangen van de betrokken partijen af te wegen.4
Tegen dezelfde achtergrond moeten ook twee andere gevallen waarin de OK verweerschriften in behandeling neemt die zijn ingediend door bestuurders die daartoe niet zelfstandig vertegenwoordigingsbevoegd zijn, worden bezien. In de Kai San Holding- beschikking oordeelt de OK dat aan de verzoekende aandeelhouder in redelijkheid geen beroep toekomt op de onbevoegdheid van een van de twee bestuurders om zelfstandig namens de vennootschap verweer te voeren, nu aan het enquêteverzoek de onoplosbare patstelling tussen de twee bestuurders van de BV ten grondslag ligt.5 In de Smit Transformatoren-beschikking verschijnt de vennootschap in het geding door de indiening van twee verweerschriften die goeddeels diametraal van elkaar verschillen. Beide verweerschriften betogen dat het andere verweerschrift onbevoegd is ingediend. De OK oordeelt dat een beslissing op de juistheid van deze stellingen achterwege kan blijven, omdat de verwerende vennootschap niet in enig (processueel) belang wordt geschaad indien de OK kennisneemt van beide verweerschriften.6 Het achterliggende doel van deze overwegingen is dezelfde als in de Sluis-beschikking: kennisname van de verweerschriften zodat de OK een overzicht heeft van alle standpunten binnen het bestuur van de verwerende vennootschap. Deze uitspraken staan derhalve evenmin in de sleutel van ontvankelijkheid, net als de Sluis-beschikking.
Ondanks dat het oordeel van de Hoge Raad in Sluis in algemene termen is geformuleerd (‘rechtshandeling namens de rechtspersoon’), moet de achtergrond van de beschikking mijns inziens niet uit het oog worden verloren. De vraag of de OK het verweerschrift in behandeling kon nemen, staat in de sleutel van het voeren van verweer, niet in de sleutel van de ontvankelijkheid. Gelet op de in § 7.3.2 genoemde gevolgen van de toepassing van de vertegenwoordigingsregels (het richtlijnstelsel) op de rechtshandeling tot het indienen van een enquêteverzoek, is de regel uit de Sluis-beschikking mijns inziens minder geschikt voor de situatie waarin de vennootschap een enquêteverzoek bij zichzelf indient. Daarnaast is het de vraag of de vertegenwoordigingsregels (en dus de regel uit de Sluis-beschikking) wel van toepassing zijn op een vertegenwoordiging in rechte waarbij de rechten en plichten van derden jegens de vennootschap niet rechtstreeks in het geding zijn.7 Voor het antwoord op die vraag is de reikwijdte van de vertegenwoordigingsregels, zoals die volgt uit de Eerste Richtlijn, van belang. Op dit vraagstuk ga ik hierna eerst in.