Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489867:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De minister baseerde zich onder meer op een onderzoek dat was uitgevoerd door het instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen te Nijmegen in samenwerking met de faculteit Bedrijfskunde van de Universiteit Twente (Looise/De Lange 1987).
Dat de vrees van de minister niet geheel ongegrond was en dat een strikte scheiding van de diverse fases in het besluitvormingsproces de ondernemingsraad voor problemen kan stellen, zien we terug in een uitspraak van de Ondernemingskamer van 26 oktober 1989 (ROR 1989, nr. 29). Daarin wordt overwogen dat ‘het ontbreken van overleg in de fase voorafgaand aan de adviesaanvraag betreffende een voorgenomen besluit niet relevant is, omdat in die fase nog niet kan worden gesproken van een voorgenomen besluit in de zin van art. 25 WOR’.
SER-advies 1992/07, p. 19-20.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 615, nr. 3, p. 10.
Wat de toegevoegde waarde van de regeling is voor besluiten in de zin van art. 27 WOR, kan men zich afvragen. De aanvulling van art. 24 lid 1 WOR hangt samen met de spanning die gesignaleerd wordt tussen de leden 2 en 3 van art. 25 WOR. Een dergelijke spanning zien we niet bij art. 27 WOR, nu een met art. 25 lid 2 vergelijkbare bepaling daarin ontbreekt. De verklaring voor dit ontbreken moet zijn dat de betrokkenheid van de ondernemingsraad bij art. 25 WOR besluiten een ander karakter heeft dan die bij art. 27 WOR besluiten. Bij de eerste categorie gaat het om beïnvloeding in de fase van totstandkoming van het besluit, bij de tweede om instemming nadat zij tot stand zijn gekomen. Het knelpunt dat instemming wordt gevraagd op een zo laat moment dat van wezenlijke beïnvloeding geen sprake meer kan zij, zal zich bij art. 27 WOR besluiten dan ook niet voordoen.
Kamerstukken II 1996-1997, 24 615, nr. 52. Dit nadere amendement verving amendement onder nr. 37, waarin nog sprake was van ‘projecten en besluiten’. Dat de Kamerleden ook spreken van het wat vage begrip projecten is wellicht ingegeven door de adviesaanvrage van de minister uit 1989, te vinden in SER-advies 92/07, p. 77. De minister spreekt van het informeren van de ondernemingsraad over ‘belangrijke beleidsbeslissingen en projecten’. Amendement onder nr. 37 verving op zijn beurt amendement onder nr. 20, waarin slechts bepaald was dat de afspraken betrekking zouden hebben op de wijze (en dus niet op het tijdstip) waarop de ondernemingsraad betrokken zou worden.
Verburg 1998, p. 364-367.
Sprengers 1998, p. 367-370.
De Wet van 14 februari 1998 tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en Titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het nieuw Burgerlijk Wetboek, Stb. 1998, 107.
Verburg 1998, p. 366.
In de zojuist al genoemde adviesaanvrage aan de SER uit augustus 1989 noemt minister De Koning als een van de knelpunten in de Wet op de ondernemingsraden, de verhouding tussen de leden 2 en 3 van art. 25.1 Als de ondernemer het vragen van advies uitstelt tot het moment dat hij kan aangeven wat de te verwachten gevolgen van het voorgenomen besluit zijn (art. 25 lid 3), dan zou het besluitvormingsproces inmiddels zo ver gevorderd kunnen zijn dat het de vraag is of het advies nog wel van wezenlijke invloed op het te nemen besluit zal zijn (art. 25 lid 2 WOR).2 In de praktijk onderving (en ondervangt) men dit knelpunt met gefaseerde adviesaanvragen en door het maken van specifieke afspraken. De minister zag een oplossing in het opleggen van de verplichting om in het kader van het reguliere overleg over de algemene gang van zaken van de onderneming (art. 24 lid 1 WOR) óók te bespreken op welke wijze de ondernemingsraad bij een inmiddels aangevangen besluitvormingsproces betrokken zou worden. De SER achtte een wetswijziging niet nodig om het door de minister beoogde resultaat te bereiken.3 Op grond van art. 31a lid 6 WOR was de ondernemer al gehouden de ondernemingsraad juíst ten behoeve van dat reguliere overleg te informeren omtrent zijn verwachtingen met betrekking tot aangelegenheden als bedoeld in art. 25 WOR.4 De ondernemingsraad zou dus onder de bestaande wet reeds kunnen verlangen vroegtijdig bij de besluitvorming betrokken te worden. De minister laat zich door de SER overtuigen: bij een daadwerkelijke benutting van de bestaande regels hoeft van een knelpunt geen sprake te zijn.5 Op dit laatste zijn de Kamerleden Schimmel en Middel minder gerust. In de praktijk zou volgens hen blijken dat ondernemers en ondernemingsraden minder goed in staat zijn afspraken te maken dan de minister veronderstelt. Zij stellen dan ook bij amendement voor in art. 24 lid 1 WOR op te nemen dat de ondernemer in de reguliere overlegvergadering mededeling doet van art. 25 en art. 27 WOR6 besluiten die hij in voorbereiding heeft, en dat de ondernemer en de ondernemingsraad afspraken maken over het betrekken van de raad in dat proces.7 Verburg spreekt van een karige onderbouwing van de stelling dat in de praktijk geen afspraken gemaakt zouden kunnen worden,8 Sprengers heeft het over een wijziging die meer procedureel van aard dan echt inhoudelijk is.9 Wat daarvan zij, de minister heeft geen bezwaar tegen de aanvulling,10 die dan ook met ingang van 4 maart 1998 in de wet is opgenomen.11 Of hiermee in algemene zin een toereikende oplossing in het leven is geroepen voor het gesignaleerde knelpunt, is maar de vraag. Art. 24 lid 1 WOR beperkt de gehoudenheid tot het doen van mededelingen en het maken van afspraken immers tot de reguliere overlegvergaderingen (‘in dat kader’). Een deel van de voorgenomen besluiten valt dus buiten het bereik van de regeling. Verburg wees hier ook al op.12 In dat licht had de wetgever er verstandiger aan gedaan de verplichting in art. 23 lid 2 WOR op te nemen.