Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/9.5.10.3
9.5.10.3 De geheimhoudingsplicht; het overdragen van zakengeheimen en vertrouwelijke informatie
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS578690:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
GvEA EG 18 september 1996, zaak T-353/94 (Postbank), Jur. 1996, p. 11-921; Nazzini 2004, p. 230, § 8.68.
Nazzini 2004, p. 230, § 8.68.
SamenwerkingsMededeling, punt 23; GvEA EG 18 september 1996, zaak T-353/94 (Postbank), Jur. 1996, p. lI-921, r.o. 86-87; HvJ EG 7 november 1985, zaak 145/83 (Adams), Jur. 1985, p. 3539, r.o. 34. Zakengeheimen dienen zelfs nog meer te worden beschermd tegen openbaarmaking dan vertrouwelijke informatie.
Zie de SamenwerkingsMededeling, punt 24; GvEA EG 18 september 1996, zaak T-353/94 (Postbank), Jur. 1996, p. 11-921.
Zie de SamenwerkingsMededeling, punt 25.
SamenwerkingsMededeling, punt 26; HvJ EG 6 december 1990, zaak C-2/88 Imm. (Zwartveld), Jur. 1990, p. 1-4405, r.o. 10 en 11; HvJ EG 26 november 2002, zaak C-275/2000 (First en Franex), Jur. 2002, p. 1-10943, r.o. 49; GvEA EG 18 september 1996, zaak T-353/94 (Postbank), Jur. 1996, p. 11-921, r.o. 93.
In artikel 287 EG is bepaald dat de leden van de instellingen van de Gemeenschap, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Gemeenschap zijn gehouden, zelfs na afloop van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard vallen onder de geheimhoudingsplicht en met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken. Deze bepaling van primair gemeenschapsrecht prevaleert boven secundair gemeenschapsrecht zoals de artikelen 15 Verordening 1/2003 en 28 Verordening 1/ 2003.
Hoewel op het eerste gezicht uit artikel 287 EG lijkt af te leiden dat de Commissie dergelijke vertrouwelijke informatie niet mag overdragen aan de nationale rechter, ligt de zaak genuanceerder. Uit artikel 10 EG (de gemeenschapstrouw) vloeit immers voort dat de Commissie en de nationale rechter met elkaar moeten samenwerken en informatie moeten delen voor zover dat noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstellingen van het EG-Verdrag.1 Een strikte toepassing van artikel 287 EG zou ook de effectieve en uniforme handhaving van het gemeenschapsrecht in gevaar brengen.2 Nazzini wijst op het feit dat de artikelen 15 lid 1 Verordening 1/2003 en 28 Verordening 1/2003 in deze context moeten worden gelezen. Het is de Commissie niet per definitie verboden om aan de nationale rechter inlichtingen te verstrekken die onder de geheimhoudingsplicht vallen. Het gaat dan om vertrouwelijke informatie en om zakengeheimen. Onder de noemer zakengeheimen worden inlichtingen verstaan waarvan niet enkel de openbaarmaking aan het publiek, maar ook de overlegging aan een ander rechtssubject dan dat waarvan de inlichting afkomstig is, de belangen van laatstbedoeld subject ernstig kan schaden.3 De nationale rechter moet de Commissie in dat geval wel de garantie geven dat de bescherming van artikel 287 EG wordt gewaarborgd.4 Alleen ingeval de nationale rechter garandeert dat hij de vertrouwelijke inlichtingen en zakengeheimen zal beschermen, verstrekt de Commissie de gevraagde inlichtingen. De Commissie dient daarbij aan te geven welke delen onder het beroepsgeheim vallen en welke daar niet onder vallen en dus openbaar mogen worden gemaakt.5 Zie ook mijn bespreking in § 5.4.9.3 (het stappen-plan gebaseerd op de SamenwerkingsMededeling van de Commissie).
Informatie die vrijwillig werd verstrekt door (rechts)personen die een beroep doen op de clementieregeling wordt niet aan de nationale rechters toegezonden zonder toestemming van de aanvrager. Het is de Commissie namelijk toegestaan om te weigeren informatie te verstrekken aan de nationale rechter op grond van dwingende redenen in verband met de noodzaak om de belangen van de Gemeenschap te beschermen of te voorkomen dat de Gemeenschap in haar functioneren en onafhankelijkheid wordt belemmerd, in het bijzonder doordat de vervulling van de haar opgedragen taken in gevaar wordt gebracht.6 Zie over de verhouding met de clementieregeling ook § 5.4.9.3 en mijn bespreking in § 9.5.9.5.