Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/3.2.1
3.2.1 De eerste Franse koloniale golf
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181121:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Faberon & Ziller 2007, p. 14 e.v.
Idem, p. 15. J. Frémeaux, Les empires coloniaux. Une histoire-monde, Paris: CNRS Éditions 2002; M. Ferro, Histoire des colonisations. Des conquêtes aux indépendances xiiie-xxe siècle, Paris: Éditions du Seuil, 1994.
Dit is de Franse pendant van de West-Indische Compagnie.
L’île de Mascarin – thans La Réunion – kwam pas in 1664 onder het bewind te staan van de Compagnie.
Behalve Saint-Domingue. Die is tot 1724 beheerd door de Compagnie des Indes occidentales. Faberon, Ziller 2007, p.16.
Ook de slavenopstand in ‘la Perle des Antilles’ – Saint-Domingue – in 1791 had desastreuze gevolgen voor Frankrijk. Deze opstand leidde in 1804 tot de onafhankelijkheid van de Republiek van Haïti. Zie hierover meer paragraaf 6.3.2 (‘Slavenopstand en assimilatiepolitiek’) van Hoofdstuk VI van dit proefschrift.
Naast deze vier koloniën had Frankrijk ook enkele handelsposten/vestigingen, te weten: Saint-Pierre-et-Miquelon, Chandernagor, Karikal, Mahé, Pondicherry, Senegal, en enkele onbewoonde eilanden: Tromelin, Crozet en Kerguelen. Faberon, Ziller 2007, p. 18.
La Constitution du 5 fructidor an III, de 22 Août 1795.
Zie voor de opsomming van de koloniën van Frankrijk in 1795, art. 7 Franse Grondwet 1795.
Voorts is na de afschaffing van de slavernij bij decreet van 4 maart 1848 het civiele en politieke Franse staatsburgerschap verschaft aan de ingezetenen van deze vier oude koloniën. Bovendien kreeg ieder oud overzees gebied een eigen conseil général, waarvan de vertegenwoordigers vanaf 1870 rechtstreeks werden gekozen. Faberon, Ziller 2007, p. 18. Zie over de ontwikkeling van het Franse burgerschap in de overzeese gebiedsdelen Hoofdstuk VI van dit proefschrift.
Faberon, Ziller 2007, p. 31-32: “Dès 1838, le conseil colonial de la Guadeloupe émit le vou de voir la colonie devenir un département. Lors du débat sur l’adoption du sénatus-consulte du 3 mai 1854, qui réglait le régime des colonies, le sénateur d’Audiffret-Pasquier fit une proposition du même ordre. Le sénateur de la Martinique Lareinty intervient dans le même sens en 1865. Sous la IIIe République, les conseils généraux de la Martinique et de la Guadeloupe demandèrent la transformation de leur colonie en département par trois fois, en 1874, 1881 et 1882. Dès 1890, les sénateurs Isaac, de la Guadeloupe, et Allègre, de la Martinique, déposèrent au Sénat une proposition de loi «ayant pour objet de régler l’organisation des colonies de la Guadeloupe et de la Martinique» en vue de leur classement en départements français. En 1891, un projet de loi similaire fut depose devant le Sénat au nom du Gouvernement, par Jules Roche, minister du Commerce et de l’Industrie. Une autre proposition dans ce sens fut déposée en 1915 par les deputes Boisneuf, de la Guadeloupe et Lagrosillière, de la Martinique, puis en 1919 par le député de la Martinique Lémery et par le même, devenu sénateur, le 25 janvier 1923. Toutes ces initiatives restèrent sans succès.”
Faberon, Ziller 2007, p. 31 e.v.
Art. 1 La Loi de départementalisation du 19 mars 1946 (n° 46-451) luidt: “Les colonies de la Guadeloupe, de la Martinique, de la Réunion et de la Guyane française sont érigées en départements français.”
Het Franse koloniale imperium heeft twee grote golven gekend die in de Franse literatuur worden onderscheiden met le premier empire colonial en le deuxième empire colonial.1 De beginpunten van de veroveringen in de eerste koloniale golf, die waren gericht op vestiging in de Cariben, Amerika, de kust van Afrika en het Verre Oosten, stammen uit de zeventiende eeuw. In 1604 installeerden de Fransen zich voor het eerst in Guyana, en vervolgens in Guadeloupe en Martinique, en in 1635 stichtten de Fransen koloniën in deze drie gebieden.2 Enige tijd later, in 1664, werd een belangrijk koloniaal bezit gevestigd in het westen van het eiland Hispaniola, namelijk Saint-Domingue (thans Haïti). De in 1635 in het leven geroepen Compagnie des Isles d’Amérique,3 die in 1664 door Jean-Baptiste Colbert werd omgedoopt tot de Compagnie des Indes occidentale, kreeg het beheer over de Franse Antillen tot in 1674.4 Na afloop van dit mandaat van de compagnie kwam de Franse West onder bewind te staan van de Franse kroon, die toentertijd werd gedragen door Lodewijk XIV.5 Het Franse imperialisme van de zeventiende eeuw beperkte zich echter niet alleen tot Amerika, maar breidde zich uit naar koloniën en/of handelsposten in Afrika (Senegal), Indië (onder andere Chandernagore, Pondichery) en rondom de Indische Oceaan (waaronder het eiland van Mascarin – zoals voor de Franse Revolutie werd verwezen naar het huidige La Réunion).
De reeks oorlogen die door Frankrijk werden gevoerd vanaf het midden van de achttiende eeuw, waaronder de Oostenrijkse Successieoorlog, de Zevenjarige Oorlog en de met de Franse Revolutie gepaard gaande Eerste Coalitieoorlog, hebben geleid tot een verzwakking en uiteindelijk tot de geleidelijke instorting van het eerste Franse koloniale rijk.6 Het gevolg hiervan was dat de koloniën van Frankrijk werden geannexeerd door het Verenigd Koninkrijk en het was pas in 1802, bij het Verdrag van Amiens, dat deze werden geretourneerd aan Frankrijk. Vanaf 1809 tot 1814 zijn Martinique en Guadeloupe opnieuw bezet geweest door Engeland en vanaf 1809/1810 tot 1814 zijn Guyana respectievelijk La Réunion bezet door Portugal. Aan het einde van de Napoleontische Oorlogen, bij het Verdrag van Parijs, kreeg Frankrijk het volledige beheer over de volgende vier gebieden: Guadeloupe, Martinique, Guyana en La Réunion.7 Het zijn ook deze vier gebieden die in de Franse literatuur bekend zijn komen te staan onder de naam les quatre vieilles colonies.
Sinds de Grondwet van de derde Franse Republiek uit 17958 is geleidelijk aan gepoogd de toenmalige Franse koloniën,9 waaronder les vieilles colonies, te incorporeren in het Frans-constitutioneelrechtelijke departementale systeem. Uit kracht van art. 6 van de Grondwet uit 1795 waren de Franse koloniën ‘parties intégrantes de la République, et sont soumises à la même loi constitutionnelle’.10 Sinds 1795 hebben meerdere voorstellen op initiatief van deze overzeese gebiedsdelen de revue gepasseerd teneinde de toenmalige Franse koloniën om te dopen tot Franse (overzeese) departementen.11 Deze voorstellen waren echter zonder enig resultaat.12 De formalisering van de vier oude koloniën als Franse overzeese departementen, zoals de Franse metropool was verdeeld in departementen, liet op zich wachten tot het jaar 1946, met de inwerkingtreding van La Loi de départementalisation du 19 mars 1946.13 Hierop zal verderop in dit hoofdstuk worden ingegaan. Eerst volgt een korte beschrijving van de tweede koloniale golf die Frankrijk in de negentiende eeuw heeft gekend en die van eminent belang is geweest voor het onderscheid dat in de VierdeFranse Republiek van 1946 is gemaakt tussen aan de ene zijde overzeese departementen (départements d’outre-mer) en aan de andere zijde overzeese territoria (territoires d’outre-mer).