Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/2.5.1
2.5.1 Art. 3:81 lid 3, eerste volzin BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491117:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/20; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2) 2017/480; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/605, 639; Fesevur 2005, p. 196.Het oud BW kende geen bepaling over de relatieve werking van vermenging. In de literatuur werd wel algemeen aangenomen dat vermenging relatieve werking had. Zie: Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 309; Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Overgangsrecht, p. 87-88; J.E. Jansen 2007, p. 86-91; Pitlo/Brahn, Zakenrecht 1987, p. 321, 378; Asser/Beekhuis 3-I 1985/20; Asser/Beekhuis 3-I 1980, p. 16-17; Pitlo, Zakenrecht 1972, p. 288, 333, 418; Broekema 1968, p. 7; Völlmar II 1951, nr. 433, 438, 458, 515; Suijling I 1948, nr. 64; Hofmann 1944, p. 327, 338, 382 (met veel verwijzingen); Suijling V 1940, nr. 83, 313, 358, 385; Veegens/Oppenheim II 1925, p. 138, 155, 180; Oostwoud Wijdenes 1889, p. 30-31, 43; Diephuis VI 1886, p. 492, 607; Diephuis VII 1886, p. 22, 92, 115-116, 289, 506-507; Land II 1902, p. 311, 320, 400; Asser/Scholten Zakenrecht 1945, p. 306 (aarzelend), 324, 357; Wattel 1878; W. Modderman 1867, p. 96-98; Cremers 1861; Anoniem 1859. Anders: S.M.S. Modderman 1859, p. 277-278. Zie ook: hof Groningen 22 februari 1853, W 1432 (Janzonius/Bos). Bevestigd door HR 20 januari 1854, W 1509 (Havinga Janssonius/Bos), maar de Hoge Raad bespreekt de relatieve werking niet omdat daartegen geen cassatiemiddel is gericht. De commissie overgangsrecht van de KNB schrijft dat onder het oude recht degene die een recht van hypotheek heeft op een recht van erfpacht, de volle eigendom kan executeren als de erfpachter de blote eigendom ‘erbij’ verkrijgt (Kwartaalbericht Nieuw BW 1985/2, p. 49; WPNR 1985, afl. 5744, p. 444). Dit lijkt een misvatting te zijn. Vgl. Ontwerp 1898, art. 190, 212, 235, 244, 281.
Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 311.
18. Op een recht van erfpacht rust een hypotheek. Bij het tenietgaan van de erfpacht, gaat de hypotheek in beginsel ook teniet (art. 3:81 lid 2, aanhef en onder a BW). Een beperkt recht kan niet bestaan zonder object waarop het rust. De eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW maakt een uitzondering op die regel, voor het geval de erfpacht door vermenging tenietgaat. Vermenging werkt niet ten nadele van hen die op het tenietgaande recht op hun beurt een beperkt recht hebben. Dit wordt de relatieve werking van vermenging genoemd.1 De relativering heeft tot gevolg dat de hypotheek blijft voortbestaan. De hypotheekhouder kan onverkort verhaal nemen op de erfpacht.
Volgens de letter van de wet is hier geen sprake van een beperkt recht op een eigen zaak: de erfpacht gaat teniet. De relativering leidt er echter toe dat de erfpacht in zekere zin blijft bestaan. De parlementaire geschiedenis spreekt van ‘een rechtstoestand als ware het door vermenging tenietgaande recht nog in stand gebleven’.2 De hypotheekhouder heeft er belang bij dat de erfpacht blijft voortbestaan. Daardoor kan hij onverminderd daarop verhaal nemen. De eerste volzin van art. 3:81 lid 3 BW beschermt de hypotheekhouder. In hoofdstuk 9 komt art. 3:81 lid 3 BW uitgebreider aan bod en wordt onderzocht hoe die bepaling dient te worden opgevat.