Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/7.2.2
7.2.2 Dekolonisatie Nederlands-Indië en de Nederlands-Indonesische Unie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181151:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Willem Schermerhorn vertegenwoordigde de Nederlandse belangen bij de onderhandelingen die hebben geleid tot het Akkoord van Linggadjati. Over zijn ervaringen, zie: C. Smit, W. Schermerhorn, Het akkoord van Linggadjati: Uit het dagboek van prof. dr. ir. W. Schermerhorn, voorzitter der commissie-generaal voor Nederlands-Indië, 14 september 1946 – 18 september 1947, Uitgave van het Nederlands Historisch Genootschap Utrecht 1970. Zie ook: Frederik Erens, Adrienne Zuiderweg, Linggadjati, brug naar de toekomst: Soetan Sjahrir als een van de grondleggers van het vrije Indonesië, Amsterdam: KIT Publishers 2009; J.H.A. Logemann, ‘Het nieuwe staatsrecht’, NJB 1950, p. 1-7; Nick Efthymiou, ‘Vooroorlogse lijnen naar het akkoord van Linggadjati’, in: P.L. Nève, E.C. Coppens (red.), Pro Memorie. Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden, Hilversum: Uitgeverij Verloren 2007, 9e jaargang, aflevering 2, p. 149-171.
Zoals hiervoor opgemerkt werd tot 1948 gebruikt gemaakt van ‘Curaçao’ of ‘Curaçao en onderhorigen’ om de zes eilanden (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba) te duiden. Nadien werden zij ondergebracht in de Nederlandse Antillen.
Met betrekking tot Nederlands Nieuw-Guinea waren onderhandelingen in de gang gezet over de volkenrechtelijke positie hiervan. Bij de soevereiniteitsoverdracht van NederlandsIndië in 1949 bleef Nieuw-Guinea deel uitmaken van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Wel was overeengekomen dat binnen een jaar overeenstemming moest worden bereikt tussen Indonesië en het Koninkrijk der Nederlanden over Nieuw-Guinea. Deze onderhandelingen verliepen echter moeizaam. In augustus 1962 werd de soevereiniteit over Nieuw-Guinea overgedragen aan de Verenigde Naties. In mei 1963 werd de soevereiniteit over Nieuw-Guinea overgedragen aan Indonesië. Zie over de kwestie van Nieuw-Guinea nader: B.V.A. Röling, Nieuw-Guinea als wereldprobleem, Assen: Van Gorcum 1958.
Art. 2 lid 2 Uniestatuut (Stb. 1949, no J 570).
H.J. Marius Gerlings stelt dan ook terecht: “Formeel is de Nederlands-Indonesische Unie tot stand gekomen, maar het als groots bouwwerk geconstrueerde lichaam bleek doodgeboren.” H.J. Marius Gerlings, ‘Het Koninkrijksstatuut’, Nieuwe West-Indische Gids, 48e jaargang, no 2/3, 1971, p. 136.
Wel werd in het Uniestatuut, in het bijzonder art. 24, een en ander geregeld ten aanzien van de positie van de staatsburgers van beide staten op het grondgebied van de andere staat. Zo bepaalde art. 24 lid 1 onder a dat de nationaliteit van staatsburgers van de ene deelgenoot geen bezwaar zal zijn voor het bekleden van ambten in het rechtsgebied van de andere deelgenoot, ‘behoudens ten aanzien van: 1. Ambten waarvan de bekleder verantwoordelijk is tegenover een vertegenwoordigend lichaam, behoudens uitzonderingen, die de wet mocht bepalen, 2. Die politieke gezagdragende, rechterlijke en leidende ambten die door de wet worden aangewezen […].’ Lid 2 van dezelfde bepaling maakt uit dat in geen geval de staatsburgers van de ene staat op het rechtsgebied van de andere staat een ongunstiger behandeling zullen ondervinden dan staatsburgers van een derde staat. Voor de overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië ten aanzien van het Nederlandse dan wel het Indonesische burgerschap, zie: Overeenkomst betreffende toescheiding van staatsburgers, opgenomen in de Wet van 21 december 1949, Stb. J 570 voor de toescheiding van het Nederlanderschap voor Indonesië. D.P. van den Bosch, ‘Toescheiding van nationaliteit’, Digitale publicatiereeks Recht en Overheid 2012.
Paragraaf 6.3.3 (‘Het sluitstuk van de idealen van 1789: de Loi Lamine Guèye (1946) en de Loi-cadre Defferre (1956)’). Zie art. 80 Constitution de 1946 en art. 77, derde volzin, Constitution de 1956, geraadpleegd via https://mjp.univ-perp.fr/france/co1958-0.htm#XII.
Loi constitutionnelle n° 95-880 du 4 août 1995 portant extension du champ d’application du référendum, instituant une session parlementaire ordinaire unique, modifiant le régime de l’inviolabilité parlementaire et abrogeant les dispositions relatives à la Communauté et les dispositions transitoires, J.O.R.F. du 5 août 1995, p. 11744, Chapitre IV (Abrogation des dispositions relatives à la Communauté et des dispositions transitoires).
Zoals hiervoor opgemerkt was het belang van de overzeese gebieden in de Oost groter dan dat in de West. Zo werd de opdracht van de Grondwetsherziening van 1922 om wetten tot stand te brengen over de constitutionele inrichting van de overzeese gebieden, in de Oost (veel) eerder uitgevoerd en geïmplementeerd dan voor de koloniën in de West. De Wet op de Staatsinrichting van Nederlandsch-Indië kwam immers in 1926 tot stand, vier jaar na de Grondwetsherziening van 1922, terwijl de wetten op de staatsinrichting van Suriname respectievelijk Curaçao het licht zagen in 1937. De naoorlogse ontwikkelingen in Indonesië zorgden ervoor dat het door Koningin Wilhelmina beoogde plan voor een rijksconferentie werd doorkruist. Mede aangewakkerd door de internationale tendens naar dekolonisatie en gestimuleerd door de toezeggingen van Japan, zette Indonesië namelijk het vraagstuk van de soevereiniteitsoverdracht op tafel. Dit mondde uit in de eenzijdig door Indonesië uitgeroepen onafhankelijkheid in augustus 1945. Pas in december 1949, bij de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië, werd de onafhankelijkheid van Indonesië onder grote internationale druk erkend door het Koninkrijk.
De periode tussen 1945 en 1949 wordt gekenmerkt door een politieke en militaire strijd tussen beide entiteiten. Nog voor de erkenning van Indonesië door het Koninkrijk in 1949, wordt het Akkoord van Linggadjati ondertekend in maart 1947 door het Koninkrijk der Nederlanden en de eenzijdig uitgeroepen Republiek Indonesië.1 Reeds in 1947 was een van de overeengekomen punten dat het Koninkrijk de onafhankelijkheid van Indonesië zou erkennen. In dit akkoord was overeenstemming bereikt tussen beide staten dat zij samen deel zouden uitmaken van de Nederlands-Indonesische Unie – een unie bestaande uit het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Indonesië, die de gemeenschappelijke belangen van beide entiteiten zou dienen. Als onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden werden erkend: Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen2 en Nederlands Nieuw-Guinea.3 De gebieden waarop binnen de Nederlands-Indonesische Unie samenwerking zou moeten plaatsvinden, waren onder meer defensie, buitenlandse en economische betrekkingen en financiën.4 Het Hoofd van de Unie werd Koningin Juliana. De samenwerking tussen de delen van de Nederlands-Indonesische Unie zou plaatsvinden op het gebied van de executieven, en niet door middel van de parlementen van het Koninkrijk en de Verenigde Staten van Indonesië. Van deze Nederlands- Indonesische Unie kwam echter tot ongenoegen van het Koninkrijk weinig terecht. In 1956 hief de Republiek Indonesië de Nederlands-Indonesische Unie eenzijdig op.5In de tussentijd, dat wil zeggen vanaf de oprichting van de Unie tot 1956, is van de aanvankelijk geplande hechte samenwerking op de genoemde gebieden niet veel terechtgekomen.
Deze Nederlands-Indonesische Unie is derhalve weinig vruchtbaar geweest. Opvallend is dat in Frankrijk een vergelijkbare tendens is geweest om samen met de voormalige koloniën een gemeenschap op te richten. In de Hoofdstukken III en VI is gesproken over deze Communauté française. De doelen hiervan komen in hoofdlijnen overeen met het doel dat was geformuleerd voor de Nederlands-Indonesische Unie. Deze Communauté, die de opvolger was van de Union française, was eveneens een samenwerkingsverband tussen de voormalige Franse koloniën en de Vijfde Republiek. De samenwerking binnen de Communauté zou plaatsvinden op gebieden als defensie, buitenlandse betrekkingen en financiën. Deze komen overeen met de terreinen waarop de Nederlands-Indonesische Unie zou samenwerken. De president van de Franse Republiek zou eveneens de president van de Communauté zijn – evenals de Koning van de Nederlanden het Hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie zou zijn. Een relevant verschil tussen de Nederlands-Indonesische Unie en de Communauté was evenwel dat anders dan in de Communauté, de Nederlands- Indonesische Unie geen eigen burgerschap in het leven riep.6 De Communauté bracht, evenals de Union française, een eigen burgerschap met zich.7 Hoewel de Communauté reeds vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw niet een levendig bestaan leidde, werd deze de iure pas in augustus 1995 opgeheven.8 De pogingen van beide metropolen om met de voormalige koloniën een samenwerkingsverband aan te gaan waren tevergeefs.