Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/2.4
2.4 Van de Tweede Wereldoorlog tot het begin van de jaren 1970
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232596:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voorwoord van A.A. Berle bij E.S. Mason (red.), The Corporation in Modern Society, Cambridge, Massachusetts (Verenigde Staten): Harvard University Press 1964, p. xiv.
Timmerman, MvO 2020/5-6, par. 4 duidt de periode 1945-1980 aan als het tijdperk van de sociale onderneming.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/30.
Kemp 2015, par. 2.2.7.
De Jongh 2014, nr. 134.
De Jongh 2014, nr. 134.
Schuit 2008; Frentrop 2013, p. 134; Westerhuis & De Jong 2015, p. 112. Dit corporatistisch systeem legde de basis voor het Nederlandse ‘poldermodel’, waarbij besluiten geen resultante waren van een hiërarchisch systeem of de hoeveelheid kapitaal die door een aandeelhouder ter beschikking werd gesteld, maar van overleg tussen (vertegenwoordigers van) actoren die belang hadden bij het besluit. De Jong & Roëll 2005, par. 8.1.2, wijzen op het belang van dit overlegmodel tijdens de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, nu door de collectieve arbeidsonderhandelingen de loonstijgingen voor lange tijd beperkt konden worden en werknemers in ruil hiervoor inspraak kregen bij vennootschapsbesluiten die de werkgelegenheid konden raken.
Zie ook Roncaglia 2017, par. 14.1 en Frentrop 2013, p. 132. John Maynard Keynes’ meest invloedrijke boek was The General Theory of Employment, Interest and Money uit 1936. Hij legde de basis voor wat wordt aangeduid als de ‘keynesiaanse economie’ of managed capitalism, waarbij de overheid een rol wordt toegedicht om de economie te sturen door middel van specifiek daarop te voeren beleid. Een ander belangrijk boek dat uitkwam rond die tijd was The Modern Corporation and Private Property van Adolf Berle en Gardiner Means uit 1932. In hun boek betoogden Berle en Means dat er bij grote vennootschappen sprake was van een separation of ownership and control, die ertoe leidde dat de aandeelhouders van de vennootschap geen controle meer hadden over de onderneming die werd geleid door het management, waardoor overheidsbemoeienis in de vorm van regulering noodzakelijk was. Deze theorie bepaalde het onderzoek van Amerikaanse ondernemingsrechtjuristen tot aan de jaren 1980 (zie Cheffins 2013, p. 8). In Frankrijk waren soortgelijke gedachten als van Keynes al eerder opgekomen bij de ‘institutionalisten’, een afzonderlijke rechtssociologische stroming uit de katholieke corporatistische traditie. Specifiek voor het vennootschapsrecht bracht het institutionalistische gedachtengoed mee dat de nadruk werd gelegd op de onderneming als maatschappelijke organisatie in plaats van de vennootschap als kapitaalsvereniging. Die onderneming is dusdanig ingericht dat belangenpluralisme wordt gewaarborgd, met het bestuur aan het hoofd. Zie: De Jongh 2014, nr. 144 en Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2015/28, par. 3.2-3.3.
De Jongh 2014, nr. 140.
De Jongh 2014, nr. 135.
Deze begrippen hangen nauw met elkaar samen en hebben zich ontwikkeld tot de kern van ons vennootschapsrecht, zie Huizink 2020, par. 5.
Zie ook Blanco Fernández, Ondernemingsrecht 2018/29, die kritisch is op de beschreven ontwikkeling naar het institutionele denken en het gebrek aan normatieve inhoud en betekenis daarvan. Tevens kritisch: Schwarz 2018 en Raaijmakers, AA 2018. Overschrijding van de organisatorische grenzen kan volgens de Ondernemingskamer gegronde reden vormen voor twijfel aan een juist beleid, zie: Hof Amsterdam (OK) 18 juli 2018, JOR 2018/303, m.nt. D.J.F.F.M. Duynstee (Eneco), r.o. 3.18-3.24.
HR 1 april 1949, NJ 1949/465 (Doetinchemse IJzergieterij). Zie hierover ook Overkleeft 2017, par. 2.4 en De Jongh 2019, die uitgebreid ingaat op dit arrest, met behandeling van de aantekeningen van de raadsheren. Dit richtsnoer werd voor commissarissen gecodificeerd in 1971 (zie paragraaf 5.1.1 van dit proefschrift). Hoewel de wetgever niet ook tegelijk eenzelfde richtsnoer voor het bestuur heeft ingevoerd, werd al sinds het Doetinchemse IJzergieterij-arrest aangenomen dat dit richtsnoer ook gold voor het bestuur, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/122 en De Jongh 2014, nr. 165. Zie ook paragraaf 5.1.1. Overigens beschrijft Koelemeijer 1999, p. 19, dat Van der Grinten, Löwensteyn en Maeijer kritiek hadden op het Doetinchemse IJzergieterij-arrest omdat volgens de goede trouw (de huidige redelijkheid en billijkheid) alle belangen zouden moeten worden afgewogen, waarbij het vennootschappelijk belang niet bij voorbaat overwegend zou moeten zijn. Die kritiek vertoont overeenkomsten met de resultanteleer, zie daarover paragraaf 5.1.2 van dit proefschrift.
HR 21 januari 1955, NJ 1959/43, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Forumbank).
De Jongh 2014, nr. 147 en Overkleeft 2017, par. 2.5.2. De Jongh merkt hierover op dat dit arrest ook kan worden gezien als sluitstuk van een discussie over de bestuurstaak die sinds de invoering van de Wet van 1929 had gespeeld. Deze discussie ging over twee vragen: (1) hoe ruim moet de wettelijke bestuurstaak worden opgevat en (2) in hoeverre is het bestuur gehouden instructies van de AV op te volgen. Met bestuursautonomie (ook wel: bestuurszelfstandigheid) wordt bedoeld dat het bestuur niet gehouden is op het gebied van de hem door wet of statuten toegekende bevoegdheid de bevelen op te volgen van andere organen, waaronder de AV. Zie: Löwensteyn 1959, p. 57.
Overkleeft 2017, par. 2.5.
HR 8 april 1938, NJ 1938/1076, m.nt. P. Scholten (Van Gulpen & Swerts/Eugen Mehler).
Belinfante 1929, p. 77.
Belinfante 1929, p. 77. Zie hierover ook: Sanders 1952, p. 330.
Van der Heijden 1931, nr. 202. Zie hierover ook Overkleeft 2017, par. 2.2.3, die vermeldt dat deze gedachte in 1962 in de zevende druk van het handboek is losgelaten.
HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Forumbank). Zie Overkleeft 2017, par. 2.5.2 voor enige opmerkingen over de onjuiste verwijzingen van Heijmans van den Berg naar opvattingen in de literatuur.
Zie ook: Sanders 1952, p. 330. In dezelfde zin Honée 1988, nr. 9: “De Minister kon in 1928 zonder tegenspraak de algemene vergadering poneren als de hoogste macht, omdat dit destijds een algemeen geldende opvatting weergaf. Deze opvatting was een uitvloeisel van de destijds gehuldigde visie op de aard van de naamloze vennootschap. Zij werd gezien als een verenigingsverband van aandeelhouders dat verankerd is in een contractuele verhouding tussen de aandeelhouders. In deze benadering waren de aan het bestuur toegekende bevoegdheden afgeleiden van de omnipotens van de algemene vergadering. Dat betekende dat het bestuur als het ware onder instructie van de algemene vergadering stond, en voorts dat het bestuur zich bij de uitoefening van zijn taak niet behoorde te richten op andere belangen dan die van de aandeelhouders. Kortom: de vennootschappelijke structuur werd gezien als een hiërarchische waarin het bestuur en de raad van commissarissen een aan de algemene vergadering ondergeschikte positie innemen.” Zie ook Koelemeijer 1999, p. 9, met verwijzing naar verschillende bronnen in de literatuur, en voetnoot 107 van dit hoofdstuk.
Zie ook: Löwensteyn 1959, p. 1.
HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (Forumbank).
Huizink 2015, par. 3.
In vergelijkbare zin: Honée 1988, nr. 9; De Jongh 2014, nr. 148 en De Jong & Roëll 2005, par. 8.1.2. Zie hierover ook: Overkleeft 2017, par. 2.5.2.
Schwarz, GS Rechtspersonen 2019/20, art. 2:107 BW, aant. 2. In dezelfde zin: Löwensteyn 1959, p. 1-2: “Het arrest van 1955 nu bevestigde onze aanvankelijke mening, dat het bestuur beschouwd moet worden als evenknie van de A.V.”
De Jongh 2014, nr. 152. Zie ook: Van Schilfgaarde 2016, nr. 51 en Overkleeft 2017, par. 2.6.2.
De Jongh 2014, nr. 156.
Overkleeft 2017, par. 2.7.2.
Voluit: Herziening van het ondernemingsrecht. Rapport van de Commissie ingesteld bij beschikking van de Minister van Justitie van 8 april 1960, Den Haag: Staatsuitgeverij 1965.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/30.
Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken II 1969/1970, 10 751, nr. 3 (MvT), p. 8.
In dezelfde zin: Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.4. Ik licht dit nader toe in paragraaf 3.4.3 van dit proefschrift.
Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.4.
Stb 1970, 411. Zie ook: Pitlo/Raaijmakers, Ondernemingsrecht (Pitlo-serie nr. 2) 2017, par. 4.1.4.
Stb. 1970, 414.
Stb. 1971, 54.
Stb. 1971, 289.
Kamerstukken II 1970/1971, 10 751, nr. 10 (MvA), p. 3-4.
SER Fusiegedragsregels 1971, SER Fusiegedragsregels 1975, SER Fusiegedragsregels 1976, SER Fusiegedragsregels 1990, SER Fusiegedragsregels 1991, SER Fusiegedragsregels 2000 en SER Fusiegedragsregels 2015.
In 1976 werd de wettelijke NV-regeling verplaatst van het Wetboek van Koophandel naar het nieuwe boek 2 BW (Wet van 8 april 1976, Stb. 1976, 228 en 229). Deze overheveling leidde niet tot inhoudelijke wijzigingen in de NV-wetgeving en beoogde dergelijke herzieningen ook niet (zie Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/8 en Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/31). Overigens werd daarbij wel de (reeds bestaande) opvatting gecodificeerd dat de rechtspersoon en de bij haar betrokkenen zich jegens elkander moeten gedragen overeenkomstig hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd (zie Koelemeijer 1999, p. 21). Deze bepaling werd destijds opgenomen in artikel 2:7 BW en in 1992 verplaatst naar artikel 2:8 BW. Met de invoering van boek 2 BW werd Titel 1 van dat boek van toepassing op alle rechtspersonen (waaronder dus ook de NV). Dit bracht met name duidelijkheid over onderwerpen van algemene aard die tot dan toe niet of nauwelijks waren geregeld, zoals de bepalingen over vernietiging van besluiten (zie Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/31). Artikelen 64 tot en met (thans) 166 van boek 2 BW zijn specifiek van toepassing op de NV.
“A ‘big corporation’ of the year 1925 was still primarily a personal expression. In 1955, the same corporation — say, General Motors, or Aluminum Corporation of America, or (a less rapidly growing field) United States Steel — is quite obviously an institution.”1
In de jaren 1950 en 1960 werden ondernemingen in Nederland in steeds grotere mate een sociaal-maatschappelijke functie toegedicht.2 In het verlengde hiervan werd beoogd een zekere invloed van werknemers op met name NV’s met grote ondernemingen te verwezenlijken.3 Dit kwam onder andere tot uiting in de in 1950 ingevoerde Wet op de ondernemingsraden (WOR), de eerste wettelijke algemene medezeggenschapsregeling,4 en de Wet op de bedrijfsorganisatie, waarbij de sociaal economische raad (SER) werd opgericht, maar ook in de verdere ontwikkeling van beschermingsconstructies.5 In 1956 waren slechts vier van de 70 beursvennootschappen met een kapitaal van ten minste 10 miljoen gulden onbeschermd.6 Met de oprichting van de hiervoor genoem- de overlegorganen en andere organisaties met bevoegdheden ten aanzien van het bedrijfsleven ontwikkelde zich gaandeweg een corporatistisch geleide economie.7 Deze ontwikkelingen vertoonden overeenkomsten met de ideeën van destijds invloedrijke economen als John Maynard Keynes. Beïnvloed door de crisisjaren van 1930 stonden zij een genuanceerd (of gecontroleerd) kapitalisme voor, met een brede rol voor de onderneming en de overheid bij het stimuleren van investeringen en welvaart in de maatschappij.8 Bij Keynes is ook de gedachte terug te vinden dat hoe omvangrijker een onderneming wordt, hoe meer zij haar private karakter verliest en een meer maatschappelijke rol krijgt.9 Hierbij komen de aandeelhouders verder op afstand te staan en draagt het bestuur zorg voor de onderneming als onderdeel van de maatschappij. Ook de mogelijke rol van de werknemers werd steeds nadrukkelijker erkend. Zij waren niet langer alleen als ‘productiefactor arbeid’ betrokken bij de ondernemingsactiviteiten, maar werden in bepaalde mate medebeleidsbepaler binnen de vennootschap.
Als gevolg van deze maatschappelijke ontwikkelingen, de economische voorspoed, de centrale rol van de onderneming in de NV en het aandeelhoudersabsenteïsme, werd het bestuur steeds nadrukkelijker en onbestreden de ‘vennootschapsleiding’.10 Het was in deze periode dat concepten als bestuursautonomie en vennootschappelijk belang zich ontwikkelden.11 Hierdoor werd ook definitief afscheid genomen van de NV als contractuele samenwerking ten gunste van de institutionele (ook wel de ‘corporatieve’ of ‘objectiefrechtelijke’) leer. Deze leer ging er niet langer van uit dat het bestuur handelde op basis van gedelegeerde bevoegdheden die voortvloeiden uit de afspraken tussen aandeelhouders, maar dat de NV een instituut is met daarin een organisatorische scheiding van bevoegdheden tussen de AV, het bestuur en de raad van commissarissen.12 De Hoge Raad formuleerde in het Doetinchemse IJzergieterij-arrest uit 1949 het richtsnoer van het belang van de vennootschap, waarnaar (in dat geval) commissarissen zich dienden te richten, zelfs indien dat belang botste met belangen van aandeelhouders.13
De zelfstandige rol en het richtsnoer voor het handelen van de vennootschapsleiding werd uiteindelijk bevestigd door de Hoge Raad in zijn Forumbank-arrest uit 1955.14 Deze uitspraak wordt wel gezien als het beginpunt van het leerstuk van ‘bestuursautonomie’ en gaf verdere duidelijkheid over de verhouding tussen het bestuur en de AV.15 Hierin werd overwogen dat het bestuur en de AV elk hun eigen bevoegdheden hebben, die zij niet mogen overschrijden, en dat de AV ten aanzien van de bevoegdheden van het bestuur geen instructies kan geven. Overkleeft meent dat de betekenis van het Forumbank-arrest moet worden gerelativeerd omdat de gedachte dat de AV de hoogste macht in de vennootschap vertegenwoordigde op het moment dat dat arrest werd gewezen al niet langer gezien werd als de heersende leer.16 Ik ben dat met hem eens. De overweging uit Forumbank dat de AV de bij de wet en statuten getrokken grenzen van haar bevoegdheid niet mag overschrijden volgde reeds uit het Van Gulpen & Swerts/Eugen Mehler-arrest van de Hoge Raad.17 Daarbij overwoog de wetgever al in de aanloop naar de totstandkoming van de Wet van 1929:
“De bijzondere stelling, welke de naamlooze vennootschap bekleedt, ook hare rechtspersoonlijkheid, eischt dat zelfs niet met aller toestemming de akte, hetzij voor eens of meermalen op zij kan worden geschoven, hetzij voor goed kan worden gewijzigd, dan volgens de regelen, bij die akte zelve, of bij de wet, aangegeven. De bekendmaking van de akte van oprichting zou haar nut grootendeels missen, indien niet de zekerheid bestond, dat men nimmer, ook niet met eenstemmigheid, van hare bepalingen wettiglijk mag afwijken.”18
Het is wat mij betreft opmerkelijk dat door de Hoge Raad en de A-G in Forumbank niet wordt verwezen naar deze wetsgeschiedenis. Wellicht is de reden daarvoor dat diezelfde wetsgeschiedenis de AV nu juist wél bestempelde tot hoogste macht in de vennootschap. Het hierboven weergegeven citaat van de minister wordt namelijk voorafgegaan door de zinnen:
“De algemeene vergadering is het hoogste gezag in de naamlooze vennootschap. Zij is intusschen niet bevoegd tot al datgene, waartoe krachten het gemeene recht diegenen bevoegd zijn, die te zamen door overeenkomst zijn verbonden.”19
Naast de parlementaire geschiedenis noemt ook het handboek van Van der Heijden uit 1931 de AV als hoogste macht in de NV.20 Hijmans van den Berg merkte in zijn annotatie bij het Forumbank-arrest het volgende op over deze uitdrukking:
“Met een zekere hardnekkigheid vindt men, ook in de handboeken, de bewering, dat de algemene vergadering ‘de hoogste macht’ in de n.v. zou zijn. Zo Polak, Handboek, blz. 381, Kist-Visser, t.a.p., blz. 174 en ook thans nog Molengraaff, Leidraad, I (1953), blz. 260. Men vindt die bewering niet meer bij van der Heyden-van der Grinten (zie t.a.p., no. 203) en evenmin bij Dorhout Mees, Kort Begrip (1956); zie aldaar nos. 607 en 608. Zij is, gelijk Kamphuisen, De rechtsverhouding tussen directeur en n.v., de N.V. XXV, blz. 183 heeft opgemerkt, niet meer dan een ‘slogan’, of, — Het oligarchisch karakter der naamloze vennootschap, de N.V. XXX, blz. 201 —, ‘een groot vals woord’. Het misleidende van den ‘slogan’ blijkt reeds bij lezing van art. 43K. op zichzelf en nog duidelijker bij lezing in verband met art. 47 K. ‘Hoogste macht’ kan, gezien onze wet, alleen betekenen, dat bepaalde bevoegdheden aan de algemene vergadering niet kunnen worden ontnomen; maar dat is geen hoogste macht. Door middel van oligarchische clausules en prioriteitsaandelen kan zelfs haar ‘laatste woord’: de bevoegdheid van de algemene vergadering tot benoeming, schorsing en ontslag van directeuren, aanzienlijk worden beperkt. Het is te hopen, dat ’s Hogen Raads beslissing ertoe bijdraagt den ‘slogan’ de wereld uit te helpen.”21
Anders dan Hijmans van den Berg lijkt te veronderstellen, kan gezegd worden dat de ‘hoogste macht’-gedachte – in het licht van de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en literatuur – niet geheel uit de lucht is gegrepen en zeker in de periode rond de inwerkingtreding van de Wet van 1929 nog de heersende was.22 Hij heeft wel gelijk dat ook de Wet van 1929 vergaande beperkingen van aandeelhoudersrechten door middel van oligarchische regelingen toestond.
Door de Hoge Raad werd in Forumbank niet alleen geoordeeld dat de AV de door de wet en statuten getrokken grenzen van haar bevoegdheid niet mag overschrijden. De Hoge Raad overwoog ook dat dit inhield dat de AV geen besluit mocht nemen dat de strekking had het bestuur te verplichten om tot uitvoering van dat besluit over te gaan, terwijl de bevoegdheid tot het onderwerp waar het besluit op zag toekwam aan het bestuur. Die specifieke overweging is wel van grote betekenis.23 Bij cassatiemiddel was nog betoogd dat de AV daartoe wel bevoegd zou moeten zijn, ondanks dat het relevante onderwerp – dat was niet in geschil – behoorde tot de bevoegdheid van het bestuur, “…en wel omdat de bestuurders ondergeschikt zijn aan de naamloze vennootschap en de algemene vergadering de hoogste macht in de naamloze vennootschap bezit.”24 Ook een dergelijk besluit van de AV dat het bestuur verplicht tot het op een zekere wijze uitvoeren van diens eigen bevoegdheid levert volgens de Hoge Raad echter een ongeoorloofde overschrijding op door de AV van de bij wet en statuten getrokken grenzen. Van belang is nog dat de bestuurszelfstandigheid, die in het Forumbank-arrest werd bevestigd, ook een bestuursverantwoordelijkheid met zich brengt. Dit wil zeggen dat het bestuur zich niet kan verschuilen achter de AV wanneer het voor een bepaald besluit ter verantwoording wordt geroepen.25 Duidelijk is in ieder geval dat het bestuur ten tijde van Forumbank niet langer als ondergeschikt aan de AV werd gezien. Aannemelijk is dat in het begin van de 20e eeuw de ‘hoogste macht’-gedachte nog wel de overhand had, maar dat deze na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren 1950, is losgelaten.26 Er is sindsdien niet langer sprake van een hiërarchisch, maar van een nevenschikkend organisatiemodel.27
Door de hierboven omschreven ontwikkelingen worden de jaren 1950 in de literatuur genoemd als de periode dat in Nederland afscheid werd genomen van de contractuele opvatting als heersende leer, ten gunste van de institutionele opvatting.28 Deze verschuiving in opvattingen had ook tot gevolg dat de positie van het bestuur werd verstevigd en dat daarmee de positie van de AV werd verzwakt, doordat het bestuur nu een zelfstandige en uitdijende taak had die ontleend was aan de vennootschapsorde en niet aan de AV, welke taak gericht was op het vennootschapsbelang en niet op het belang van de gezamenlijke aandeelhouders.29
De hiervoor beschreven ontwikkelingen uitten zich eind jaren 1950 in een wens tot herziening van het NV-recht. Ter vervulling van deze wens stelde de minister van Justitie in 1960 een Commissie Herziening Ondernemingsrecht in, die bekend is komen te staan als de ‘Commissie Verdam’, naar haar voorzitter P.J. Verdam. De Commissie Verdam had in het bijzonder de opdracht te rapporteren over hoe met de werknemersbelangen in grote ondernemingen moest worden omgegaan en in hoeverre deze belangen in de vennootschappelijke orde moesten worden bestendigd.30 Zij publiceerde op 26 november 1964 het rapport Herziening van het Ondernemingsrecht.31 Dit rapport bevatte onder andere voorstellen voor een wet op de jaarrekening, herziening van het enquêterecht, een nieuwe regeling voor ondernemingsraden en een voorstel tot structuurwijziging van de grote NV.32 De minister van Justitie heeft de SER verzocht om te adviseren over de door de Commissie Verdam gedane voorstellen. De SER bracht haar adviezen over de verschillende onderwerpen uit in de periode van 1966 tot en met 1969. In overeenstemming met de opdracht van de Commissie Verdam was een algemeen kenmerk van de discussies in deze rapporten en adviezen de medezeggenschap van werknemers. De achtergrond hiervan was dat de toenemende welvaart leidde tot vragen over de rol van de onderneming in de maatschappij en hoe die onderneming kon bijdragen aan een eerlijker verdeling van die toenemende welvaart. De algemene opvatting was dat werknemers op de een of andere wijze zeggenschap zouden moeten krijgen op het beleid van, in ieder geval, de NV die een grote onderneming dreef. Hierover vermeldt de wetsgeschiedenis bij de in 1971 in werking getreden structuurregeling:
“Vooral na de oorlog begon het vraagstuk van de plaats van de arbeid in de structuur der onderneming de aandacht te trekken, hetgeen in 1950 leidde tot de Wet op de ondernemingsraden. Naar de bedoeling van de wetgever moet de ondernemingsraad worden gezien als orgaan van overleg en samenwerking tussen werkgever en werknemers – vandaar dat de eerstgenoemde als lid en voorzitter deelneemt aan de werkzaamheden van de ondernemingsraad; in de praktijk groeide de ondernemingsraad tevens tot personeelsvertegenwoordiging, een ontwikkeling welke in het recente ontwerp voor een nieuwe wet wordt erkend. Intussen kwam echter steeds meer de vraag in discussie, of ook niet van werknemerszijde medezeggenschap behoort te worden uitgeoefend ten aanzien van de samenstelling en de besluitvorming van de organen die het ondernemingsbeleid bepalen.”33
De medezeggenschap van werknemers werd noodzakelijk geacht vanuit vier verschillende gezichtspunten.34 Ten eerste werd medezeggenschap gezien als vorm van medeverantwoordelijkheid van werknemers voor de gang van zaken binnen de onderneming. Ten tweede werd deze gezien als uiting van de vergaande democratisering van de samenleving. Ten derde zou medezeggenschap het vertrouwen in toezicht op de besluitvorming bewerkstelligen. Ten vierde zou medezeggenschap relevant zijn voor het beschermen van de belangen van werknemers. Hoewel de maatschappelijke, politieke en juridische discussie over medezeggenschap van werknemers nadrukkelijk aanwezig was in de jaren 1950 en 1960, lijkt de uiteindelijke invloed van werknemers in de grote NV door medezeggenschap beperkt te zijn gebleven. Een ondernemingsraad heeft in bepaalde gevallen weliswaar de mogelijkheid advies uit te brengen of haar instemming aan bepaalde voorgenomen besluiten te onthouden, maar de invloed van het structuurregime, en daarmee de inspraak van werknemers op beleidsvorming is bij beursvennootschappen uiteindelijk niet aanzienlijk.35
De rapporten en adviezen van de Commissie Verdam en de SER hebben in 1970 en 1971 geleid tot het aannemen van wetgeving die van belang was voor het in Nederland geldende NV-recht en die in het teken stond van de ‘vermaatschappelijking van de onderneming’.36 Het ging om de volgende vier wetten:
Wijziging van de artikelen 53-54c van het Wetboek van Koophandel van 10 september 1970, die voorzag in een nieuwe regeling met betrekking tot het enquêterecht (waaronder voor vakbonden);37
Wettelijke bepalingen met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen van 10 september 1970, waarbij in een regeling voor de jaarrekening werd voorzien en waarbij de Ondernemingskamer werd ingesteld;38
Wet op de ondernemingsraden van 28 januari 1971 houdende nieuwe regelen omtrent de medezeggenschap van de werknemers in de onderneming door middel van ondernemingsraden waarin de WOR werd vernieuwd;39 en
Wijziging van het Wetboek van Koophandel van 6 mei 1971 betreffende voorzieningen met betrekking tot de structuur der naamloze en besloten vennootschap.40
Zoals beschreven in deze en de vorige paragraaf werden de jaren 1950 en 1960 gekenmerkt door een toenemende sociaal-maatschappelijke rol van de NV, een toenemende verzelfstandiging van de NV als instituut, toenemende bestuursautonomie en een afnemende invloed van aandeelhouders. Deze ontwikkelingen culmineerden in de wetgevingsgolf van begin jaren 1970, die het karakter van de NV wijzigde in die zin dat zij socialer en minder (enkel) winstgedreven werd. De invoering van de hierboven genoemde wetten kenmerkte een periode van ongekende wetgevingsdrift. Zoals de minister van Justitie aangaf, verkeerde het vennootschaps- en ondernemingsrecht “in een onstuimige ontwikkeling”.41 Deze ontwikkeling leidde tot vernieuwing van het enquêterecht, het instellen van de Ondernemingskamer, vernieuwing van de WOR en invoering van de structuurregeling, allemaal onderwerpen die nog altijd in meer of mindere mate van belang zijn voor de NV. Op 19 juni 1970 trad tevens het eerste besluit SER Fusiegedragsregels in werking. Deze Fusiegedragsregels beogen de belangen van in een onderneming werkzame personen bij een voorgenomen fusie te beschermen. Zij zijn in de loop der jaren meerdere malen herzien.42 In de hieropvolgende jaren werden nog enkele wetswijzigingen doorgevoerd, die echter geen materiële invloed hadden op de verhouding tussen het bestuur, de AV en de aandeelhouders.43