De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.6:4.8.6 Kritiek op de regeling van het schadevergoedingsorgaan
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.8.6
4.8.6 Kritiek op de regeling van het schadevergoedingsorgaan
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400668:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op de regeling van het schadevergoedingsorgaan is kritiek te leveren. De Richtlijn laat de nodige onduidelijkheden bestaan rond de vraag wanneer een benadeelde het schadevergoedingsorgaan daadwerkelijk kan aanspreken.
In de eerste plaats zijn deze het gevolg van de weinig concrete omschrijving van de verantwoordelijkheden van de verzekeraar en zijn schaderegelaar. Het schadevergoedingsorgaan dient op te treden als de schaderegelaar (of de verzekeraar) niet binnen drie maanden een onderbouwd schaderegelingsvoorstel aan de benadeelde voorlegt, dan wel een met redenen omkleed antwoord geeft. Maar omdat niet goed duidelijk is wanneer niet van een onderbouwd voorstel of een met redenen omkleed antwoord kan worden gesproken, is ook niet goed te bepalen wanneer het schadevergoedingsorgaan in actie moet komen.1
Ook als de verzekeraar niet kan worden geïdentificeerd, bestaat er soms onduidelijkheid. De Richtlijn neemt als startdatum voor de termijn van twee maanden de datum van het ongeval, maar in de praktijk zal de benadeelde niet onmiddellijk op die dag in actie komen. Ook al staan de databanken die de lidstaten hebben ingericht om kenteken- en verzekeringsregistraties in onder te brengen het toe dat de gegevens daaruit snel aan belanghebbenden ter beschikking komen, er zijn in de praktijk van alle dag omstandigheden waarin het onderzoek meer tijd vergt. Als de benadeelde (of zijn belangenbehartiger) dan bovendien pas enige weken na het ongeval een informatieverzoek bij het informatiecentrum indient, kan de termijn van twee maanden al snel verlopen blijken te zijn.2 Ook dan rijst de vraag of hij zich tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden, omdat het criterium van de Richtlijn is of de verzekeraar binnen twee maanden kan worden achterhaald, niet of dat daadwerkelijk is gebeurd.
Er is voor te pleiten als uitgangspunt voor de termijn van twee maanden te nemen de datum waarop de benadeelde zich tot het informatiecentrum wendt.
Voorts is de bedoeling van de Richtlijn in het kader van de subsidiariteit volstrekt onduidelijk. Mogen de lidstaten toestaan dat regresnemers zich tot het schadevergoedingsorgaan wenden of is dit juist niet de bedoeling? Het zou wenselijk zijn dat de Richtlijn hierover duidelijkheid verschaft. De regresverhoudingen tussen schadevergoedingsorganen onderling en met de waarborgfondsen zouden hiermee gediend zijn.
Verduidelijking verdient ten slotte de vraag welke instantie de benadeelde in zijn eigen lidstaat kan aanspreken indien de schade is veroorzaakt door een van de verzekeringsplicht vrijgesteld motorrijtuig. Hoewel kan worden betoogd dat hij op grond van art. 25 toegang heeft tot het schadevergoedingsorgaan in de lidstaat van zijn woonplaats, is twijfel mogelijk.