Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/5.6
5.6 Burglary
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
S. 24 luidde:“Every person who
- (1)
breaks and enters any place of divine worship and commits any felony therein; or
- (2)
breaks out of any place of divine worship, having committed any felony therein;
shall be guilty of felony called sacrilege and on conviction thereof liable to penal servitude for life.”
S. 25 luidde:“Every person who in the night
- (1)
breaks and enters the dwelling-house of another with intent to commit any felony therein; or
- (2)
breaks out of the dwelling-house of another, having
- (a)
entered the said dwelling-housewith intent to commit any felony therein;
or
- (b)
committed any felony in the said dwellinghouse;
shall be guilty of felony called burglary and on conviction thereof liable to penal servitude for life.”
S. 26 luidde:“Every person who
- 1)
breaks and enters any dwelling-house, or any building within the curtilage thereof and occupied therewith, or any school-house, shop, warehouse, counting- house, office, store, garage, pavilion, factory, or workshop, or any building belonging to His Majesty, or to any Government Department, or to any municipal or other public authority, and commits any felony therein; or
- (2)
breaks out of the same, having committed any felony therein;
shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding fourteen years.”
S. 27 luidde:“Every person who, with intent to commit any felony therein,
- (1)
enters any dwelling-house in the night; or
- (2)
breaks and enters any dwelling-house, place of divine worship or any building within the curtilage, or any school-house, shop, warehouse, counting-house, office, store, garage, pavilion, factory, or workshop, or any building belonging to His Majesty, or to any Government Department, or to any municipal or other public authority;
shall be guilty of felony and on conviction thereof liable to penal servitude for any term not exceeding seven years.”
CLRC 1966, par. 68-69.
CLRC 1966, par. 73.
CLRC 1966, par. 74.
Huisvredebreuk is op zichzelf geen strafbaar feit onder Engels recht; het wordt als een civielrechtelijke kwestie tussen twee partijen gezien, vgl. Horder 2016, p. 412. Wel strafbaar zijn overigens indringers die na een verzoek daartoe een pand niet verlaten, vgl. s. 7 van de Criminal Law Act 1977, zoals gewijzigd door de Criminal Justice and Public Order Act 1994.
CLRC 1966, par. 77.
Anders dan voorgesteld door de CLRC wordt hier niet verwezen naar s. 9(2). Het in s. 9(2) genoemde ‘doing unlawful damage to the building or anything therein’ onbreekt hier.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Criminal Justice Act 1991 wordt toch weer onderscheid gemaakt tussen woningen en andere gebouwen. Dit wordt in het navolgende nog besproken.
Tot de inwerkingtreding van de Sexual Offences Act 2003 werd in s. 9 ook rape (≈ verkrachting) genoemd. ‘Trespass with intent to commit a sexual offence’ is nu strafbaar gesteld in s. 63 van de Sexual Offences Act 2003.
Volgens Ormerod en Williams is het onduidelijk waaraan s. 9(1)(b) zijn bestaansrecht ontleent. Een reden zou kunnen zijn gelegen in de moeilijkheden die de aanklager kan ondervinden bij het bewijzen dat sprake was van een intentie op het moment van binnentreden. Een andere reden zou kunnen zijn dat deze bepaling moet worden gezien als een soort gekwalificeerde vorm van theft of het toebrengen van ernstig lichamelijk letsel, in die zin dat het als ernstiger moet worden aangemerkt omdat het is gepleegd door een indringer, Ormerod & Williams 2007, par. 8.50. Griew lijkt dat niet onduidelijk te vinden. Volgens hem bestaat s. 9(1)(b) slechts voor die zaken waarin een strafbare intentie op het moment van binnentreden niet kan worden bewezen. Er is volgens Griew immers op zichzelf geen reden een feit als een zwaarder strafbaar feit aan te merken om de enkele reden dat het is gepleegd door een indringer. S. 9(1)(a) en s. 9(1)(b) sluiten elkaar echter niet uit. Het bestaan van s. 9 (1)(b) maakt het mogelijk normale gevallen van binnendringen met een bepaalde intentie gevolgd door theft te vervolgen als één feit, in plaats van twee (te weten s. 9 (1)(a) en s. 1 (theft). Als gevolg van het feit dat veel verdachten ontkennen op het moment van binnentreden een strafbare bedoeling te hebben gehad, wordt in de meeste gevallen vervolgd wegens s. 9(1)(b), vgl. Griew 1995, par. 4.28.
Ormerod & Williams 2007, par. 8.58.
Horder 2016, p. 411-412 en Blackstone 2013, par. B4.85. Zie ook Ormerod &Williams 2007, par. 8.06. Laatstgenoemde schrijvers wijzen er overigens op dat zich ook gevallen kunnen voordoen waarin geen sprake is van een effectief binnendringen maar waarin tochmoetworden aangenomen dat sprake is van entry als bedoeld in s. 9 van de Theft Act.
Ormerod & Williams 2007, par. 8.12 e.v., Horder 2016, p. 412 en Blackstone 2013, par. B4.86-B4.87.
Zie paragraaf 5.3.4.5.
Horder 2016, p. 413 en Blackstone 2013, par. B4.88 en B4.93.
Ormerod & Williams 2007, par. 8.77.
In ss. 24 tot en met 27 van de Larceny Act waren verschillende vormen van burglary strafbaar gesteld, te weten burglary in religieuze gebouwen1, burglary in een woning gedurende de nacht2, housebreaking en het plegen van een misdrijf in diverse gebouwen3 en ten slotte housebreaking met de bedoeling een strafbaar feit te plegen4. In alle gevallen werd onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘breaks and enters’ en anderzijds ‘breaks out’. Daarnaast waren in s. 28 voorzieningen getroffen voor personen die gedurende de nacht werden aangetroffen met wapens of inbrekerswerktuigen en de intentie hadden een strafbaar feit te plegen, personen die gedurende de nacht vermomd werden aangetroffen en de bedoeling hadden een misdrijf te plegen en personen die gedurende de nacht in een gebouw werden aangetroffen met de intentie een strafbaar feit te plegen. De CLRC vond deze bepalingen erg ingewikkeld en was van mening dat deze een verbijsterende serie delicten opleverden. Sommige delicten waren van toepassing op bepaalde gebouwen en niet op andere, voor sommige delicten was van belang of ‘the breaking and entering’ plaatsvond in de nacht en er waren wijd uiteenlopende strafmaxima (respectievelijk levenslang, veertien jaar gevangenisstraf en zeven jaar gevangenisstraf).5 De CLRC stelde voor de bepalingen rond burglary terug te brengen naar twee hoofdvormen: burglary met een strafmaximum van veertien jaar, en aggravated burglary dat werd bedreigd met een levenslange gevangenisstraf.
S. 8 van het wetsontwerp van de CLRC handelde over burglary en luidde als volgt:
A person is guilty of burglary if
he enters any building or part of a building as a trespasser and with intent to commit any such offence as is mentioned in subsection (2) below; or.
having entered any building or part of a building as a trespasser he commits or attempts to commit any such offence.
The offences referred to in subsection (1) above are offences of stealing anything in the building or part of a building in question, of inflicting on any person therein any grievous bodily harm or raping any woman therein, and of doing unlawful damage to the building or anything therein by fire or explosion.
References in subsections (1) and (2) above to a building shall apply also to an inhabited vehicle or vessel.
A person guilty of burglary shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding fourteen years.”
Van burglary was in de ogen van de CLRC dus in de eerste plaats sprake als iemand een (gedeelte van een) gebouw binnengaat als indringer met de intentie iets te stelen of een ander delict te plegen genoemd in s. 8(2) (toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een persoon, verkrachting van een vrouw en onrechtmatig toebrengen van schade aan het gebouw door brand of explosie). In de tweede plaats wanneer iemand daadwerkelijk iets steelt of een in s. 8(2) genoemd delict pleegt of poogt te plegen na als indringer een (gedeelte van een) gebouw binnen te zijn gegaan.
In s. 9 van het wetsontwerp werd een voorstel voor de strafbaarstelling van aggravated burglary – dat wil zeggen burglary terwijl men in het bezit is van een (imitatie)vuurwapen, wapen of explosief – gedaan.
In de burglary-bepalingen werd geen onderscheid meer gemaakt tussen verschillende gebouwen en het hele concept van ‘breaking and entering’ en ‘breaking out’ was verdwenen.6
Het leek de CLRC ook niet meer nodig een onderscheid te maken tussen dag en nacht. Hoewel veel mensen een nachtelijke inbraak in een woning nog steeds beangstigender vonden dan een inbraak bij dag, vond de CLRC het verschil niet meer groot genoeg om twee verschillende delicten te rechtvaardigen. Door de betere straatverlichting was de nacht bij criminelen niet langer populairder dan de dag en niet beangstigender voor huishoudens. De CLRC wees er ook op dat veel ernstige misdrijven in die tijd overdag plaatsvonden. Sommige inbrekers kozen volgens de CLRC zelfs bewust een tijdstip in de morgen, wanneer de huisvrouw de deur uit moest en het huis leeg achterliet. Het was volgens de CLRC voor een vrouw soms net zo verontrustend en zelfs beangstigend om er dan bij thuiskomst achter te komen dat het huis geplunderd was als na een nachtelijke inbraak. Daarbij vond de CLRC het minder waarschijnlijk dat mensen ’s nachts alleen thuis waren.7
De CLRC vond het moeilijk te beslissen welke misdrijven, indien gepleegd (of gepoogd te plegen) in een gebouw, een huisvredebreuk zouden doen worden tot burglary. Het enige voor de hand liggende misdrijf was stealing. Dit zou bijna alle zaken omvatten en het zou maken dat het delict burglary zou corresponderen met wat daaronder naar normaal spraakgebruik viel. Er waren echter zaken geweest waarin sprake was van ‘breaking into’ een gebouw met de intentie een ander zwaar misdrijf te plegen, zoals verkrachting of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Als de verdachte dit feit daadwerkelijk pleegde, kon hij daarvoor worden vervolgd. Maar wanneer hij tijdig werd gepakt, kon hij niet worden vervolgd tenzij in de gegeven omstandigheden door het binnentreden al gesproken kon worden van een poging het delict te plegen.8 Het leek de commissie juist dat het onrechtmatig binnentreden in een gebouw met de intentie een zwaar misdrijf tegen een persoon of goed te plegen, strafbaar zou zijn. Om lastige vragen rondpoging te vermijden, stelde de commissie voorde genoemde intenties burglarious te maken. Wat betreft misdrijven tegen personen stelde de commissie voor de relevante misdrijven te beperken tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en verkrachting. Wat betreft misdrijven tegen goederen stelde de commissie voor dat de relevante misdrijven stealing en het toebrengen van ongeoorloofde schade aan het gebouw door vuur of explosieven waren.9
S. 9 van de Theft Act luidt inmiddels:
A person is guilty of burglary if
he enters any building or part of a building as a trespasser and with intent to commit any such offence as is mentioned in subsection (2) below; or
having entered any building or part of a building as a trespasser he steals or attempts to steal anything in the building or that part of it or inflicts or attempts to inflict on any person therein any grievous bodily harm.10
The offences referred to in subsection (1)(a) above are offences of stealing anything in the building or part of a building in question, of inflicting on any person therein any grievous bodily harm therein, and of doing unlawful damage to the building or anything therein.
A person guilty of burglary shall on conviction on indictment be liable to imprisonment for a term not exceeding.
where the offence was committed in respect of a building or part of a building which is a dwelling, fourteen years;11
in any other case, ten years.
References in subsections (1) and (2) above to a building, and the reference in subsection (3) above to a building which is a dwelling, shall apply also to an inhabited vehicle or vessel, and shall apply to any such vehicle or vessel at times when the person having a habitation in it is not there as well as at times when he is.”
Er zijn dus, overeenkomstig de voorstellen van de CLRC, meerdere delicten strafbaar gesteld in s. 9 Theft Act 1968. De eerste categorie wordt gevormd door gevallen waarin een gebouw wordt binnengedrongen met het oogmerk een delict als bedoeld in s. 9(2) te plegen, dat wil zeggen stealing, toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en toebrengen van schade. Binnendringen met het oogmerk iemand te verkrachten valt niet onder s. 9(2); dat is elders strafbaar gesteld.12 In de tweede categorie vallen die gevallen waarin een gebouw is binnengedrongen en iemand daadwerkelijk iets steelt (of poogt te stelen) of daadwerkelijk aan iemand anders zwaar lichamelijk letsel toebrengt (of poogt dat te doen).13 Waarom het toebrengen van schade in de deze categorie niet wordt genoemd, is onduidelijk.14 Voor de maximaal op te leggen straf maakt het daarnaast, anders dan de CLRC voorstelde, toch nog verschil of het desbetreffende gebouw een woning is of niet.
Van entry (binnenkomst) is sprake als het binnendringen effectief is. Dat kan ook het geval zijn als een verdachte slechts gedeeltelijk binnen is, dat wil zeggen als hij bijvoorbeeld met zijn bovenlichaam door een raam hangt of zijn arm door een raam steekt.15 Om strafbaar te zijn volgens s. 9 moet de verdachte als indringer naar binnen gaan, dat wil zeggen dat hij daarvoor geen impliciete of expliciete toestemming heeft. Hij moet een gebouw of gedeelte daarvan zijn binnengegaan. Daarvan is ook sprake als iemand op zichzelf rechtmatig ergens binnengaat, maar vervolgens naar een voor hem verboden gedeelte gaat. Dat hoeft niet een aparte kamer te zijn; ook een klant die zich in een winkel achter de servicebalie begeeft maakt zich schuldig aan het binnengaan van een gedeelte van een gebouw als een indringer.16
Voor de eerste categorie gevallen, dat wil zeggen ‘burglary with intent’ als bedoeld in s. 9(1)(a), moet worden bewezen dat de verdachte op het moment dat hij het gebouw binnenging de intentie had een van de in s. 9(2) genoemde delicten te plegen. Net als bij theft17 kan zich ook hier het geval voordoen dat de inbreker slechts een voorwaardelijke intentie heeft, dat wil zeggen dat hij slechts de intentie heeft iets te stelen wat voor hem de moeite waard is. Het Court of Appeal heeft beslist dat als een verdachte wordt vervolgd wegens burglary en de aanklacht bevat geen verwijzing naar specifieke goederen, hij schuldig is als hij een intentie had om iets te stelen in het gebouw. Het feit dat er niets van zijn gading was, is dan irrelevant. Een intentie is genoeg. Dat maakt dat wat leken waarschijnlijk een poging tot inbraak zouden vinden, een voltooid delict oplevert.18 Bij de tweede categorie gevallen, dat wil zeggen burglary in de zin van s. 9(1)(b), moet worden bewezen dat de verdachte daadwerkelijk iets heeft gestolen of heeft geprobeerd te stelen of dat hij daadwerkelijk iemand zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of heeft geprobeerd toe te brengen.
In s. 10(1) van de Theft Act is aggravated burglary strafbaar gesteld:
“A person is guilty of aggravated burglary if he commits any burglary and at the time has with him any firearm or imitation firearm, any weapon of offence, or any explosive (…).”
Bewezen moet worden dat de verdachte het strafverzwarende voorwerp bij zich had op het moment dat hij de burglary pleegde. Wanneer hij vervolgd wordt wegens ‘breaking with intent’ is dat dus op het moment dat hij het gebouw binnengaat. Als vervolging plaatsvindt wegens s. 9(1)(b) is dat op het moment dat het specifieke delict (stealing of (een poging tot) het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel) plaatsvindt.19 Deze gekwalificeerde vorm van inbraak wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf, zo bepaalt s. 10(2).