Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.3:6.2.3 De Aanvullingswet 1995
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/6.2.3
6.2.3 De Aanvullingswet 1995
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297969:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6, herhaald in Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 12-13.
Kamerstukken II, 1988/89, 21202, 3, p. 7-9.
Kamerstukken II, 1988/89, 21202, 3, p. 6-11; Kamerstukken II, 1990/91, 21202, 6, p. 2-7.
Vgl. het reeds in 1992 ingevoerde lid 2 van art. 6:181, dat een regeling geeft voor de terbeschikkingstelling van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken.
Op de betekenis van het ‘nieuwe’ lid 3 van art. 6:181 voor de leden 1 en 2 van dezelfde bepaling, wordt in par. 6.6.4 nader ingegaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door middel van de Aanvullingswet 1995 werden aan afd. 6.3.2 BW de kwalitatieve aansprakelijkheden voor gevaarlijke stoffen (art. 6:175), stortplaatsen (art. 6:176) en boorgaten (thans: mijnbouwwerken, art. 6:177) toegevoegd.1 In de toelichting op deze wet werd uitvoerig van de gelegenheid gebruik gemaakt nog eens stil te staan bij de al in 1992 ingevoerde kwalitatieve aansprakelijkheden. Voor wat betreft art. 6:181 werd benadrukt dat de grondgedachte van deze aansprakelijkheid neerkomt op het bieden van bescherming tegen gevaarlijke activiteiten c.q. bronnen van verhoogd gevaar.2 Bij herhaling is aangegeven dat het ‘billijk’ voorkomt dat degene die gebruiker is van een object dat een bron van verhoogd gevaar oplevert, aansprakelijk is indien dat gevaar zich verwezenlijkt. Ter rechtvaardiging van de aansprakelijkheid ex art. 6:181 worden voorts (wederom) genoemd de eenheidsgedachte en het voor benadeelden vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aan te spreken partij, alsmede het argument van verzekering/schadespreiding en ook de profijtgedachte.3 Nieuw is dat de toelichting meermaals benoemt dat ter bepaling van de kwalitatief aansprakelijke ook van belang is wie ‘de zorg’ voor het betreffende gevaarsobject heeft; wie in staat is de daaraan verbonden risico’s te beïnvloeden.4 Ten opzichte van de eerdere wetsgeschiedenis is ook nieuw dat wordt gewezen op de preventieve werking van kwalitatieve aansprakelijkheid, in die zin dat deze volgens de toelichting zal leiden tot het stimuleren van voorzorgsmaatregelen om de (verwezenlijking van) gevaren – waarvoor men kwalitatief aansprakelijk is – zoveel mogelijk te voorkomen.5 Tot slot vermeldt de toelichting dat bij het aanwijzen van de kwalitatief aansprakelijke ook praktische overwegingen en de rechtszekerheid een rol hebben gespeeld.6
Hoewel art. 6:181 in de toelichting op de Aanvullingswet 1995 veelvuldig aan de orde komt, wordt daarbij niet stilgestaan bij de invulling van het bedrijfsbegrip van deze bepaling. Ter aanduiding van de aansprakelijke persoon wordt zonder nadere uitleg veelal gewoonweg de term ‘bedrijf’ gebruikt, terwijl soms ook wel wordt gesproken van ‘de ondernemer’, ‘de onderneming’ of ‘het bedrijfsleven’.7 Hierbij ‘ademt’ ook deze toelichting voor wat betreft de uitoefening van een bedrijf, dat het gaat om het verrichten van industriële (lees: gevaarlijke) activiteiten. Nog altijd leek bij de ingevolge art. 6:181 aansprakelijke voornamelijk gedacht te worden aan een ‘traditioneel’ of ‘typisch’ bedrijf. Aan de positie van bijvoorbeeld degene die een beroep uitoefent of de overheid in relatie tot art. 6:181, werd geen afzonderlijke aandacht besteed. Alleen aan nagenoeg het einde van de parlementaire behandeling van de Aanvullingswet 1995 kwam hierin nog verandering, namelijk toen de positie van de particuliere bezitter van een gevaarlijke stof onder druk kwam te staan.8 In de Aanvullingswet 1995 werd aanvankelijk voorgesteld de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen op grond van art. 6:175 in verbinding met art. 6:181 – overeenkomstig de regeling van art. 6:173, 174, 179 jo. 181 – te leggen op de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker. Omdat men een kwalitatieve aansprakelijkheid van de particuliere bezitter voor óók gevaarlijke stoffen uiteindelijk te ver vond gaan, werd deze aansprakelijkheid via art. 6:175 beperkt tot de beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker.9 In de toelichting werd op beknopte wijze aangegeven dat onder dit criterium ook een beroepsbeoefenaar als apotheker of apotheekhoudende arts valt, alsook de overheid die een gevaarlijke stof in de uitoefening van haar taak gebruikt of onder zich heeft. In het voetspoor van het aangepaste art. 6:175 werd, zonder nadere toelichting, aan art. 6:181 een ‘nieuw’ lid 3 toegevoegd. Met deze bepaling, die eveneens van ‘beroep of bedrijf’ spreekt, is beoogd een regeling te geven voor gevallen van terbeschikkingstelling van gevaarlijke stoffen.10 Aldus heeft via het in 1995 aan art. 6:181 toegevoegde lid 3 betreffende gevaarlijke stoffen het ‘beroepsbegrip’ zijn intrede gedaan binnen art. 6:181.11 Frappant is wel dat deze ruimere omschrijving van de aansprakelijke persoon enkel degene betreft aan wie de stof ter beschikking wordt gesteld; degene door wie de stof aan een ander beschikbaar wordt gesteld, bleef in lid 3 van art. 6:181 (tekstueel) beperkt tot de bedrijfsmatige gebruiker. Ook de reeds in 1992 ingevoerde leden 1 en 2 van art. 6:181 met betrekking tot de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken bleven ter aanduiding van de aansprakelijke persoon onveranderd alleen van de bedrijfsmatige gebruiker spreken.