Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/6.3.1
6.3.1 De koloniën en de Franse revolutie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181162:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Pogingen om meer gedeputeerden van de koloniën af te vaardigen naar de Assemblée Constituante mislukten, zie daarover Manuel Covo, ‘Race, Slavery, and Colonies in the French Revolution’, in: David Andress (red.), The Oxford Handbook of the French Revolution, Oxford: Oxford University Press 2015; David Geggus, ‘Racial Equality, Slavery, and Colonial Secession during the Constituent Assembly’, The American Historical Review, Vol. 94, no 5, 1989; Jacques-W. Binoche-Guedra, ‘La représentation parlementaire colonial (1871- 1940)’, Revue Historique, T. 280, Fasc. 2 (568) 1988, p. 522; Prosper Boissonnade, Saint-Domingue à la veille de la Révolution et la question de la représentation coloniale aux États généraux (Janvier 1788-7 juillet 1789, Paris: Geuthner 1906.
Frédéric Régent, ‘Préjugé de couleur, esclavage et citoyennetés dans les colonies françaises (1789-1848)’, La Révolution française, 9, 2015, punt 12.
Philip Curtin, ‘The Declaration of the Rights of Man in Saint-Domingue, 1788-1791’, The Hispanic American Historical Review, Vol. 30, no 2, May 1950; Robert Forster, ‘Who Is a Citizen? The Boundaries of “La Patrie”: The French Revolution and the People of Color, 1789-91’, French Politics & Society, Vol. 7, no 3, 1989.
Jean Tarrade, ‘Les colonies et les principes de 1789: les révolutionnaires face au problème de l’ensclavage’, Revue française d’histoire d’outre-mer, tome 76, n. 282-283, 1989; Bernard Gainot, ‘La naissance des départements d’Outre-mer. La loi du 1er janvier 1798’, Revue historique des Mascareignes, Les Mascareignes et la France, no 1, 1998, p. 52.
Curtin 1950, p. 158.
Curtin 1950, p. 158-159. Zo was er een Cercle des Philadelphes – een sociëteit van kunst – die toegankelijk was voor beide groepen.
Curtin 1950, p. 159.
De artikelen van de Déclaration die de kolonisten het meest citeerden, waren art. 1, 2 en het hiervoor geciteerde art. 6. Curtin 1950, p.160.
Curtin 1950, p. 163. In de noordelijke provincie van Saint-Domingue werd een provinciale vergadering gekozen. Deze provinciale vergadering stelde: “The powers and the will of the North reside entirely and exclusively in the person of the deputies which each parish has freely and equally nominated […].” Curtin 1950, p. 163, waar wordt verwezen naar het decreet van de vergadering van de noordelijke provincie van 3 november 1789, zoals gepubliceerd in J. Saintoyant, Les colonies pendant la Révolution, Paris 1930, I, 454. In de zomer van 1790 schaarde de provinciale vergadering van de noordelijke provincie zich achter de nationale vergadering van Saint-Domingue: “Or, ces principes font, qu’il ne peut y avoir qu’un Corps législatif en France, compofé de tous les Repréfentants de la Nation & du Rois: Que la Colonie feule ne peut faire un Corps légiflatif à part; Que l’Affemblée générale n’a que les pouvoirs que le Corps légiflatif lui a donnés […].” Adresse de l’Assemblée Provinciale de la partie du Nord de Saint-Domingue à l’Assemblée Nationale, 13 juillet 1790, p. 2.
Geggus 1989.
Zo citeert Curtin 1950, p. 162, met verwijzing naar Saintoyant 1930, dat het volgende is gezegd door de gedeputeerden: “Take measures that your wisdom will dictate to you, keep a watch on persons and things; arrest suspects; seize any writings where even the word ‘liberty’ is pronounced […].”
Forster 1989, p. 53.
Curtin 1950, p. 167.
Vermoedelijk is Raimonds meest relevante bijdrage aan dit debat zijn pamflet zoals gepubliceerd in januari 1791, dat als titel draagt: ‘Observations sur l’origine et les progrés du préjugé des colons blancs contre les hommes de couleur’. In dit pamflet gebruikt Raymond de gedachte zoals ontstaan in de Franse Revolutie, namelijk of het gerechtvaardigd is dat een vertegenwoordigend orgaan regelgeving uitvaardigt waaraan personen (Raymond doelt op de zogenoemde gens de couleur) zich moeten houden, terwijl deze burgers politiek niet zijn gerepresenteerd in dit orgaan. In Raymonds woorden: “L’assemblée nationale a-t-elle le droit de décréter, comme article constitutionnel, qu’une classe d’individus libres, propriétaires, contribuable, etc. doit obéir, non-seulement à des loix qu’ils n’auroient pas consentie, ni leurs réprésentants, mails encore à celles qui seroient faites par une classe d’individus, ennemis déclarés des premiers?” Zie Julien Raymond, Observations sur l’origine et les progrés du préjugé des colons blancs contre les hommes de couleur; sur les inconvéniens de le perpétuer; la nécessité, la facilité de le détruire; sur le projet du Comité colonial, etc. Par M. Raymon, Homme de couleur de Saint-Domingue, Paris: Belin, Desenne, Baily 1791, p. 22-23.
Curtin 1950, p. 169; Armond Brette, ‘Les gens de couleur libres et leur deputés en 1789’, La Révolution Française, XXIX, October 1895, 331; Jeremy D. Popkin, ‘Colonial Enlightenment and the French Revolution: Julien Raymond and Milscent Créole’, in: D. Tricoire (red.), Enlightened Colonialism. Cambridge Imperial and Post-Colonial Studies Series, Cham: Palgrave Macmillan 2017.
Curtin 1950, p. 169.
Dit deel van het decreet, art. 2, luidt: “Quant à l’état politique des hommes de couleur et negres libres, il y fera ftatué par le corps légiflatif fur la propofition d’un Comité, compofé des membres des affemblées coloniales actuellement formées, et aucun changement ne pourra être prononcé par les légiflatures, fi ce n’eft fur la demande formelle et pfontanée des affemblées coloniales.” Gazette nationale ou le Moniteur universel, no 136, lundi 16 mai 1791, Seconde Année de la Liberté, p. 561, zoals geraadpleegd in Bibliothèque interuniversitaire Cujas. Er waren in totaal grosso modo 30.000 gens de couleur in Saint-Domingue. Van deze 30.000 personen verkregen ongeveer 1000 vrije mannen het Franse actieve burgerschap. Brubaker 1989.
Dit deel van het decreet, art. Ier, luidt: “L’Affemblée nationale décrete, comme article conftitutionnel, qu’aucune loi fur l’état des perfonnes non libres ne pourra être faite par le corps légiflatif, pour les Colonies, que fur la demande formelle et pfontanée des affemblées colonials.” Gazette nationale ou le Moniteur universel, no 136, lundi 16 mai 1791, Seconde Année de la Liberté, p. 561 zoals geraadpleegd in Bibliothèque interuniversitaire Cujas. Philip G. Dwyer, Peter McPhee (red.), The French Revolution and Napoleon. A sourcebook, London & New York: Routledge 2002, p. 38.
Curtin 1950, p. 170.
Forster 1989, p. 60.
In de Assemblée Constituante de 1789 – die voortkwam uit de États- généraux – werden de koloniën gerepresenteerd. Zo kon de kolonie Saint- Domingue zes gedeputeerden afvaardigen naar deze Assemblée constituante, en Mauritius, Guadeloupe, Martinique en Frans-Indië ieder één.1 Vermeldenswaardig in dit kader is overigens wel dat alleen de rijke blanke laag van deze koloniën werd vertegenwoordigd. De gedeputeerden werden namelijk gekozen door de kolonisten.2 De politieke representatie van niet-blanken deed zich met name voor bij de discussies over de mogelijke toepasbaarheid van de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen in de koloniën. Het gelijkheidsdenken van de revolutionairen kreeg immers zijn weerslag in onder meer de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen, waarvan art. 6 hiervoor is geciteerd. Over de rechtskracht van deze Déclaration in de Franse koloniën is stevig gedebatteerd.3 De twistpunten hadden voornamelijk betrekking op de vraag of de mulatten van Saint-Domingue, ook wel bekend als ‘perle des Antilles’4 aanspraak konden maken op de Déclaration. Saint-Domingue was economisch gezien de meest lucratieve kolonie van Frankrijk. Bijzonder aan het eiland was dat net zoals de maatschappij van de metropool voor de revolutie, de samenleving van Saint-Domingue uit drie lagen bestond. Er werd een onderscheid gemaakt tussen blanken, mulatten (een persoon geboren uit een blanke en een zwarte ouder) en tot slot de slaven.5 De mulatten werden aangeduid met de term ‘gens de couleur’. Ondanks de verschillende sociale omstandigheden waar blanken en mulatten in verkeerden, verschilde een deel van de mulatten op bepaalde terreinen niet veel van de blanken op het eiland. Dit onderscheid was bijvoorbeeld cultureel in beginsel moeilijk te maken.6 Zowel de blanken als een deel van de mulatten hadden bijvoorbeeld onderwijs gevolgd in de metropool of onderwijs gevolgd waarbij gebruik werd gemaakt van literatuur die afkomstig was van de metropool. Vanuit een juridisch perspectief was het verschil tussen deze twee groepen wezenlijk.7 Waar de blanken zonder meer onder de reikwijdte van de Déclaration vielen, was dit ten aanzien van de mulatten nog maar de vraag.
De Déclaration bereikte Saint-Domingue in september 1789, in de plaats Cap Français – het huidige Cap-Haïtien, een stad aan de noordkust van het huidige Haïti.8 Al gauw ontstonden verschillende interpretaties van de Déclaration en de rechten die daarin werden genoemd. Zo werd betoogd dat de ‘volonté générale’ van de metropool verschilde van de ‘volonté générale’ van de kolonie.9 De voorstanders pleitten voor de toepassing van de Déclaration in Saint-Domingue. Een daarvan was een nog voor de Revolutie – in februari 1788 – opgerichte sociëteit: Société des amis des Noirs. Zij toonden zich tegenstander van de slavenhandel.10 De sociëteit werd geleid door met name Jacques Pierre Brissot, een leidend figuur van de girondijnen, en Henri Baptiste Grégoire, een Frans katholiek geestelijke die minderheidsrechten in de revolutie verdedigde en bekend stond als abbé Grégoire. De gedeputeerden in Parijs die de koloniën in portefeuille hadden, waren hiervan niet gediend. Zij wilden dan ook ervoor zorgen dat de revolutionaire ideeën de koloniën niet zouden bereiken.11 Om weerwoord te bieden aan de voorstanders van de toepassing van de Déclaration, verenigden de tegenstaanders zich tevens in een sociëteit: de zogenoemde Club de l’hôtel de Massiac. Deze sociëteit werd in augustus 1789 gesticht in een hotel, genaamd Massiac. De leden bestonden voornamelijk uit rijke kolonisten van de Franse Antillen, met name Saint-Domingue. De club werd geleid door Antoine Barnave – een fervent voorstander van de constitutionele monarchie – die stelde dat niets de toepassing van de Déclaration in de koloniën kon rechtvaardigen. Een veelgenoemd bezwaar van de uitbreiding van de personele werkingssfeer van de Déclaration was dat deze zou leiden tot de vervreemding van de rijke blanke bevolking van de koloniën. Het kenmerkende onderscheid tussen de blanken en de kleurlingen (ongeacht de vraag of men vrij was of niet) zou worden vervaagd, zo was de gedachtegang van de leden van de Club Massiac.12 Het plan van de tegenstanders om te voorkomen dat de revolutionaire geluiden van het vasteland de koloniën zouden bereiken heeft echter niet gewerkt. Als gezegd bereikten de Déclaration en de daarin vervatte revolutionaire idealen Saint-Domingue in september 1789.
Aangezien de discussies tussen de leden van de sociëteiten aanvankelijk niet leidden tot de toepassing van de Déclaration op Saint-Domingue, vonden verschillende opstanden plaats die georganiseerd werden door met name vertegenwoordigers van de gens de couleur. Een van deze personen was Jacques Ogé, die in 1790 tevergeefs een opstand leidde.13 Het lukte dezelfde Ogé en Julien Raimond,14 eveneens vertegenwoordiger van de gens de coulour, in het najaar van 1790 wel om hun ideeën over de politieke representatie van niet alleen de blanken maar ook de gens de coulour van de koloniën in de Assemblée naar voren te brengen. Zij betoogden in de Assemblée ten eerste dat de bevolking van de Franse koloniën in de bestaande structuur werd onderscheiden in twee categorieën: namelijk vrije mensen enerzijds en slaven anderzijds.15 Ten tweede pleitten zij ervoor dat de term ‘vrije mensen’ niet alleen blanken omvatte, maar tevens gekleurde mensen, zoals gekleurde creolen, mulatten en anderen.16 Zij werden in de Assemblée ondersteund door de hiervoor genoemde abbé Grégoire, Brissot en de andere leden van de Société des Amis des Noirs. Dit optreden in de Assemblée en verschillende propagandatoespraken op het Franse vasteland hadden tot gevolg dat de voor- en tegenstanders in de Assemblée op 15 mei 1791 een compromis bereiken. Op deze datum werd een decreet vastgesteld door de Assemblée op grond waarvan het Franse actieve burgerschap werd uitgebreid naar vrije mannen geboren uit een vrije vader en een vrije moeder.17 Dit had tot gevolg dat, naast de andere voorwaarden die werden gesteld aan blanke burgers, gekleurde personen het Franse burgerschap konden verkrijgen indien zowel de vader als de moeder een vrije burger was. Het werd voor het eerst mogelijk dat de gens de couleur het Franse actieve burgerschap met politieke rechten konden verkrijgen. In dit kader is het relevant te wijzen op datgene wat de Assemblée eveneens verankerde in het decreet. Zij legde in dit decreet ook vast dat zij nooit zal beraadslagen over de status van mensen die niet vrij zijn geboren.18 Met andere woorden, teneinde tegemoet te komen aan de wensen van de blanke bevolking en van de Club Massiac werd vastgesteld dat de Assemblée zich nimmer zal beraden over niet-vrije personen of slaven.
Waar de leden van de Club Massiac voor vreesden, namelijk onrust op het eiland tussen blanken en gekleurden naar aanleiding de uitbreiding van het burgerschap, wordt werkelijkheid. Het decreet van 15 mei leidde namelijk tot grote onlusten op het eiland.19 De tegenstellingen tussen de voorstanders en de tegenstanders van de uitbreiding van het Franse actieve burgerschap bereikte een dieptepunt. Er vonden verschillende lynchacties plaats tegen de gens de couleur. Blanken die de gens de couleur ondersteunden, werden publiekelijk vernederd.20 Het decreet van 15 mei waarin de Assemblée vastlegt dat zij niet zal beraadslagen over de status van niet-vrije mensen, was aanleiding voor de slavenopstand die uitbrak in augustus 1791. De kolonisten weigerden bovendien het decreet van 15 mei uit te voeren. Het gevolg was dat de Assemblée in september 1791 het decreet van 15 mei introk. In de volgende paragraaf zal aandacht worden besteed aan de slavenopstand op Saint-Domingue en de assimilatiepolitiek van de metropool die als reactie daarop volgde.