Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.3.2:3.4.3.2 Onbewuste processen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.4.3.2
3.4.3.2 Onbewuste processen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Thagard 2005, p. 295-316.
Thagard 2005, p. 297.
Thagard 2005, p. 298.
Thagard 2005, p. 299.
Wagenaar 2010, p. 355. Kahneman definieert heuristiek als ‘het gebruiken van een eenvoudige procedure om adequate, maar vaak imperfecte antwoorden op lastige vragen te vinden’ (Kahneman 2011, p. 105).
Wagenaar 2010, p. 355.
Een goede vertaling voor het begrip bias ontbreekt. Het begrip wordt daarom onvertaald gelaten.
Kahneman 2011, p. 15.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast aandacht vanuit de epistemologie voor de voorwaarden waaronder gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht aan een verklaring (prescriptief), is vanuit de psychologie ook aandacht voor de wijze waarop mensen omgaan met verklaringen (descriptief). Voor wat betreft de positie van de toehoorder is de theorie dat mensen min of meer automatisch reageren op een bewering door haar te accepteren zolang zij consistent is met hun eigen overtuigingen en de bron geloofwaardig is (default pathway). Pas als niet aan deze voorwaarden is voldaan, dan begeven mensen zich op een ander pad, waarin de beweringen van de ander worden geëvalueerd aan de hand van de coherentie met al het andere beschikbare bewijs (reflective pathway).1 Thagard illustreert de theorie aan de hand van voorbeelden uit het dagelijks bestaan. Mensen horen of lezen talloze verklaringen van andere mensen en accepteren die als juist zonder daar ook maar een moment bij stil te staan. Denk bijvoorbeeld aan de voetbaluitslagen in de krant of de collega die op maandag zijn weekend beschrijft. In dit geval zullen deze verklaringen zonder nadere reflectie als waar worden aangenomen. Echter, soms stuiten we op een bewering die dubieus is, omdat de bron ongeloofwaardig is of de bewering niet strookt met de eigen kennis. In een dergelijk geval wordt een bewering niet automatisch geaccepteerd, maar zal een nadere reflectie plaatsvinden over de bewering en de persoon die de bewering doet.2 Dit is bijvoorbeeld het geval als een journalist van een boulevardblad beweert dat koningin Maxima in verwachting is van haar vierde kind of een weerman die op een regenachtige dag in april beweert dat het de volgende dag 30 graden wordt.
Volgens Thagard vindt er altijd een impliciete waardering plaats van de bewering en de bron. In de meeste gevallen zal de bewering die onbewuste test doorstaan en zonder nadere reflectie als juist worden geaccepteerd. Echter, wanneer de bewering inconsistent is met hetgeen de toehoorder gelooft of wanneer de bron ongeloofwaardig is, dan zal men het reflectieve pad inslaan, waarin een meer uitgebreid proces van waardering plaatsvindt (in het licht van alle andere aanwezige kennis, verklarende coherentie). Thagard noemt een aantal situaties waarin nadere reflectie teweeg wordt gebracht (reflective triggers), namelijk het vermeende gebrek aan geloofwaardigheid van de bron (op grond van zowel algemene als contextuele informatie), niet geloofwaardig gedrag van de bron, inconsistentie van de bewering met andere overtuigingen en onverenigbaarheid met andere doelen van de toehoorder.3 Hoewel het vanuit het perspectief van het voorkomen van onjuiste overtuigingen beter zou zijn altijd het reflectieve pad te bewandelen, is dit volgens Thagard in het dagelijks leven ondoenlijk. Daar onwaarheden in de alledaagse communicatie veelvuldig voorkomen, zou teveel reflectie het leven onmogelijk maken. Toch is zijn duale model naar eigen zeggen in overeenstemming met het reductionistisch perspectief, doordat bij beide wegen de inductieve rechtvaardiging centraal staat. Er vindt immers altijd een (impliciete) waardering plaats aan de hand van de kennis over de bewering en de bron van waaruit deze voortkomt.4
In de juridische context wordt van functionarissen die beslissingen baseren op verklaringen van getuigen verlangd dat zij het reflectieve pad inslaan, ook in die gevallen waarin zij daar als mens van nature mogelijk niet (of minder) toe geneigd zouden zijn. Wanneer uitsluitend een onbewuste waardering plaatsvindt van de bron, is het risico dat er oneigenlijke aspecten in de oordeelsvorming worden meegenomen. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan heuristieken en zogenaamde biases. Bij heuristieken moet worden gedacht aan eenvoudige denkstrategieën of vuistregels die niet strikt logisch zijn, maar vaak wel kloppen.5 Wagenaar noemt in dit verband de Blokkerregel: als het niet op de plank staat dan hebben we het niet.6 Dit zal meestal waar zijn omdat de schappen bij de Blokker regelmatig worden bijgevuld, maar dat hoeft niet het geval te zijn. Het gebruik van heuristieken kan tot bias (een vooroordeel of een bepaalde voorkeur7) leiden en (daarmee) tot onjuiste conclusies. Neem het volgende voorbeeld van Kahneman over een persoon genaamd Steve (die willekeurig is gekozen uit een representatieve steekproef).
‘Iemand is door een buurman als volgt omschreven: ‘Steve is heel verlegen en teruggetrokken, onveranderlijk behulpzaam maar met weinig belangstelling voor mensen of voor wat er in de wereld gebeurt. Hij is zachtmoedig en ordelijk met behoefte aan structuur en regelmaat met een hartstocht voor details. Is Steve eerder een bibliothecaris of een boer?’
Veel mensen zullen voor een bibliothecaris kiezen omdat Steves persoonlijkheid voldoet aan stereotype van een bibliothecaris. Daarbij wordt echter de statistische verhouding binnen de populatie hoofd gezien: in de Verenigde Staten zijn er namelijk twintig keer zoveel mannelijke boeren als mannelijke bibliothecarissen. Het heuristiek van ‘gelijkenis’ leidt in dit geval tot bias en een onjuiste voorspelling.8 In de literatuur zijn veel heuristieken beschreven die hier verder onbesproken blijven. Waar het om gaat is dat onbewuste processen (hoewel sneller) met meer fouten gepaard gaan dan bewuste, rationele denk-processen. Van de rechter die een verklaring wil gebruiken voor de bewijsbeslissing wordt verwacht dat hij zoveel mogelijk bewust en op rationele gronden een inschatting maakt van de waarheidsgetrouwheid van de verklaring.