Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.5.2
7.8.2.5.2 Bestuur
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS233003:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Rensen 2-III, 2017/334.
Asser/Rensen 2-III, 2017/336.
Zie Asser/Rensen 2-III, 2017/339.
Rensen is van mening dat een bestuurder steeds kan worden ontslagen door de benoemende instantie, tenzij de statuten anders bepalen (Asser/Rensen 2-III, 2017/339, waar ook de andersluidende mening van J.M.M. Maeijer wordt weergegeven).
Zie bijvoorbeeld ook E.R. Helder en J.F.H. van den Belt, De financiële planner en het ondernemingsrecht (II), VFP 2001/8, pagina 4 – 5.
Vergelijk ook J.L.D.J. Maasland, De stichting familiebeheer, Tijdschrift Erfrecht 2011/5, pagina 88.
Artikel 2:299 BW. Indien de persoon of het orgaan dat volgens de statuten de bestuurders kan benoemen is komen te ontbreken, ligt in combinatie met de benoeming van een nieuw bestuur een statutenwijziging voor de hand. Artikel 2:294 lid 1 BW geeft de mogelijkheid tot statutenwijziging door de rechter (zie paragraaf 7.8.2.5.4), maar de kring van personen die hierom kunnen verzoeken is beperkt tot de oprichter, het bestuur en het openbaar ministerie. (Andere) belanghebbenden staan derhalve met lege handen.
Een STAK-bestuur bestaande uit meerdere personen heeft mijns inziens sowieso de voorkeur, omdat de verschillende bestuurders dan elkaar kunnen controleren en daarmee het evenwicht tussen de belangen waarschijnlijk eenvoudiger kunnen bewaren. Doorgaans zal een bestuur bestaande uit drie personen dan volstaan. Afhankelijk van de aard en omvang van het gecertificeerde vermogen en het doel van de certificering kan een meerhoofdig bestuur echter een wat “zware” oplossing zijn. Bovendien zal het niet altijd eenvoudig zijn om een geschikte STAK-bestuurder te vinden, laat staan meerdere.
Artikel 2:298 BW. Deze gronden zijn limitatief, zie C.H.C. Overes, GS Rechtspersonen, aantekening 2 bij artikel 2:298 BW.
Asser/Rensen 2-III, 2017/349.
HR 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222.
Zie de conclusie van A-G Timmerman bij HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3875, JOR 2004/160. De A-G merkt hierin tevens op dat het moet gaan om gevallen van uitgesproken onrechtmatig handelen (punt 2.11).
HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324, NJ 2007/241.
HR 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222.
Zie echter de noot van J.M.M. Maeijer bij HR 10 november 2006, NJ 2007/45, waar hij opmerkt dat tegen de beperkende interpretatie van het begrip “wanbeheer” door de Hoge Raad verzet is gerezen en dat lang niet zeker is of de Hoge Raad thans nog achter deze uitspraak zou staan.
Zie zijn conclusie bij HR 23 april 2004, JOR 2004/160 (punt 2.12).
Asser/Rensen 2-III, 2017/349.
HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45. In dit arrest bevestigt de Hoge Raad bovendien dat de beslissing om een bestuurder op voet van artikel 2:298 BW te ontslaan bij voorraad uitvoerbaar verklaard kan worden.
Dit wordt ook bevestigd in HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2299, RN 2011/91.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de voorgestelde Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (34 491) voorziet in een verruiming van de ontslaggronden in artikel 2:298 BW. Dit wetsvoorstel is op 28 januari 2020 aangenomen door de Tweede Kamer. Zelfs indien deze verruiming wordt opgenomen in de wet verdient een degelijke statutaire regeling mijns inziens sterk de voorkeur.
Artikel 2:25 BW bepaalt dat van de bepalingen van boek 2 BW slechts kan worden afgeweken, voor zover dat uit de wet blijkt. Artikel 2:298 is limitatief geformuleerd en voorziet niet in een mogelijkheid tot afwijking.
Dit is een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW.
Daarbij kan men eventueel bepalen dat de niet herbenoemde bestuurder niet alsnog door het STAK-bestuur benoemd kan worden.
Bijvoorbeeld door de certificaathouders. Aangezien de STAK in een impasse geraakt zonder bestuur, is het ook in hun belang om dit te doen.
Als voorbeeld is nog aardig om deze bepaling te noemen, die voorkwam in de administratievoorwaarden ter zake van certificaten waar de procedure HR 19 mei 1976, PW 18 480, betrekking op had: Indien het bestuur van het administratiekantoor in ernstige mate in gebreke blijft met de vervulling van de verplichtingen welke voor het bestuur uit deze statuten voortvloeien, hetzij op andere wijze de belangen van de certificaathouders ernstig schaadt, zijn de certificaathouders bevoegd om over te gaan tot royement van hun certificaten, mits daartoe een besluit genomen wordt met een meerderheid van vier/vijfde der geldig uitgebrachte stemmen in een vergadering, waarin alle in omloop zijnde certificaten vertegenwoordigd zijn.
Iedere stichting dient in elk geval een bestuur te hebben. Overige organen, zoals een toezichthoudend orgaan, zijn mogelijk, maar niet verplicht. Indien naast het bestuur geen sprake is van andere organen, heeft het bestuur in beginsel een grote mate van autonomie. De wet geeft echter enkele beperkingen hierop of opent de mogelijkheid om deze statutair aan te brengen, evenals verruimingen:
Het bestuur van een stichting is in beginsel niet bevoegd te besluiten tot het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, of het aangaan van overeenkomsten waarbij de stichting zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor de schuld van een ander verbindt, tenzij de statuten deze mogelijkheid bieden. Indien het bestuur deze bevoegdheid wel krijgt, kunnen daaraan beperkingen of voorwaarden verbonden worden.1
De basisregeling is dat een stichting vertegenwoordigd wordt door haar bestuur. Statutair kan echter ook een vertegenwoordigingsbevoegdheid verleend worden aan een of meer bestuurders. Ook kunnen de statuten daarentegen bepalen dat een bestuurder de stichting slechts met medewerking van één of meer anderen mag vertegenwoordigen.2 Rensen acht een statutaire instructiebevoegdheid van een ander orgaan van de stichting in beginsel toegestaan.3
Van belang is om op te merken dat de wet geen regeling kent voor de situatie waarin een stichting een tegenstrijdig belang heeft met één of meerdere van haar bestuurders. Een bestuurder met een tegenstrijdig belang kan de stichting derhalve rechtsgeldig vertegenwoordigen. Statutair kan voor deze situatie een regeling getroffen worden, maar deze heeft in principe slechts interne werking en is dus niet aan derden tegen te werpen.4
Een regeling voor benoeming en ontslag van bestuurders kan op verschillende wijzen worden vormgegeven. Zo kan een bestuurder voor onbepaalde tijd benoemd worden, maar ook voor bepaalde tijd, waarna hij automatisch defungeert. Ook kan het defungeren afhankelijk worden gesteld van het bereiken van een bepaalde leeftijd of van het verlies van een bepaalde kwaliteit.5 Een voor de hand liggende mogelijkheid is om te bepalen dat degene die een bestuurder benoemt, hem ook weer kan ontslaan.6 Een regeling voor het ontslag van bestuurders is voorts noodzakelijk: indien de statuten hier niet in voorzien is slechts ontslag op grond van artikel 2:298 BW mogelijk. Dat impliceert dat indien een dergelijke bestuurder voor onbepaalde tijd is benoemd (en overigens geen gronden voor automatisch defungeren zijn vastgelegd), het bijzonder moeilijk kan zijn om hem te ontslaan, zie nader hierna.
Bij certificering in familiale context zal de insteller doorgaans de eerste en gedurende zijn leven veelal ook enige bestuurder van de STAK zijn. Hij kan bovendien reeds opvolgende bestuurders benoemen voor het geval van zijn overlijden of ontstentenis. Wie geschikt zijn als opvolgende bestuurder hangt in belangrijke mate samen met de aard en omvang van het gecertificeerde vermogen en het doel van de certificering. Indien bijvoorbeeld sprake is van een familiebedrijf en één certificaathouder als bedrijfsopvolger, is denkbaar om drie bestuurders te hebben: de bedrijfsopvolger, een afgevaardigde vanuit het bedrijf en een neutrale derde, die het evenwicht tussen de bedrijfsbelangen en de belangen van de niet-opvolgende certificaathouders bewaakt. Met oog op het laatste is ook denkbaar dat niet de bedrijfsopvolger bestuurder is, althans niet namens de certificaathouders, maar dat de certificaathouders gezamenlijk iemand afvaardigen, die hun belang vertegenwoordigt. Bij ander vermogen, zoals kunst of beleggingsvermogen, is er niet een hele duidelijke vertegenwoordiger van het belang dat door de certificering gediend is, zoals daar bij een onderneming sprake van is. Het is dan de STAK zelf die dat belang zal moeten behartigen, zodat een “neutraal” bestuur, zonder deelname vanuit of namens de certificaathouders dan meer voor de hand ligt. Nuanceringen en waarborgen voor een goede samenstelling van het bestuur kunnen voorts worden aangebracht door middel van, al dan niet negatieve, kwaliteitseisen, bijvoorbeeld dat een bestuurder geen certificaathouder mag zijn.7 Ook kan een regeling getroffen worden waarbij de certificaathouders vanaf een bepaalde leeftijd toegang hebben tot bestuursvergaderingen of deel kunnen nemen aan het bestuur, om inzicht te krijgen in de samenstelling en vaardigheid in het beheer hiervan.8 Uitgaande van certificering voor de (zeer) lange termijn ligt evenwel voor de hand om de (gezamenlijke) certificaathouders eventueel te laten deelnemen aan het bestuur van de STAK, maar zonder dat zij een meerderheid van de stemmen in dit bestuur hebben.
Een algemene regeling voor de benoeming is van groot belang (en gezien artikel 2:286 lid 3 BW verplicht), aangezien de wet slechts voorziet in een gedeeltelijke regeling voor de benoeming en het ontslag van de bestuurders van een stichting. Voor de benoeming is slechts geregeld dat, indien het door de statuten voorgeschreven bestuur geheel of gedeeltelijk ontbreekt en daarin niet overeenkomstig de statuten wordt voorzien, de rechtbank op verzoek van iedere belanghebbende of het openbaar ministerie in de vervulling van de vacature kan voorzien, daarbij de statuten zoveel mogelijk in acht nemend.9 Dit is derhalve slechts een laatste redmiddel voor de situatie waarin een stichting als gevolg van het ontbreken van bestuurders vast dreigt te lopen.
In het geval van certificering in de familiesfeer zie ik op hoofdlijnen een drietal mogelijkheden voor de benoeming van nieuwe bestuursleden:
het bestuur voorziet zelf in de vervulling van vacatures (coöptatie), hetgeen impliceert dat sprake is van een meerhoofdig bestuur;10
de (vergadering van) certificaathouders benoemt nieuwe bestuursleden; of
een “neutraal” orgaan, dat dan logischerwijs ook een toezichthoudende rol zal hebben, benoemt nieuwe bestuurders.
Uiteraard zijn tussenvarianten mogelijk, zoals het bestuur dat nieuwe bestuursleden benoemt, maar hiervoor goedkeuring van de certificaathouders nodig heeft. Ook kunnen kwaliteitseisen gesteld worden aan de bestuurders, zoals de reeds genoemde variant met één bestuurder afkomstig van de vennootschap (of groep) waarvan de aandelen gecertificeerd zijn, één bestuurder van de certificaathouders en één derde, om het evenwicht tussen beide belangen te bewaren. De wenselijke inrichting van het bestuur hangt samen met de aard en omvang van het gecertificeerde vermogen, maar ook met de mate waarin de insteller zeggenschap aan de certificaathouders heeft willen toekennen of juist onthouden. In het kader van vermogensbescherming ligt het niet voor de hand dat de certificaathouders het bestuur kunnen benoemen (en in het verlengde daarvan ook ontslaan), althans niet zonder dat een ander orgaan van de STAK een dergelijke benoeming kan tegenhouden. Het andere uiterste is benoeming van bestuursleden door middel van coöptatie, zonder enige invloed van de certificaathouders of een toezichthoudend orgaan. Bij deze laatste variant slaat het evenwicht in zeggenschap tussen bestuur en certificaathouders in mijn ogen echter te veel door naar de zijde van het bestuur, in elk geval indien men aanneemt dat de bevoegdheid tot het eventuele ontslag van bestuursleden dan ook aan het bestuur van de STAK is toegekend (zie voorts hierna).
Naast een wettelijke regeling voor de benoeming van bestuurders is er namelijk ook een regeling voor het ontslag van bestuurders door de rechter, in een aantal gevallen:11
(i) Doen of nalaten in strijd met de wet. “Wet” kan in dit verband ruimer worden opgevat dan alleen boek 2 BW.12 De Hoge Raad geeft echter een restrictieve interpretatie aan handelen in strijd met de wet:
dat echter ten aanzien van bestuurshandelingen 'in strijd met de bepalingen van de wet' in de zin van art. 12 moet worden aangenomen, dat de wetgever deze slechts als mogelijke grond voor ontslag heeft willen aanvaarden, indien op het moment van het plegen van die handelingen rederlijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk was; [onderstreping AEdL]13
Het aangehaalde arrest heeft betrekking op artikel 12 van de Wet op Stichtingen, waar het huidige artikel 2:298 BW de opvolger van is. Het in artikel 12 Wet op Stichtingen neergelegde principe en de uitleg daarvan door de Hoge Raad zijn ook nog onder de huidige wet toepasbaar.14
(ii) Doen of nalaten in strijd met de statuten. Ook dit criterium legt de Hoge Raad restrictief uit, in de zin dat er redelijkerwijs geen verschil van mening mogelijk mag zijn over de onrechtmatigheid van het handelen.15
(iii) Wanbeheer, hetgeen net als de vorige twee criteria beperkt door de Hoge Raad wordt ingevuld:
dat op grond daarvan moet worden aangenomen dat de wetgever bij 'wanbeheer' als ontslaggrond voor een bestuurder niet heeft gedacht aan bestuurlijk wanbeleid in het algemeen, maar aan tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen van de Stichting of van de zorg voor de verkrijging van de inkomsten waarover de Stichting kan beschikken; [onderstreping AEdL]16
De Hoge Raad beperkt “wanbeheer” derhalve tot financieel wanbeheer.17 A-G Timmerman geeft aan dat het past in de uitleg die de Hoge Raad aan de ontslaggronden geeft, om alleen in gevallen van evident, uitgesproken falend beleid met betrekking tot het beheer van het vermogen en de zorg over de geldmiddelen van wanbeheer te spreken.18 Rensen merkt op dat de lagere rechtspraak verdeeld is over de vraag of wanbeheer in een enkele gedraging kan zijn gelegen, of dat sprake moet zijn van een langdurig karakter. Zelf is hij van mening dat ook een eenmalig handelen of nalaten wanbeheer kan opleveren indien dit zeer ernstige gevolgen heeft.19
(iv) Het niet of niet behoorlijk voldoen aan een door de voorzieningenrechter van de rechtbank gegeven bevel uit hoofde van artikel 2:297 BW.
De uitleg die de Hoge Raad aan deze bepaling geeft, brengt met zich dat niet snel sprake zal zijn van een situatie waarin ontslag van een bestuurder door de rechtbank mogelijk is.
Het verzoek tot ontslag van een bestuurder kan worden ingediend door het openbaar ministerie of door iedere belanghebbende. De wet geeft daarbij niet aan wie tot de belanghebbenden gerekend moeten worden. De Hoge Raad heeft het begrip belanghebbende evenwel als volgt ingevuld:
Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.20
Certificaathouders vallen mijns inziens in de groep van personen met een zodanig eigen belang, dat zij dit moeten kunnen beschermen door middel van een verzoek om ontslag van een bestuurslid van de STAK.21 Gezien de beperkte uitleg die de Hoge Raad geeft aan de ontslaggronden van artikel 2:298 BW, is de bescherming die deze bepaling aan de certificaathouders biedt naar mijn mening echter beperkt.22 Het evenwicht in de positie van het bestuur en die van de certificaathouder slaat dan wel erg ver door naar het bestuur, zodat een aanvullende regeling om de positie van de certificaathouders te beschermen mijns inziens aangewezen is. Een belangrijk element om de certificering te doen slagen, met inachtneming van de belangen van alle betrokkenen, is een kundig bestuur dat met al deze belangen rekening houdt en hoewel het zo zal zijn dat de gemiddelde insteller zorg zal betrachten om in een betrouwbaar en kundig bestuur te voorzien en de gemiddelde bestuurder zich naar eer en geweten van zijn taak zal kwijten, getuigt de hiervoor aangehaalde jurisprudentie van het feit dat de realiteit soms anders uitpakt. Met de statutaire regeling van (onder meer) de benoeming van het bestuur van de STAK dient men zich daarom rekenschap te geven van deze realiteit, hetgeen impliceert dat noch het bestuur, noch de certificaathouders in die mate de overhand hebben, dat er geen of slechts beperkte mogelijkheden zijn om hen ter verantwoording te roepen.
Het voorgaande vraagt om een regeling waarbij ofwel de benoeming en het ontslag van het bestuur van de STAK in handen zijn van een neutrale partij, zoals een toezichthoudend orgaan, ofwel de certificaathouders de mogelijkheid hebben om het handelen van een bestuurder ter beoordeling voor te leggen, met als eventuele consequentie dat dit tot het ontslag van een bestuurder leidt, maar dan op ruimere gronden dan die van artikel 2:298 BW. Een theoretische derde mogelijkheid is dat het initiatief tot benoeming en ontslag bij de certificaathouders wordt gelegd, met een controlemechanisme op hun handelen, maar gezien de bedoeling van certificering bij vermogensbescherming is dit geen voor de hand liggende optie. Aan deze mogelijkheid ga ik derhalve voorbij.
Het aanwijzen van een toezichthoudend orgaan als partij die bestuurders van de STAK kan benoemen en ontslaan is in sommige opzichten het eenvoudigst; er is altijd een neutrale partij voorhanden, die ook in beginsel permanent het optreden van het bestuur toetst, terwijl de andere belanghebbende in de tegenstelling, de certificaathouder, net als het bestuur geen (formeel) initiatief heeft. Het permanent hebben van een toezichthoudend orgaan kan echter, mede gelet op de aard en omvang van het gecertificeerde vermogen en de betrokken belangen een relatief gecompliceerde structuur opleveren, hetgeen niet gerechtvaardigd wordt door de omstandigheden van de desbetreffende certificering. Een vorm van meer ad hoc-toetsing van het bestuur kan dan de positie van de certificaathouders beschermen.
In aanmerking nemend dat het niet mogelijk is om de ontslaggronden van artikel 2:298 BW statutair uit te breiden en daarmee ook andere vormen van (vermeend) wanbestuur of oncoöperatief gedrag van het STAK-bestuur aan de rechter voor te leggen23 zijn verschillende oplossingen denkbaar om een dergelijke toetsingsmogelijkheid te creëren. Zonder uitputtend te willen zijn, hetgeen gezien de variaties aan mogelijke situaties ook niet goed mogelijk is, wil ik een drietal denkrichtingen schetsen:
Er wordt voorzien in een, op de statuten gebaseerd, bestuursreglement, dat richtlijnen geeft voor het bestuur en van wat als ongeoorloofd handelen van het bestuur wordt beschouwd. Het bestuur wordt jegens de STAK verplicht om zich aan dit reglement te houden, zodat een schending van de daarin neergelegde regels wanprestatie met zich brengt. Tevens wordt bepaald dat de (vergadering van) certificaathouders zich op een schending van het bestuursreglement kunnen beroepen.24 Als gevolg daarvan kunnen de certificaathouders het bestuur direct ter verantwoording roepen en een (veronderstelde) schending van de regels van het bestuursreglement ter toetsing aan de rechter voorleggen.
Hoewel de positie van de certificaathouders op deze wijze beschermd kan worden, zijn er mijns inziens wel twee nadelen. Allereerst zal in geval van een daadwerkelijk onwillig bestuur een gang naar de rechter noodzakelijk zijn, hetgeen een zekere drempel opwerpt (overigens niet meer dan bij toepassing van artikel 2:298 BW het geval is). Daarnaast vereist een effectief bestuursreglement een vrij specifieke omschrijving van de gestelde regels, om discussie daarover te voorkomen. De keerzijde daarvan is dat een hele precieze omschrijving minder flexibel is en dat het risico bestaat dat niet alle mogelijke probleemsituaties omschreven worden.
Als variant op (a) kan tevens een arbitrageclausule opgenomen worden, zodat de certificaathouders de mogelijkheid hebben om een conflict met het STAK-bestuur in arbitrage ter discussie te stellen in plaats van aan de rechter voor te leggen. Een opzet kan daarbij zijn dat de certificaathouders één arbiter aanwijzen, het bestuur een tweede en deze tezamen een derde, “neutrale” arbiter. Mogelijk is dit voor de certificaathouders laagdrempeliger dan een gang naar de rechter. Het punt van het zorgvuldig moeten formuleren van de richtlijnen waar het bestuur zich aan dient te houden blijft echter ongewijzigd.
Een hele andere benadering is om te werken met tijdelijke bestuursbenoemingen en de certificaathouders een vetorecht te geven. Daarbij is bijvoorbeeld de volgende aanpak denkbaar: iedere bestuurder wordt benoemd voor een termijn van één jaar. Het benoemende orgaan is het bestuur van de STAK zelf. Na verstrijken van het jaar volgt automatisch herbenoeming (eventueel gemaximeerd tot een bepaald aantal termijnen), tenzij de (vergadering van) certificaathouders de herbenoeming blokkeert door gebruik te maken van het vetorecht. Indien bestuurders resteren, kunnen deze in de aldus ontstane vacature voorzien.25 Indien geen bestuurders resteren, kan de rechter op voet van artikel 2:299 BW verzocht worden om in de vacature(s) te voorzien.26 Als rem op al te lichtvaardig gedrag van de certificaathouders kan in de statuten bepaald worden dat de rechter wel de oorspronkelijke bestuurder(s) kan herbenoemen voor een door hem te bepalen termijn (eventueel met maximum), zodat de certificaathouders niet na weer één jaar de herbenoeming van deze bestuurder kunnen blokkeren.
Het voordeel van een benadering als deze is de relatieve eenvoud: het niet herbenoemen van een bestuurder hoeft niet afhankelijk gemaakt te worden van bepaalde richtlijnen voor diens gedrag, maar kan een discretionaire bevoegdheid van de certificaathouders zijn. Het evenwicht tussen diens positie en die van de bestuurder wordt bewaard doordat herbenoeming via een (rechterlijke) omweg echter toch mogelijk is.
Welke oplossing(srichting) in een concreet geval passend is, hangt uiteraard erg af van de omstandigheden van een specifiek geval.27 Het is echter van groot belang voor de insteller om zich rekenschap te geven van een regeling voor de benoeming en het ontslag van bestuurders van de STAK, waarbij ook rekening gehouden wordt met de positie van de certificaathouders.