Rechtbank Den Haag 25 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12249.
HR, 06-03-2026, nr. 25/01590
ECLI:NL:HR:2026:347
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-03-2026
- Zaaknummer
25/01590
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:347, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2025:281
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1363
ECLI:NL:PHR:2025:1363, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:347
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
- Vindplaatsen
PFR-Updates.nl 2026-0054
Uitspraak 06‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Relatievermogensrecht. Huwelijksgoederengemeenschap. Art. 1:94 lid 5 (oud) BW. Borgtocht. Art. 7:850 BW. Zijn schulden waarvoor man zich als borg heeft verbonden gemeenschapsschulden? Hoofdelijke aansprakelijkheid. Art. 6:7 BW. Is interne draagplicht van echtgenoot ten opzichte van medeschuldenaar bepalend voor vraag of en voor welke omvang schuld als gemeenschapsschuld geldt?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01590
Datum 6 maart 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de vrouw,
advocaat: C.G.A. van Stratum,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] , Frankrijk,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de man,
advocaat: thans R.T. Wiegerink, aanvankelijk M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken C/09/632615 FA RK 22-4727 en C/09/642443 FA RK 23-920 van de rechtbank Den Haag van 25 juli 2023;
b. de beschikking in de zaken 200.334.532/01 en 200.334.540/01 van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025.
De vrouw heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal S.E. Bartels strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing.
De advocaat van de vrouw heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele wettelijke gemeenschap van goederen.
(ii) De huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden door indiening van een echtscheidingsverzoekschrift.
(iii) [betrokkene 1] heeft leningen verstrekt aan met de man verbonden vennootschappen, waaronder HR Logistic Services B.V. (hierna: HR Logistic Services). De man heeft zich voor een deel van die leningen als medeschuldenaar en/of borg verbonden.
2.2
Partijen hebben in deze procedure, voor zover in cassatie van belang, verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft onder meer verzocht te bepalen dat alle schulden aan [betrokkene 1] tot de gemeenschapsschulden behoren en bij helfte worden gedeeld.
2.3
De rechtbank1.heeft, voor zover in cassatie van belang, geoordeeld dat de totale schuld die de man tezamen met HR Logistic Services is aangegaan € 1.904.653,10 bedraagt, de man in de interne verhouding tot HR Logistic Services een bijdrageplicht heeft van 50% (€ 952.326,55) en partijen in de onderlinge verhouding ieder voor de helft van dit bedrag (€ 476.163,28) draagplichtig zijn.
2.4
Het hof2.heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en onder meer bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen van [betrokkene 1] . Het hof heeft zijn oordeel als volgt toegelicht.
Een gevolg van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen is dat in beginsel alle goederen in de gemeenschap vallen en dat in beginsel alle schulden op de huwelijksgoederengemeenschap verhaalbaar zijn. Op basis van art. 1:100 BW moet de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte worden verdeeld. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan van een verdeling bij helfte worden afgeweken. Art. 6:102 BW houdt in dat de echtgenoot die de schuld niet is aangegaan, jegens de schuldeiser hoofdelijk aansprakelijk wordt. (rov. 5.2)
De vrouw heeft geen uitzonderlijke omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden. (rov. 5.37)
De man heeft in zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt verder in zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar, leningen zijn aangegaan bij [betrokkene 1] . (rov. 5.39)
De man heeft producties in het geding gebracht met betrekking tot deze gemeenschapsschulden. In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met hem verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond), komt dit uit op € 6.016.399,--. (rov. 5.40)
De man heeft zich als hoofdelijk schuldenaar verbonden voor de schulden van de vennootschappen of zich als borg verbonden. De vrouw was volledig van de gang van zaken rond de leningen en hypothecaire zekerheidsstelling op de hoogte en deze had haar instemming. De schulden van de man aan [betrokkene 1] moeten worden gekwalificeerd als gemeenschapsschulden. Partijen zijn gelijk draagplichtig voor deze gemeenschapsschulden, en als deze gemeenschapsschulden rentedragend zijn, zijn beide partijen dus ook gelijk draagplichtig voor de rentetermijnen die ontstaan (zijn) na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. (rov. 5.48)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1 en onderdeel 4 van het middel klagen over het oordeel van het hof (in rov. 5.48) dat de schulden van de vennootschappen aan [betrokkene 1] waarvoor de man zich als hoofdelijk schuldenaar of als borg heeft verbonden, als gemeenschapsschulden gelden.
Volgens onderdeel 1 getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de schuld van de vennootschappen door de borgstelling niet de schuld van de borg wordt.
Onderdeel 4 voert onder meer aan dat voor het antwoord op de vraag of en tot welk bedrag een schuld waarvoor een echtgenoot zich hoofdelijk heeft verbonden in de huwelijksgoederengemeenschap valt, de interne draagplicht van de echtgenoot ten opzichte van zijn medeschuldenaar bepalend is.
De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.2
Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, dat bepaalt dat de huwelijksgoederengemeenschap in beginsel alle schulden van ieder van de echtgenoten omvat, valt ook een uit borgtocht voortvloeiende schuld van de echtgenoot in de gemeenschap. Onderdeel 1 faalt dan ook.
Ook onderdeel 4 slaagt niet. De (hoofdelijke) aansprakelijkheid van één van de echtgenoten jegens een schuldeiser bepaalt of en voor welke omvang de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt. Indien een echtgenoot zich als medeschuldenaar (hoofdelijk) heeft verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW), valt deze schuld krachtens art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap.
3.3
Onderdeel 9 klaagt onder meer dat het hof (in rov. 5.40) niet in zijn oordeel heeft betrokken het betoog van de vrouw dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden van de aan hem verbonden vennootschappen niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden.
3.4
De klacht slaagt. De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep tevens inhoudende incidenteel appel aangevoerd dat de man zich ten aanzien van een deel van de schulden niet als medeschuldenaar heeft verbonden. De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 54 erkend dat uit de overgelegde notariële akte van 1 september 2020 (productie 72) blijkt dat [betrokkene 1] en HR Logistic Services een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij zeven al bestaande zakelijke leningen zijn samengevoegd tot een nieuwe lening ter hoogte van een bedrag van € 867.034,--, en dat de man zich voor deze schuld niet als medeschuldenaar of borg heeft verbonden. In het licht van deze standpunten van partijen is het oordeel van het hof in rov. 5.40 ten aanzien van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de aan de man verbonden vennootschappen heeft geleend, onbegrijpelijk.
3.5
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren F.J.P. Lock en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 maart 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑03‑2026
Gerechtshof Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:281.
Conclusie 12‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Relatievermogensrecht. Afwikkeling echtscheiding. Oude huwelijksgemeenschapsregime. Gemeenschapsschulden. Borgtocht. Hoofdelijk medeschuldenaarschap. Externe aansprakelijkheid en interne draagplicht.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01590
Zitting 12 december 2025
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de vrouw]
tegen
[de man]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.
1. Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft de afwikkeling van een echtscheiding waarop nog het oude huwelijksgemeenschapsregime van voor 2018 van toepassing is. In cassatie komt onder meer de vraag aan de orde of schulden, waarvoor de man zich als borg heeft gesteld en/of als hoofdelijke schuldenaar heeft verbonden, schulden betreffen die in de gemeenschap vallen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:1.
(i) Partijen zijn gehuwd op 14 december [2017] .
(ii) Op het huwelijksvermogen van partijen is het regime van de algehele wettelijke gemeenschap van goederen van toepassing.
(iii) De huwelijksgemeenschap is ontbonden op 14 juli 2022, door indiening van het echtscheidingsverzoekschrift.
2.2
De man heeft op 14 juli 2022 de rechtbank Den Haag verzocht de echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen. Bij verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek heeft de vrouw ook verzocht de echtscheiding uit te spreken. Voor zover in cassatie van belang hebben beide partijen verzocht om de verdeling van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen vast te stellen op de door ieder van hen voorgestelde wijze. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat onder meer de leningen bij [betrokkene 1] , waarvoor de man zich hoofdelijk als medeschuldenaar heeft verbonden voor een bedrag van € 6.651.049,--, als gemeenschapsschulden zijn aan te merken. De vrouw heeft de gemeenschapsschulden voor een bedrag van € 952.326,55 erkend, maar heeft bepleit dat de bijzondere omstandigheden meebrengen dat de man hier volledig draagplichtig voor is.
2.3
Bij beschikking van 25 juli 2023 heeft de rechtbank De Haag de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Ten aanzien van de gemeenschapsschulden heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake was van leningen bij [betrokkene 1] voor een bedrag van € 1.904.653,10 waarvoor de man zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden, dat de man in de interne verhouding tot de andere medeschuldenaar (een aan hem gelieerde vennootschap) een bijdrageplicht heeft van 50% (zijnde het door de vrouw erkende bedrag van € 952.326,55), en dat de man en de vrouw op hun beurt ieder voor de helft van dit bedrag draagplichtig zijn. Wat betreft de door de man op 29 juli 2022 en 30 augustus 2022 aangegane leningen bij [betrokkene 1] van elk € 140.000,-- stelt de rechtbank vast dat partijen het erover eens zijn dat dit geen gemeenschapsschulden zijn, omdat de man deze is aangegaan na de peildatum. Wat betreft de overige door de man gestelde leningen heeft de rechtbank geoordeeld dat de man deze onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank wijkt niet af van de regel dat schulden van de gemeenschap door de (ex) echtgenoten ieder voor een gelijk deel moeten worden gedragen, nu de vrouw onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.2.
2.4
De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Den Haag. Hij heeft onder meer grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gemeenschapsschulden, en voor zover in cassatie van belang onder meer het volgende verzocht:
“Schulden
S. De beschikking vernietigen en/of te wijzigen en te bepalen dat dat partijen in onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] van data 24-09-2021, 03-12-2021, 15-12-2021, 10- 01-2022, 26-01-2022, 28-02-2022, 29-12-2021, 28-03-2022, 29-04-2022, 01-06-2022, 1-07- 2022, 06-02-2020, 24-02-2020, 10-01-2022 en 01-09-2020 met een totaalbedrag van € 6.672.442,53 inclusief rente en voor recht te verklaren dat partijen tot op heden geen aflossingen op de geldleningen bij [betrokkene 1] hebben gedaan.”
2.5
De vrouw heeft in het principaal beroep hiertegen verweer gevoerd en heeft zelf in incidenteel appel – voor zover in cassatie van belang – grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de schulden tot een bedrag van € 952.326,55 tot de gemeenschap behoren. Primair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de door de man als medeschuldenaar aangegane schulden buiten de huwelijksgemeenschap vallen. Subsidiair heeft zij verzocht te bepalen dat de man die schulden als eigen schuld dient te voldoen onder vrijwaring van de vrouw daarvoor met toedeling van samenhangende vorderingen aan de man, en meer subsidiair dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw mede draagplichtig is voor de schulden.
2.6
De man heeft verweer gevoerd in het incidenteel hoger beroep.
2.7
Bij beschikking van 29 januari 20253.heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd ten aanzien van – voor zover in cassatie van belang – alle beslissingen betreffende de schulden. Het hof heeft bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] . Daartoe heeft het hof in r.o. 5.37-5.50 overwogen:
“5.37 In de inleiding van deze beschikking heeft het hof al overwogen dat de hoofdregel is dat beide partijen gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de gemeenschapsschulden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Het hof is van oordeel dat door de vrouw geen uitzonderlijke omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden. Ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de man de gemeenschap heeft benadeeld zoals de vrouw heeft gesteld. Het hof heeft wel vastgesteld dat beide partijen op grote voet hebben geleefd terwijl er onvoldoende inkomsten waren.
5.38
Uit de processtukken volgt dat partijen voorafgaande aan hun huwelijk overleg hebben gehad met een notaris voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden. Het hof verwijst onder meer naar de mail die de vrouw op 3 december 2017 naar [notaris 1] heeft verstuurd. Om hen moverende redenen zijn partijen niet voorafgaande aan hun huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de vrouw mede draagplichtig zou worden voor de schulden van de man. De vrouw wist dat de man ondernemer was en de vrouw kon ook vaststellen dat partijen een kostbare levensstijl hadden.
5.39
Door de man is in randnummer 56 van zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt in randnummer 57 van zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar, leningen zijn aangegaan bij [betrokkene 1] .
5.40
De man heeft op 10 september 2024 een groot aantal producties in het geding gebracht met betrekking tot deze gemeenschapsschulden. Het hof verwijst hier expliciet naar de producties 69 tot en met 88. In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond) komt het hof op een bedrag van € 6.016.399,-.
5.41
De man heeft een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] van 23 oktober 2023 in het geding gebracht, waarin [betrokkene 1] verklaart dat de man en/of zijn entiteiten tot op dat moment geen aflossingen noch rentebetalingen hebben gedaan op de geldleningen (zie productie 51b).
5.42
Door de man zijn twee mails van mr. J.O. Winnubst in het geding gebracht (zie productie 51a en productie 85). Mr. J.O. Winnubst verricht werkzaamheden voor [betrokkene 1] . Door J.O. Winnubst is namens [betrokkene 1] een schuldenoverzicht gemaakt per 15 september 2023 (productie 51a) en per 31 augustus 2024 (productie 85). Uit dit overzicht volgt dat de schuld (inclusief rente) wegens het uitblijven van rentebetalingen en aflossingen, per 15 september 2023 (en ten tijde van indiening van het beroepschrift) is opgelopen tot € 6.672.442,53 en dat de totale schuld bij [betrokkene 1] nadien is opgelopen tot € 8.614.784,79 exclusief boete op 31 augustus 2024. Deze e-mail met bijlagen van 31 augustus 2024 heeft mr. J.O. Winnubst in cc verzonden aan [de vrouw] . De inhoud van deze mail is voor zover het hof kan vaststellen niet weersproken door de vrouw.
5.43
De man verzoekt in zijn petitum onder S te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] met een totaalbedrag van € 6.672.442,53 en voor recht te verklaren dat partijen tot op heden geen aflossingen op de geldleningen hebben gedaan. Een redelijke uitleg van het petitum in samenhang bezien met productie 85 gaat het hof ervan uit dat de man zijn verzoek binnen de door hem geformuleerde grief heeft vermeerderd met de rente die na indiening van het beroepschrift opeisbaar is geworden. Wat de hoogte van de schuld exact is op het moment van deze beschikking kan het hof niet vaststellen aangezien de laatste stand van de schuld inclusief boete en rente niet bekend is.
5.44
De man heeft zijn stelling met betrekking tot de omvang van de gemeenschapsschulden met een groot aantal verificatoire bescheiden onderbouwd. Het hof zal enkele producties expliciet bespreken. Productie 70 is een notariële akte van borgtocht welke akte is gepasseerd voor [notaris 2] , destijds [notaris 2] . De borgtocht is verleend voor een schuld van Elas Professional Services Netwerk BV van € 1.091.874,80. In artikel 13 staat: “Van de toestemming van de echtgenote van de Borg blijkt uit een schriftelijke verklaring die aan deze akte wordt gehecht." Productie 83 betreft een geldlening van € 170.000,- die is aangegaan door de man en HR Logistic Services BV met [betrokkene 1] . De geldlening is afgesloten op 1 juni 2022 en aan de overeenkomst van geldlening hangt een verklaring van de vrouw. In die verklaring staat onder meer: “aan [de man] toestemming te verlenen tot het zich verbinden als hoofdelijk schuldenaar zoals in deze overeenkomst is opgenomen." Uit productie 44 van de man volgt dat er ten behoeve van [betrokkene 1] een recht van hypotheek op het Chateau is gevestigd van € 4.000.000,- voor de schulden van de man en de met hem gelieerde vennootschappen. De akte is van 3 maart 2020 en is verleden voor de Franse [notaris 3] met medewerking van [notaris 2] . Voorts volgt uit productie 45 van de man dat er eveneens nog een recht van hypotheek is verstrekt aan [betrokkene 1] van € 3.000.000,- eveneens voor de schulden van de man en de met hem gelieerde vennootschappen.
5.45
De man heeft in randnummer 10 van zijn verweerschrift in het incidentele beroep gesteld dat de rechtbank te Luxemburg op 18 maart 2024 EPSN Workforce SARL in staat van faillissement heeft verklaard. Deze vennootschap houdt de aandelen in 13 werkmaatschappijen waaronder HR Logistics Services BV. Naar het oordeel van het hof zal het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen hebben voor de borgstellingen die de man met toestemming van de vrouw heeft afgegeven voor de leningen.
5.46
De vrouw stelt in randnummer 2.32 van haar verweerschrift tevens incidenteel appel dat [betrokkene 1] gelden heeft geleend aan HR Logistic Services BV welke vennootschap een 100% dochtervennootschap is van EPSN Workforce BV. Daarbij heeft [betrokkene 1] bedongen dat de man in privé zich als medeschuldenaar verbond en dat er een recht van hypotheek op het Chateau werd gevestigd. De gelden zijn volgens de vrouw naar de vennootschappen overgeboekt en materieel betreft het een schuld van de vennootschap en niet van de man in privé. In de visie van de vrouw is de huwelijksgemeenschap er niet bij gebaat. In randnummer 2.37 stelt de vrouw dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door het aangaan van een lening van € 585.000,-. In de visie van de vrouw is de man lichtvaardig schulden aangegaan.
5.47
Uit het betoog van de man volgt dat hij van mening is dat er wel sprake is van een gemeenschapsschuld ook al is het geld door [betrokkene 1] overgeboekt naar de rekening van de vennootschappen. De man heeft eveneens verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat hij de gemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van € 585.000,- (het hof verwijst naar randnummer 45 tot en met 58 van zijn verweerschrift in incidenteel appel). De vrouw was op de hoogte van de financiële staat van de onderneming.
5.48
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de man zich als hoofdelijk schuldenaar heeft verbonden voor de schulden van de vennootschappen of zich als borg heeft verbonden. Naar het oordeel van het hof was de vrouw volledig van de gang van zaken met betrekking tot de leningen en hypothecaire zekerheidsstelling op de hoogte en had het haar instemming. Het enkele feit dat [betrokkene 1] de gelden naar de rekening van de vennootschappen heeft overgeboekt geeft geen antwoord op de vraag wie de schuldenaren zijn. Het hof kwalificeert de schulden van de man aan [betrokkene 1] als gemeenschapsschulden. Partijen zijn gelijk draagplichtig voor deze gemeenschapsschulden, en als deze gemeenschapsschulden rentedragend zijn, zijn beide partijen dus ook gelijk draagplichtig voor de rentetermijnen die ontstaan (zijn) na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voorts is het hof van oordeel dat de man niet de gemeenschap voor een bedrag van € 585.000,- heeft benadeeld. De vrouw was en is op de hoogte van de financiële positie van de man en de met hem gelieerde vennootschappen. Zij is ook door [betrokkene 1] op de hoogte gesteld van de stand van zaken. Beide partijen hebben een gemeenschappelijk belang om zo spoedig mogelijk over te gaan tot sanering van de enorme schuldenlast.
5.49
Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] . Aangezien de schulden rente dragend zijn en de schuld aan [betrokkene 1] dus nog steeds oploopt kan het hof op het moment van de beschikking niet vaststellen wat de totale schuld is.”
2.8
Namens de vrouw is van de beschikking van 29 januari 2025 tijdig4.beroep in cassatie ingesteld. Door de man is een verweerschrift ingediend.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twaalf onderdelen.
3.2
Onderdeel 1 klaagt dat het oordeel van het hof in r.o. 5.48, dat de schulden van de vennootschap, waarvoor de man zich als borg heeft verbonden,5.als gemeenschapsschulden kwalificeren van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de schuld van de vennootschap door de borgstelling niet de schuld van de borg wordt.
3.3
Ik stel voorop dat, anders dan het middel wellicht doet suggereren, het hof niet heeft geoordeeld dat de schulden van de vennootschap als gemeenschapsschulden kwalificeren. Het hof heeft in r.o. 5.48 kort gezegd geoordeeld dat de man zich voor de schulden van de vennootschappen heeft verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar of als borg. Vervolgens oordeelt het hof dat de schulden van de man (en dus niet de schulden van de vennootschappen) als gemeenschapsschulden kwalificeren. Onder die schulden van de man verstaat het hof dus kennelijk de schulden als hoofdelijk medeschuldenaar en/of als borg.
3.4
Het middel gaat ervan uit dat een borgtocht niet tot gevolg heeft dat de schuld van de hoofdschuldenaar (in dit geval de vennootschap) de schuld van de borg (in dit geval de man) wordt. Op zichzelf is juist dat de borg zich niet aansprakelijk stelt voor een eigen schuld, en dat de borg in de onderlinge verhouding met de hoofdschuldenaar niet draagplichtig wordt voor de schuld. Dit is kenmerkend voor een borgtocht, waarbij het ook voor de schuldeiser duidelijk is dat de borg in diens onderlinge verhouding met de hoofdschuldenaar niet draagplichtig is.6.De klacht gaat er echter aan voorbij dat de aansprakelijkheid in de externe verhouding tussen de borg en de schuldeiser anders ligt. De borg verbindt zich gelet op art. 7:850 lid 1 BW immers wél tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.7.En gelet op art. 7:850 lid 3 BW is dat een hoofdelijke aansprakelijkheid, nu hierin op de borgtocht de bepalingen omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing zijn verklaard, voor zover daarvan in de titel over borgtocht niet wordt afgeweken.8.Ondanks dat die schuld hem in de onderlinge verhouding met de hoofdschuldenaar in feite dus niet aangaat, verbindt de borg zich dus hoofdelijk de schuld van de hoofdschuldenaar te voldoen. In zoverre wordt de borg dus wel aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar.9.Dit is een schuld die gelet op art. 1:94 lid 5 (oud) BW in de gemeenschap valt.10.
3.5
Gelet op het voorgaande heeft het hof niet miskend dat de man (mede) als borg jegens de schuldeiser gehouden is de schuld van de vennootschap te voldoen, en dat die schuld van de man in de gemeenschap valt. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting, hetgeen betekent dat de klacht niet opgaat.
3.6
Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.45 dat het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen zal hebben voor de borgstellingen die de man met toestemming van de vrouw heeft afgegeven voor de leningen. Voor zover dit oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat “de gevolgen” (het in de toekomst inroepen van de borgstellingen als gevolg van het faillissement) maken dat de schuld wél als gemeenschapsschuld moet worden gekwalificeerd, getuigt dat volgens het onderdeel van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een derde zich voor de voldoening van die schuld kan verhalen op de huwelijksgemeenschap zou niet maken dat de schuld als gemeenschapsschuld in de zin van art. 1:94 lid 5 (oud) BW kan worden gekwalificeerd.
3.7
Ik geloof niet dat het onderdeel uitgaat van een juiste lezing van de overweging van het hof. Het hof heeft weliswaar overwogen dat het faillissement gevolgen zal hebben voor de borgstellingen, maar anders dan waar het onderdeel van uitgaat, heeft het hof daar (terecht) niet de conclusie aan verbonden dat de schulden daarom als gemeenschapsschuld moeten worden gekwalificeerd. Zoals ik hiervoor al heb opgemerkt, verbindt de borg zich hoofdelijk tot nakoming van de schuld van de vennootschap. Weliswaar volgt uit art. 7:855 BW dat een borg niet gehouden is tot nakoming voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten, maar ook als aan die voorwaarde nog niet is voldaan doet dat niet af aan het bestaan van de schuld van de borg. Die voorwaarde is immers slechts van belang voor het moment van de opeisbaarheid van de verbintenis van de borg.11.Het bestaan van de verbintenis tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft, is dus niet afhankelijk van de vraag of de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten.12.De verbintenis van de man als borg kan dus wel degelijk als gemeenschapsschuld worden aangemerkt, en is in zoverre niet afhankelijk van de gevolgen van het faillissement van EPSN Workforce SARL. De klacht kan gelet hierop niet slagen.
3.8
Anders dan het onderdeel stelt, doet de omstandigheid dat een borg gelet op art. 7:866 BW voor hetgeen hij aan de schuldeiser betaalt in de onderlinge verhouding met de hoofdschuldenaar een regresvordering heeft, aan het voorgaande niet af.
3.9
Volgens onderdeel 3 is het oordeel van het hof, dat het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen zal hebben voor de borgstelling van de man ten aanzien van Elas Professional Services Network B.V. (hierna: Elas) onbegrijpelijk, nu Elas niet onder EPSN Workforce SARL valt.
3.10
Dit onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft geoordeeld dat EPSN Workforce SARL de aandelen in dertien werkmaatschappijen houdt, waaronder HR Logistic Services B.V. De daaropvolgende overweging van het hof – dat het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen zal hebben voor de borgstellingen die de man met toestemming van de vrouw heeft afgegeven voor de leningen – moet dan ook zo gelezen worden dat het alleen betrekking heeft op HR Logistic Services B.V. en niet op Elas.
3.11
Daar komt bij dat deze omstandigheid ook niet van belang is voor de vraag of de schuld van de man in de gemeenschap valt (zie hiervoor 3.7).
3.12
Onderdeel 4 klaagt dat het oordeel van het hof in r.o. 5.48 van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Voor het antwoord op de vraag of de schulden van de vennootschappen, waarvoor de man zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden, volledig in de huwelijksgemeenschap vallen zou niet bepalend zijn in hoeverre de vrouw van de schulden op de hoogte was, het haar instemming zou hebben en of er sprake was van hoofdelijke aansprakelijkheid. Voor de vraag of een schuld in de gemeenschap valt, zou de interne bijdrageplicht van de echtgenoot ten opzichte van zijn medeschuldenaar bepalend zijn, aldus het onderdeel.
3.13
Ook deze klacht faalt. Anders dan het onderdeel stelt, was voor het hof de wetenschap van de vrouw over het aangaan van de schulden niet een dragende bouwsteen voor zijn oordeel dat sprake is van gemeenschapsschulden. Die wetenschap is ook niet van belang voor de vraag of sprake is van een gemeenschapsschuld.13.Uit art. 1:94 lid 5 (oud) BW volgt immers dat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten omvat, met uitzondering van schulden betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen.14.De man heeft zich als medeschuldenaar (en als borg) hoofdelijk verbonden tot nakoming van de gehele schuld (art. 6:7 BW). Gelet op voornoemd uitgangspunt dat alle schulden in de gemeenschap vallen, heeft het hof geoordeeld dat ook deze schulden in de gemeenschap vallen.15.Ook de interne draagplicht van de man jegens de vennootschap speelt bij die kwalificatie geen rol. De interne draagplicht is wél van belang voor de vraag in hoeverre de betalende schuldenaar vorderingen verkrijgt op zijn medeschuldenaren (art. 6:10 BW en art. 7:866 BW).
3.14
Onderdeel 5 klaagt dat het hof een aantal essentiële stellingen van de vrouw niet onweersproken had mogen laten. Het gaat in het kort om de volgende vier stellingen:
- Er moet betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de gelden zonder uitzondering zijn gestort op de rekening van de vennootschappen en niet aan de man in privé en dat de gemeenschap daar niet door gebaat is, mede in het licht van de eigen stelling van de man dat leningen bij [betrokkene 1] in de periode tot en met 2018 zagen op de financiering van een zakelijk project.
- De geldleningen waren bedoeld als kapitaalinjecties in het bedrijf van de man en niet als privé-leningen die werden aangegaan voor de huishouding, hetgeen volgt uit de omstandigheid dat de man aan de vrouw documenten ter ondertekening stuurt met de naam JA [betrokkene 1] /naam bedrijf van de man, en de vrouw aan de man schrijft dat zij hoopt dat er nu dan maar eens geld verdiend gaat worden.
- Het ligt niet voor de hand dat HR Logistic Services zich hoofdelijk zou verbinden voor schulden van de man, omdat dat grote financiële gevolgen kan hebben die voor die ondernemingen niet zijn te rechtvaardigen. Het ligt eerder voor de hand dat de man zich als extra garantie als schuldenaar heeft verbonden.
- De man heeft in eerste aanleg erkend dat “tevens (...) de leningen [worden] aangewend om de verplichtingen van de holding en de bij de holding behorende entiteiten te voldoen”, waaruit volgt dat met de leningen wordt geïnvesteerd in de bedrijven.
3.15
Het onderdeel benoemt niet expliciet bij welk oordeel het hof deze stellingen had moeten betrekken. Het onderdeel verwijst wel naar ‘die bijdrageplicht’, waarmee het de in onderdeel 4 genoemde interne bijdrageplicht van de man en de vennootschap lijkt te bedoelen (zie echter ook hierna nr. 3.17). De vier stellingen lijken ook op die interne bijdrageplicht betrekking te hebben, nu die er kort gezegd op neerkomen dat het zakelijke leningen van de vennootschappen van de man betroffen. Mede in het licht van de voorgaande onderdelen begrijp ik de klacht dan ook zo dat de vier genoemde stellingen betrokken hadden dienen te worden bij het oordeel van het hof over de interne bijdrageplicht tussen de man en de vennootschappen (hetgeen volgens onderdeel 4 van belang is voor de vraag of sprake is van een gemeenschapsschuld).
3.16
Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Het hof heeft zich immers niet uitgelaten over die interne bijdrageplicht. Wel heeft het hof geoordeeld dat het enkele feit dat [betrokkene 1] de gelden naar de rekening van de vennootschappen heeft overgeboekt geen antwoord geeft op de vraag wie de schuldenaren zijn. Dit oordeel staat niet in het teken van de interne bijdrageplicht, maar van de vraag wie in de externe verhouding jegens [betrokkene 1] de schuldenaren zijn.
3.17
Voor zover bedoeld is te klagen over het oordeel van het hof dat partijen beide in gelijke mate draagplichtig zijn voor gemeenschapsschulden, kan die klacht ook niet slagen. Zoals het hof heeft onderkend, volgt uit art. 1:94 lid 5 (oud) BW dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor gemeenschapsschulden en dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden daarvan kan worden afgeweken. Volgens het hof heeft de vrouw geen uitzonderlijke omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden.16.De stelling van de vrouw dat de leningen van de man (deels) voor zakelijke doeleinden zijn aangegaan waarbij de gemeenschap niet gebaat was, heeft het hof dan ook een onvoldoende rechtvaardiging geacht om af te wijken van het uitgangspunt dat partijen voor de helft draagplichtig zijn. Ook dit oordeel van het hof behoefde geen nadere motivering.
3.18
Onderdeel 6 richt een motiveringsklacht tegen r.o. 5.39, voor zover het hof op basis van de daar genoemde stellingen van de man tot uitgangspunt zou hebben genomen dat voornoemde leningen werden aangegaan om in het levensonderhoud van de man en de vrouw te voorzien. In r.o. 5.39 staat onder meer het volgende:
“Door de man is in randnummer 56 van zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt in randnummer 57 van zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuldenaar, leningen zijn aangegaan bij [betrokkene 1] .”
3.19
Hierin zijn slechts de stellingen van de man te lezen dat sinds 2015 geld werd geleend voor een zakelijk project en sinds 2019 voor het levensonderhoud van de man en de vrouw. Het hof verbindt daaraan voor de kwalificatie als gemeenschapsschulden verder geen conclusies, zodat de klacht feitelijke grondslag mist.
3.20
Overigens kan de klacht ook niet slagen, gelet op hetgeen hiervoor bij de onderdelen 4 en 5 is overwogen. Uitgangspunt is dat alle schulden van de man in de gemeenschap vallen. Dat geldt dus voor alle schulden van de man vanwege een borgstelling of hoofdelijke medeschuldenaarschap voor leningen van de vennootschappen van de man, onafhankelijk van de vraag of die zijn aangegaan voor zakelijke projecten of om in hun levensonderhoud te voorzien.
3.21
Onderdeel 7 klaagt dat het hof heeft miskend dat op de man de stelplicht en bewijslast rustte van zijn (impliciete) stelling dat de omvang van zijn bijdrageplicht ten opzichte van zijn medeschuldenaren 100% bedroeg. De conclusie van het hof dat de zakelijke leningen volledig in de huwelijksgemeenschap vallen zou gelet op de bewijspositie van de man en het partijdebat onbegrijpelijk zijn.
3.22
Ook hier geldt dat het hof slechts heeft geoordeeld dat de man zich, door zich borg te stellen of zich te verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar, hoofdelijk heeft verbonden voor de schulden van de vennootschap, en dat de daaruit volgende schuld van de man als gemeenschapsschuld moet worden gekwalificeerd. Dit betreft de externe aansprakelijkheid voor de schulden voortvloeiend uit de leningen. Over de interne draagplicht tussen de man en de vennootschappen heeft het hof zich niet uitgelaten. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
3.23
Volgens onderdeel 8 is voor het antwoord op de vraag of de schuld als gemeenschapsschuld moet worden gekwalificeerd niet relevant het oordeel van het hof dat de vrouw van de gang van zaken met betrekking tot de leningen en de hypothecaire zekerheidstellingen op de hoogte was. Voor zover dit wél relevant is richt het onderdeel, onder verwijzing naar het partijdebat daarover, een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in r.o. 5.4817.dat de vrouw van de leningen op de hoogte was.
3.24
De klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Het hof heeft zijn beslissing dat de schuld als gemeenschapsschuld moet worden aangemerkt niet gebaseerd op de wetenschap van de vrouw (zie hiervoor 3.13).
3.25
Onderdeel 9 richt zich volgens de eerste zin van het onderdeel tegen r.o. 5.40 van de bestreden beschikking, en meer specifiek tegen de volgende passage:
“In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond) komt het hof op een bedrag van € 6.016.399,-.”
3.26
Uit deze passage volgt dat het hof constateert dat in productie 69 een overzicht is gegeven van de leningen die aan de man, dan wel aan de man verbonden vennootschappen, zijn verstrekt in de periode tot aan de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Ook volgt hieruit dat volgens het hof de in dat overzicht genoemde bedragen samen op een bedrag van € 6.016.399,-- uitkomen.
3.27
Voornoemde feitelijke constatering van het hof is correct. Niettemin klaagt het onderdeel dat het hof in die passage in r.o. 5.40 heeft miskend dat schulden van aan de man verbonden vennootschappen niet (zonder meer) in de huwelijksgemeenschap vallen maar tot het afgescheiden vermogen van die vennootschappen behoren. Uit voornoemde feitelijke constatering kan echter niet worden opgemaakt dat het hof geoordeeld zou hebben dat de schulden van aan de man verbonden vennootschappen (zonder meer) in de huwelijksgemeenschap vallen. In zoverre kan de klacht niet slagen.
3.28
Ik meen echter dat mede gelet op het vervolg van onderdeel 9, het onderdeel niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat het onderdeel uitsluitend gericht is tegen de genoemde passage in r.o. 5.40.18.Volgens het onderdeel brengt “een en ander” immers mee dat “de beschikking ten aanzien van Lening C” niet in stand kan blijven, omdat de man zich ten aanzien van die lening niet als borg of hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden19.en de man dit ook heeft erkend. Het onderdeel is dus ook gericht tegen het oordeel van het hof om ook lening C (vanwege de borgstelling of medeschuldenaarschap) als gemeenschapsschuld aan te merken en daarmee tegen r.o. 5.40 gelezen in combinatie met r.o. 5.48 en 5.49.
3.29
Indien het oordeel van het hof zo gelezen moet worden dat ten aanzien van lening C sprake was van een borgstelling of medeschuldenaarschap, is dit oordeel in het licht van de stellingen van de man ten aanzien van lening C onbegrijpelijk. Hij stelt immers dat ten aanzien van die lening geen sprake was van een borgstelling of medeschuldenaarschap, hetgeen bevestiging vindt in productie 72. Voor zover het hof van oordeel was dat ten aanzien van lening C geen sprake was van een borgstelling of medeschuldenaarschap, heeft het hof ofwel onvoldoende gemotiveerd waarom die lening in de huwelijksgemeenschap valt of heeft het miskend dat een schuld uit hoofde van een lening van een derde niet zonder meer in de huwelijksgemeenschap valt.
3.30
Het onderdeel klaagt ook nog dat indien het hof heeft geoordeeld dat lening C, vanwege de door de man verstrekte hypotheek, een schuld van de gemeenschap is geworden dit bovendien onbegrijpelijk is, nu het hof dit onvoldoende heeft gemotiveerd gelet op de stelling van de vrouw dat de daadwerkelijk gevestigde hypotheekrechten op het Chateau niet zien op deze lening en een hypotheekrecht niet zou maken dat sprake is van een gemeenschapsschuld.
3.31
Nu het hof inderdaad niet is ingegaan op de stelling van de vrouw dat de gevestigde hypotheekrechten op het Chateau niet zien op lening C, is zijn (mogelijk impliciete) oordeel dat de lening vanwege de hypotheek een schuld is die in de gemeenschap valt onbegrijpelijk.
3.32
Voor zover de klacht aanvoert dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat niet zou zijn ingegaan op de stelling dat een hypotheekrecht niet zou maken dat sprake is van een gemeenschapsschuld, merk ik het volgende op. De klacht is vormgegeven als een motiveringsklacht. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat motiveringsklachten tegen rechtsoordelen worden verworpen met de overweging dat een rechtsoordeel in cassatie niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.20.Kortom, voor zover de klacht als motiveringsklacht moet worden opgevat, slaagt zij niet. In voorkomende gevallen heeft de Hoge Raad echter een als motiveringsklacht geformuleerde klacht ook wel als een rechtsklacht opgevat.21.Ik zie aanleiding om in dit geval de klacht als een rechtsklacht op te vatten. Van belang daarbij is dat de stelling dat een derdenhypotheekrecht niet meebrengt dat sprake is van een gemeenschapsschuld een rechtsopvatting weergeeft. Door erover te klagen dat het hof die rechtsopvatting onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken, klaagt het in wezen dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Namelijk dat het hof heeft miskend dat het verstrekken van een (derden)hypotheek niet tot gevolg heeft dat de hypotheekgever tevens schuldenaar wordt. Aldus opgevat, slaagt de klacht. Het verstrekken van een derdenhypotheek heeft niet tot gevolg dat de schuld van een ander (ook) de schuld van de hypotheekgever wordt. Op dit punt ‘werkt’ een goederenrechtelijk zekerheidsrecht verstrekt door een derde dus anders dan een persoonlijk zekerheidsrecht zoals borgtocht. Overigens neemt dit niet weg dat het vestigen van het hypotheekrecht wél tot gevolg heeft dat de schuldeiser verhaal kan nemen op het verhypothekeerde goed (in dit geval het chateau) voor de openstaande schuld van die derde, welk verhaal wel ten laste komt van de (huwelijks)gemeenschap.22.
3.33
Onderdeel 10 richt zich tegen het volgende oordeel van het hof in r.o. 5.43, dat ik duidelijkheidshalve nogmaals citeer:
“De man verzoekt in zijn petitum onder S te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] met een totaalbedrag van € 6.672.442,53 en voor recht te verklaren dat partijen tot op heden geen aflossingen op de geldleningen hebben gedaan. Een redelijke uitleg van het petitum in samenhang bezien met productie 85 gaat het hof ervan uit dat de man zijn verzoek binnen de door hem geformuleerde grief heeft vermeerderd met de rente die na indiening van het beroepschrift opeisbaar is geworden.’’
3.34
De laatste passage zou van een onjuiste rechtsopvatting blijk geven. Het hof zou buiten de grenzen van de rechtsstrijd zijn getreden, de twee conclusieregel hebben miskend, hebben miskend dat een vermeerdering van verzoek schriftelijk dient te geschieden, een ontoelaatbare verrassingsbeslissing hebben gegeven en het beginsel van hoor en wederhoor en equality of arms hebben miskend.
3.35
Het hof stelt in r.o. 5.43 echter een redelijke uitleg van het petitum in samenhang met productie 85 voorop. Vervolgens overweegt het hof dat de man zijn verzoek binnen de door hem geformuleerde grief heeft vermeerderd met de rente die na indiening van het beroepschrift opeisbaar is geworden. Het laatste gedeelte van die motivering lijkt (als dit afzonderlijk wordt gelezen) betrekking te hebben op een vermeerdering van eis, maar gelet op de door het hof voorgestane redelijke uitleg van het petitum lees ik dat toch anders. Ik begrijp dit oordeel zo dat het hof de redelijke uitleg van het petitum (zie hiervoor 2.4) zo heeft geïnterpreteerd dat het ook zag op de rente na indiening van het beroepschrift, en dat dit gelet op productie 85 ook de bedoeling was. Die uitleg is niet onbegrijpelijk.
3.36
Onderdeel 11 richt een voortbouwklacht tegen de constatering door het hof in r.o. 5.3 dat er vele miljoenen euro’s aan gemeenschapsschulden zijn. Ook indien de klacht van onderdeel 9 slaagt, is de constatering van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk.
3.37
Naast een voortbouwklacht betoogt onderdeel 12 dat het dictum van de bestreden beschikking te algemeen is geformuleerd en dat meer is toegewezen dan verzocht, doordat het hof heeft bepaald “dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] ”.
3.38
Hoewel in het dictum specifiek de geldleningen genoemd hadden kunnen worden, meen ik dat in dit geval het dictum voldoende duidelijk is. Conform vaste rechtspraak van de Hoge Raad dient het dictum van een uitspraak te worden uitgelegd in het licht van de voorafgaande overwegingen.23.Daaruit volgt voldoende duidelijk dat het uitsluitend de leningen betreft zoals genoemd in het verzoek onder S. De klacht slaagt dan ook niet.
Slotsom
3.39
Gelet op het deels slagen van onderdeel 9 kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 en tot verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑12‑2025
Vergelijk de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 29 januari 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:281), onder 3.
Zie rechtbank Den Haag 25 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12249, p. 12-14.
Gerechtshof Den Haag 29 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:281.
De procesinleiding is op 25 april 2025 via het portaal ingediend.
In de procesinleiding heeft de vrouw het standpunt ingenomen dat de man zich voor twee leningen borg heeft gesteld, te weten de leningen die in de procesinleiding zijn aangeduid als lening A en lening B.
G.J.L. Bergervoet, Borgtocht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 47 e.v.; Parl. Gesch. Boek 6 BW, 1981, p. 96 en 562 en Parl. Gesch. Boek 7, 1991, p. 426.
Indien tot betaling wordt overgegaan ontstaat gelet op art. 7:866 BW een regresvordering op de hoofdschuldenaar. Zie ook HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196 m.nt. C.E. du Perron.
Zie G.J.L. Bergervoet, Borgtocht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 47 e.v. en D.F.H. Stein, Hoofdelijke aansprakelijkheid, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 185.
G.J.L. Bergervoet, Borgtocht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 47 e.v. en A.G. Castermans & H.B. Krans in T&C BW, commentaar op art. 7:850 BW, aant. 2a.
Vgl. HR 2 januari 1942, ECLI:NL:HR:1942:250, NJ 1942/296, en zie anders Rb Zeeland-West-Brabant 22 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:6032.
Ik gebruik hier het woord ‘voorwaarde’, maar dat betekent niet dat sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Zie aldus HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1108, NJ 2017/266, r.o. 3.3.2. De man gaat er in zijn verweerschrift onder 19 en 25 ten onrechte van uit dat wél sprake is van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Ik merk hierbij op dat dit punt voor het voorliggende geval zonder betekenis is, omdat een voorwaardelijke verbintenis een bestaande verbintenis is. Zie Asser/Sieburgh 6-I 2024/166.
H.N. Schelhaas & A.J. Verheij (red.), Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 516. Zie anders: Rb Zeeland-West-Brabant 22 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:6032, r.o. 4.3 en Rb. Amsterdam 7 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:5778, r.o. 4.10.
In nrs. 3.4 en 3.8 van de procesinleiding wordt hier terecht van uitgegaan.
Een schuld kan gelet op art. 1:94 lid 3 (oud) BW overigens wel buiten de gemeenschap vallen, als deze op bijzondere wijze aan een echtgenoot is verknocht en die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt (art. 1:94 lid 3 (oud) BW). Deze uitzondering wordt echter zeer terughoudend toegepast. HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957, NJ 2013/141, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 3.5.3; HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293, NJ 2016/292, r.o. 3.3.3; HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, m.nt. L.C.A. Verstappen, r.o. 4.1.4.
Als sprake is van een gemeenschapsschuld kunnen zeer uitzonderlijke omstandigheden meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. In het algemeen geldt dat als een echtgenoot al dan niet van de schulden op de hoogte was, dit een omstandigheid is die in de beoordeling betrokken kan worden. Vgl. HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3748, NJ 2013/450.
Zie r.o. 3.37 van de bestreden beschikking.
Het onderdeel noemt r.o. 3.48, maar kennelijk is r.o. 5.48 bedoeld.
Die ruimere lezing volgt overigens ook uit de inleiding op de middelonderdelen, p. 8 procesinleiding.
De procesinleiding verwijst naar productie 72 van de man. De man erkent in zijn verweerschrift onder 21 ook dat de man zich voor lening C niet als medeschuldenaar heeft verbonden en stelt dat hij zekerheid heeft gesteld door verlening van een hypotheekrecht ten laste van het chateau.
Zie B.T.M. van der Wiel, Cassatie, Deventer: Kluwer 2019/113 met verwijzingen naar rechtspraak.
HR 11 februari 1977, NJ 1977/363 m.nt. L. Wichers Hoeth (Het Mosterdmanneke), waarnaar ook wordt verwezen in Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/185 (voetnoot 3).
Indien van deze verhaalsmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, wordt de derde-hypotheekgever gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser tegen de schuldenaar. Hij kan op laatstgenoemde regres nemen en gebruikmaken van (eventueel) aan de vordering verbonden pand of hypotheek op goederen van de schuldenaar. Zie F.M.J. Verstijlen, Algemene bepalingen pand en hypotheek, Deventer: Kluwer 2013, nr. 26.
HR 23 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2553, NJ 2000/544, r.o. 3.5; HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7084, r.o. 4.2.2; HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:580, NJ 2019/186, r.o. 3.5.
Beroepschrift 25‑04‑2025
PROCESINLEIDING CASSATIE VERZOEKZAAK
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de vrouw], hierna te noemen ‘de vrouw’, verzoekster in cassatie, wonende te [woonplaats], [postcode], Verenigd Koninkrijk, te dezer zake domicilie kiezend te (2517 KW) Den Haag, aan de Scheveningsweg 52, ten kantore van haar advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr C.G.A. van Stratum, die deze procesinleiding voor haar indient en ondertekent.
Verweerder in cassatie is [de man], hierna te noemen ‘de man’, wonende te ([postcode]) [woonplaats], Frankrijk aan de [adres], die in de vorige instantie domicilie heeft gekozen te (5911 KC) Venlo aan de Koninginnesingel 30a, ten kantore van zijn advocaat mr S. Smeets aan wie een afschrift van deze procesinleiding met oproepingsbericht wordt toegezonden.
De vrouw stelt hierbij cassatieberoep in tegen de beschikking van het Gerechtshof Den Haag met zaaknummer 200.334.532/01 en 200.334.540/01 die op 29 januari 2025 is gegeven tussen de man en de vrouw. Namens de vrouw wordt tegen deze beschikking het hierna volgende middel van cassatie voorgesteld.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van essentiele vormen doordat het hof geoordeeld en beslist heeft zoals vervat is in de beschikking van 29 januari 2025, zulks ten onterechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen:
1. Inleiding
1.1
Dit geschil betreft de rechtsvraag of en in welke mate zakelijke schulden van een vennootschap waarvoor een in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot zich a) als borg heeft verbonden en b) zich als mede-schuldenaar heeft verbonden kunnen worden gekwalificeerd als (gemeenschaps)schulden in de zin van artikel 1:94 lid 7 (oud) BW.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad sinds 20071. en zijn op [trouwdatum] 2017 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is medio 2020/2021 in zwaar weer terecht gekomen en dat heeft uiteindelijk geresulteerd in de indiening van een verzoekschrift tot echtscheiding op 14 juli 2022. Op 14 juli 2022 is de huwelijksgoederengemeenschap op grond van de wet ontbonden. Het huwelijk is ontbonden op 20 november 2023 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgelijke stand van de gemeente Midden-Drenthe.
2.2
De man is (enig) aandeelhouder van drie vennootschappen:
- •
EPSN Workforce Holding S.à.r.l.
- •
Elas Business Services B.V.
- •
Elas Professional Services Network B.V.
2.3
EPSN Workforce Holding S.à.r.l., een Luxumburgse vennootschap, houdt aandelen in 13 werkmaatschappijen die gevestigd zijn in verschillende Europese landen. Een van die werkmaatschappeijen is HR Logistic Services BV.
2.4
De belangrijkste investeerder in de vennootschappen van de man is/ was [betrokkene 1] (hierna te noemen ‘[betrokkene 1]’). Hij heeft in totaal miljoenen geinvesteerd in de vennootschapen van de man. Die transacties zullen hieronder — voor zover relevant in het kader van deze cassatieprocedure — worden besproken.
2.5
Bij notariele akte van geldlening d.d. 6 februari 2020 tussen [betrokkene 1] en Elas Professional Services zijn de navolgende vijf tussen hen bestaande zakelijke geldleningen samengevoegd in één nieuwe geldlening groot € 1.091.874,80 (productie 70 HB van de zijde van de man):
Geldlening I | d.d. 2 juli 2014 | € 200.000 | incl rente | € 278.323,29 |
Geldlening II | d.d. 19 november 2014 | € 200.000 | incl rente | € 272.9553,42 |
Geldlening III | d.d. 25 februari 2015 | € 50.000 | incl rente | € 67.298,63 |
Geldlening IV | d.d. 29 januari 2016 | € 250.000 | incl rente | € 400.308,22 |
Geldlening V | d.d. 2 september 2016 | € 60.000 | incl rente | € 72.991,23 |
Bij notariele akte van borgtocht van diezelfde datum (ook overgelegd als productie 70 HB) heeft de man zich — onverplicht — als borg en hoofdelijk mede-schuldenaar verbonden aan [betrokkene 1] voor deze zakelijke bestaande schulden van Elas Professional Services.
In het kader van deze cassatieprocedure zal deze lening als ‘Lening A’ worden aangeduid.
2.6
Bij notariele akte van geldlening van 24 februari 2020 tussen [betrokkene 1] en EPSN Workforce Europe B.V. (later: HR Logistic Services) (een werkmaatschappij van EPSN Workforce Holding S.à.r.l.) zijn de navolgende zeven tussen hen reeds bestaande zakelijke geldleningen samengevoegd in één nieuwe geldlening groot € 953.041,10 (productie 71 HB van de zijde van de man):
Geldlening I | d.d. 26 april 2018 | € 100.000 | incl rente | € 112.830 |
Geldlening II | d.d. 30 oktober 2018 | € 100.000 | incl rente | € 101.282 |
Geldlening III | d.d. 20 november 2019 | € 100.000 | incl rente | € 101.052 |
Geldlening IV | d.d. 12 december 2019 | € 100.000 | incl rente | € 100.811 |
Geldlening V | d.d 24 december 2019 | € 200.000 | incl. rente | € 201.359 |
Geldlening VI | d.d. 30 januari 2020 | € 60.000 | incl. rente | € 60.164 |
Geldlening VII | d.d. 6 februari 2020 | € 275.000 | incl. rente | € 275.542 |
Bij notariele akte van borgtocht van diezelfde datum (ook overgelegd als productie 71 HB) heeft de man zich — onverplicht — als borg en hoofdelijke mede-schuldenaar verbonden aan [betrokkene 1] voor deze zakelijke bestaande schulden van EPSN Workforce Europe B.V.
In het kader van deze cassatieprocedure zal deze lening als ‘Lening B’ worden aangeduid.
2.7
De man heeft in zijn appèlschrift ten aanzien van deze schulden gesteld:
‘Partijen lenen sinds 2015 gelden van [betrokkene 1], toendertijd voor de financiering van een zakelijk project. Sinds 2019 lenen partijen de gelden om in hun levensonderhoud te voorzien’2.
2.8
Bij notariele akte van geldlening tussen [betrokkene 1] en HR Logistic Services (voorheen EPSN Workforce Europe B.V.) d.d. 1 september 2020 zijn de navolgende zeven tussen hen bestaande zakelijke geldleningen samengevoegd in één nieuwe geldlening groot € 867.034,00 (productie 72 HB van de zijde van de man):
Geldlening I | d.d. 26 februari 2020 | € 180.000 | incl rente | € 183.708 |
Geldlening II | d.d. 17 maart 2020 | € 50.000 | incl rente | € 50.921 |
Geldlening III | d.d. 27 maart 2020 | € 175.000 | incl rente | € 178.030 |
Geldlening IV | d.d. 28 april 2020 | € 150.000 | incl rente | € 152.071 |
Geldlening V | d.d 28 mei 2020 | € 125.000 | incl. rente | € 126.315 |
Geldlening VI | d.d. 29 juni 2020 | € 100.000 | incl. rente | € 100.701 |
Geldlening VII | d.d. 28 juli 2020 | € 75.000 | incl. rente | € 75.288 |
In het kader van deze cassatieprocedure zal deze lening als ‘Lening C’ worden aangeduid.
De man verbindt zich noch als borg noch als mede schuldenaar. In artikel 19 verklaart HR Logistic Services dat het door de man ten behoeve van [betrokkene 1] gevestigde recht van eerste hypotheek op Chateau de Vouzeron mede strekt tot zekerheid van de terugbetaling van de geldlening zoals neergelegd in de betreffende akte.
De vrouw heeft over deze gang van zaken het volgende gesteld:
‘In de conceptakten wordt verwezen naar een eerdere hypothecaire inschrijving op het Chateau waar deze leningen mede onder geschaard worden. Uit de hypotheekakte blijkt echter dat het recht van hypotheek specifiek gevestigd is voor twee leningen, namelijk de geldlening van € 1.109.874,80 en de geldlening van € 953.041,10. Naar Nederlands recht kan een recht van hypotheek voor zowel een bestaande als voor een toekomstige vordering worden gevestigd doch dat dient dient dan wel te blijken uit de hypotheekakte. Dat is hier niet het geval. Mocht e.e.a. naar Frans recht anders zijn dan ligt het op de weg van de man om de vrouw en uw hof daarover te informeren.’3.
2.9
Vanaf 2021 worden de geldleningen door [betrokkene 1] aan de vennootschappen nog uitsluitend verstrekt in de constructie waarbij de man zich als hoofdelijk mede-schuldenaar verbindt. Dat gaat om de volgende geldleningen
- •
Lening D
24 september 2021
€ 250.000
Productie 73 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en HR Logistic Services B.V. en de man als hoofdelijk mede-schuldenaren. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening E
3 december 2021
€ 195.000
Productie 74 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en HR Logistic Services B.V. en de man als hoofdelijk mede-schuldenaren. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening F
15 december 2021
€ 50.000
Productie 75 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en HR Logistic Services B.V. en de man als hoofdelijk mede-schuldenaren. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening G
29 december 2021
€ 145.000
Productie 76 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en HR Logistic Services B.V. en de man als hoofdelijk mede-schuldenaren. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening H
10 januari 2022
€ 1.189.898
productie 77 HB man
Notariele akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic Services B.V. als hoofdelijk medeschuldenaren waarin melding wordt gemaakt van het bestaan van door [betrokkene 1] aan de man en HR Logistic Services B.V. verstrekte geldleningen.
Anders dan in de vorige notariele akten wordt geen melding gemaakt van de data waarop de leningen zouden zijn verstrekt en worden er evenmin geldleningovereenkomsten aan de akte gehecht.
Er wordt melding gemaakt van de volgende geldleningen:
Geldlening I
€ 75.0000 + € 1552 rente
Geldlening II
€ 100.000 + € 1599 rente
Geldlening III
€ 175.000 + € 2396 rente
Geldlening IV
€ 230.000+ € 2292 rente
Geldlening V
€ 200.000 + € 1336 rente
Geldlening VI
€ 200.000 + € 723 rente
Geldlening VII
€ 200.000 zonder rente
In artikel 19 wordt overeengekomen: ‘De heer [de man] heeft/zal tot zekerheid voor de terugbetaling van de onderhavige geldlening (een) recht(en) van hypotheek gevestigd/vestigen (met daarbij behorende parndrechten) op ‘Chateau Vouzeron’ te Frankrijk, eén en ander partijen genoegzaam bekend.
- •
Lening I
10 januari 2022
€ 369.552
Productie 78 HB man
Notariele akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In de considerans wordt melding gemaakt van twee geldleningen.
Geldlening I
€ 283.740 + € 8266 rente
De akte maakt er melding van dat deze geldlening op 3 december 2015 is verstrekt aan EPSN Workforce S.à.r.l. en middels cessie is verkregen door schuldeiser.
Geldlening II
€ 75.000 + € 2546 rente
De akte maakt er melding van dat deze geldlening op 24 augustus 2020 is verstrekt.
In artikel 19 wordt overeengekomen: ‘De heer [de man] heeft/zal tot zekerheid voor de terugbetaling van de onderhavige geldlening (een) recht(en) van hypotheek gevestigd/vestigen (met daarbij behorende parndrechten) op ‘Chateau Vouzeron’ te Frankrijk, eén en ander partijen genoegzaam bekend.
- •
Lening J
26 januari 2022
€ 165.000
Productie 79 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening K
28 februari 2022
€ 155.000
Productie 80 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening L
31 maart 2022
€ 150.000
Productie 81 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening M
29 april 2022
€ 125.000
Productie 82 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening N
1 juni 2022
€ 170.000
Productie 83 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
- •
Lening O
30 juni 2022
€ 140.000
Productie 84 HB man
Onderhandse akte van geldlening tussen [betrokkene 1] als schuldeiser en de man en HR Logistic services B.V. als hoofdelijk mede-schuldenaar. In artikel 19 wordt gesteld dat de hypothecaire geldlening van € 4.000.000 ook mede tot zekerheid strekt van deze lening. Verder wordt er gesteld dat de hypothecaire inschrijving zal worden verhoogd met een bedrag van € 1.500.000 zodat deze totaal € 5.500.000 zal bedragen.
2.9
De man is ook na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap nog leningen aangegaan bij [betrokkene 1]. Deze vallen niet in de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft te dien aanzien overwogen (beschikking 25 juli 2023, pagina 12 vierde alinea):
‘De man en de vrouw zijn het erover cens dat de door de man op 29 juli 2022 en 30 augustus 2022 aangegane leningen van elk € 140.000,- geen gemeenschapsschulden zijn , omdat de man deze is aangegaan na de peildatum. De rechtbank zal deze dan ook buiten beschouwing laten.’
2.10
Er is door de man ten behoeve van [betrokkene 1] op twee momenten een recht hypotheek op het Chateau de Vouzeron gevestigd:
Productie 44 HB Man | Franse hypotheekakte d.d. 3 maart 2020. |
Hierin wordt Nederlands recht als toepasselijk recht aangewezen en wordt een recht van hypotheek gevestigd ter zekerheid voor geldlening A en B met een inschrijving van 4 miljoen.
Uit de hypotheek akte blijkt niet van toestemming van de vrouw
Productie 45 HB Man | Franse hypotheekakte 30 december 2022 (na de peildatum) |
Er wordt gerefereerd aan een Nederlandse akte die niet is bijgevoegd. Het recht van hypotheek wordt gevestigd voor € 3.000.000, zodat er sprake is van een totale hypothecaire inschrijving van 7 miljoen.
In de akte wordt melding gemaakt van een twaaltal leningen. Dat lijkt (gelet op de bedragen) de leningen D, E, F, G, J, K, L, M, N, O te betreffen. Daarnaast ziet dit op twee leningen van € 140.000 ten aanzien waarvan de rechtbank bepaald heeft dat deze géén gemeenschapsschulden betreffen omdat deze zien op na de peildatum (leningen 29 juli 2022 en 30 augustus 2022). Van leningen C, H en I wordt geen melding gemaakt. Uit de hypotheekakte blijkt niet van toestemming van de vrouw (en die is ook nimmer gegeven, op dat moment liep de echtscheidingsprocedure al).
2.11
Het hof heeft ten aanzien van de schulden overwogen:
Schulden
5.37
In de inleiding van deze beschikking heeft het hof al overwogen dat de hoofdregel is dat beide partijen gelijk draagplichtig zijn met betrekking tot de gemeenschapsschulden. Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Het hof is van oordeel dat door de vrouw geen uitzonderlijke omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan geoordeeld kan worden dat zij niet voor de helft draagplichtig is met betrekking tot de gemeenschapsschulden. Ook heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de man de gemeenschap heeft benadeeld zoals de vrouw heeft gesteld. Het hof heeft wel vastgesteld dat beide partijen op grote voet hebben geleefd terwijl er onvoldoende inkomsten waren.
5.38
Uit de processtukken volgt dat partijen voorafgaande aan hun huwelijk overleg hebben gehad met een notaris voor het aangaan van huwelijkse voorwaarden. Het hof verwijst onder meer naar de mail die de vrouw op 3 december 2017 naar notaris [notaris 1] heeft verstuurd. Om hen moverende redenen zijn partijen niet voorafgaande aan hun huwelijk huwelijkse voorwaarden aangegaan, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de vrouw mede draagplichtig zou worden voor de schulden van de man. De vrouw wist dat de man ondernemer was en de vrouw kon ook vaststellen dat partijen een kostbare levensstijl hadden.
5.39
Door de man is in randnummer 56 van zijn beroepschrift gesteld dat partijen sinds 2015 geld lenen voor een zakelijk project en dat partijen sinds 2019 geld lenen om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De man stelt in randnummer 57 van zijn beroepschrift dat partijen hoofdelijk, samen met een medeschuklenaar, leningen zijn aangegaan bij de heer [betrokkene 1].
5.40
De man heeft op 10 september 2024 een groot aantal producties in het geding gebracht met betrekking tot deze gemeenschapsschulden. Het hof verwijst hier expliciet naar de producties 69 tot en met 88. In productie 69 geeft de man een overzicht weer van alle gelden die de heer [betrokkene 1] aan de man dan wel aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeleid (afgerond) komt het hof op een bedrag van € 6.016.399,-.
5.41
De man heeft een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] van 23 oktober 2023 in het geding gebracht, waarin [betrokkene 1] verklaart dat de man en/of zijn entiteiten tot op dat moment geen aflossingen noch rentebetalingen hebben gedaan op de geldleningen (zie productie 51b).
5.42
Door de man zijn twee mails van mr. J.O. Winnubst in het geding gebracht (zie productie 51a en productie 85). Mr. J.O. Winnubst verricht werkzaamheden voor de heer [betrokkene 1]. Door J.O. Winnubst is namens [betrokkene 1] een schuldenoverzicht gemaakt per 15 september 2023 (productie 51a) en per 31 augustus 2024 (productie 85). Uit dit overzicht volgt
5.43
De man verzoekt in zijn petitum onder S te bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] met een totaalbedrag van € 6.672.442.53 en voor recht te verklaren dat partijen tot op heden geen aflossingen op de geldleningen hebben gedaan. Een redelijke uitleg van het petitum in samenhang bezien met productie 85 gaat het hof ervan uit dat de man zijn verzoek binnen de door hem geformuleerde grief heeft vermeerderd met de rente die na indiening van het beroepschrift opeisbaar is geworden. Wat de hoogte van de schuld exact is op het moment van deze beschikking kan het hof niet vaststellen aangezien de laatste stand van de schuld inclusief boete en rente niet bekend is.
5.44
De man heeft zijn stelling met betrekking tot de omvang van de gemeenschapsschulden met een groot aantal verificatoire bescheiden onderbouwd. Het hof zal enkele producties expliciet bespreken. Productie 70 is een notariële akte van borgtocht welke akte is gepasseerd voor mr. [notaris 2], destijds notaris te [a-plaats]. De borgtocht is verleend voor een schuld van Elas Professional Services Netwerk BV van € 1.091.874,80. In artikel 13 staat:
‘Van de toestemming van de echtgenote van de Borg blijkt uit een schriftelijke verklaring die aan deze akte wordt gehecht.’
Productie 83 betreft een geldlening van € 170.000,- die is aangegaan door de man en HR Logistic Services BV met [betrokkene 1]. De geldlening is afgesloten op 1 juni 2022 en aan de overeenkomst van geldlening hangt een verklaring van de vrouw. In die verklaring staat onder meer:
‘aan [de man] toestemming te verlenen tot het zich verbinden als hoofdelijk schuldenaar zoals in deze overeenkomst is opgenomen.’
Uit productie 44 van de man volgt dat er ten behoeve van de heer [betrokkene 1] een recht van hypotheek op het Chateau is gevestigd van € 4.000.0000,- voor de schulden van de man en de met hem gelieerde vennootschappen. De akte is van 3 maart 2020 en is verleden voor de Franse notaris [notaris 3] met medewerking van notaris [notaris 2]. Voorts volgt uit productie 45 van de man dat er eveneens nog een recht van hypotheek is verstrekt aan de heer [betrokkene 1] van € 3.000.000,- eveneens voor de schulden van de man en de met hem gelieerde vennootschappen.
5.45
De man heeft in randnummer 10 van zijn verweerschrift in het incidentele beroep gesteld dat de rechtbank te Luxemburg op 18 maart 2024 EPSN Workforce SARL in staat van faillissement heeft verklaard. Deze vennootschap houdt de aandelen in 13 werkmaatschappijen waaronder HR Logistics Services BV. Naar het oordeel van het hof zal het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen hebben voor de borgstellingen die de man met toestemming van de vrouw heeft afgegeven voor de leningen.
5.46
De vrouw stelt in randnummer 2.32 van haar verweerschrift tevens incidenteel appel dat [betrokkene 1] gelden heeft geleend aan HR Logistic Services BV welke vennootschap een 100% dochtervennootschap is van EPSN Workforce BV. Daarbij heeft [betrokkene 1] bedongen dat de man in privé zich als medeschuldenaar verbond en dat er een recht van hypotheek op het Chateau werd gevestigd. De gelden zijn volgens de vrouw naar de vennootschappen overgeboekt en materieel betreft het een schuld van de vennootschap en niet van de man in privé. In de visie van de vrouw is de huwelijksgemeenschap er niet bij gebaat. In randnummer 2.37 stelt de vrouw dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door het aangaan van een lening van € 585.000,-. In de visie van de vrouw is de man lichtvaardig schulden aangegaan.
5.47
Uit het betoog van de man volgt dat hij van mening is dat er wel sprake is van een gemeenschapsschuld ook al is het geld door [betrokkene 1] overgeboekt naar de rekening van de vennootschappen. De man heeft eveneens verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat hij de gemeenschap heeft benadeeld voor een bedrag van € 585.000,- (het hof verwijst naar randnummer 45 tot en met 58 van zijn verweerschrift in incidenteel appel). De vrouw was op de hoogte van de financiële staat van de onderneming.
5.48
Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat de man zich als hoofdelijk schuldenaar heeft verbonden voor de schulden van de vennootschappen of zich als borg heeft verbonden. Naar het oordeel van het hof was de vrouw volledig van de gang van zaken met betrekking tot de leningen en hypothecaire zekerheidsstelling op de hoogte en had het haar instemming. Het enkele feit dat [betrokkene 1] de gelden naar de rekening van de vennootschappen heeft overgeboekt geeft geen antwoord op de vraag wie de schuldenaren zijn. Het hof kwalificeert de schulden van de man aan de heer [betrokkene 1] als gemeenschapsschulden. Partijen zijn gelijk draagplichtig voor deze gemeenschapsschulden, en als deze gemeenschapsschulden rentedragend zijn, zijn beide partijen dus ook gelijk draagplichtig voor de rentetermijnen die ontstaan (zijn) na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Voorts is het hof van oordeel dat de man niet de gemeenschap voor een bedrag van € 585.000,- heeft benadeeld. De vrouw was en is op de hoogte van de financiële positie van de man en de met hem gelieerde vennootschappen. Zij is ook door [betrokkene 1] op de hoogte gesteld van de stand van zaken. Beide partijen hebben een gemeenschappelijk belang om zo spoedig mogelijk over te gaan tot sanering van de enorme schuldenlast.
5.49
Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openslaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1]. Aangezien de schulden rente dragend zijn en de schuld aan [betrokkene 1] dus nog steeds oploopt kan het hof op het moment van de beschikking niet vaststellen wat de totale schuld is.
3. Middelonderdelen
Vooraf en ter inleiding
0.0
Alle middelonderdelen hebben betrekking op het oordeel van het hof in rechtsoverwegingen 5.37 tot en met 5.49 ten aanzien van de vraag of en in hoeverre de door [betrokkene 1] verstrekte geldleningen aan de vennootschappen, waarvoor de man zich al dan niet als borg of hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden gekwalificeerd kunnen worden als gemeenschapsschulden als bedoeld in artikel 1:94 lid 7 BW (oud) welk artikel luidt:
‘de gemeenschap omvat, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten, met uitzondering van schulden a) betreffende van de gemeenschap uitgezonderde goederen en b) uit de door der echtgenoten gedane giften, gemaakte bedingen en aangegane omzettingen als bedoeld in artikel 126, eerste lid en tweede lid onder a en c van Boek 4.’
Middelonderdeel 1.
3.1
Het oordeel van het Gerechtshof in r.o. 5.48 dat de schulden van de vennootschap, waarvoor de man zich als borg heeft verbonden, als gemeenschapsschulden kwalificeren getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
De borgstelling is geregeld in artikel 7:850 BW:
- ‘1.
Borgtocht is de overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, zich tegenover de andere partij, de schuldeiser, verbindt tot nakoming van een verbintenis, die een derde, de hoofdschuldenaar, tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen.
- 2.
Voor de geldigheid van een borgtocht is niet vereist dat de hoofdschuldenaar deze kent.
- 3.
Op borgtocht zijn de bepalingen omtrent hoofdelijke verbintenissen van toepassing, voor zover daarvan in deze titel niet wordt afgeweken.
De kern van de borgtocht ligt in de verhouding tussen borg en schuldeiser. De borg moet zich jegens de schuldeiser hebben verbonden tot nakoming van een verbintenis van een derde, de hoofdschuldenaar. Hij stelt zich derhalve niet aansprakelijk voor een eigen schuld. Daarmee onderscheidt de borgtocht zich van hoofdelijk verbondenheid van schuldenaren in algemene zin; bij borgtocht weet de schuldeiser, of behoort deze te weten, dat de schuld de borg in zijn rechtsverhouding tot de hoofdschuldenaar niet aangaat (MvA II, Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 426; Asser/Houben & Van Schaick 7-VIII 2023/62).4. Als een in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot zich als borg verbindt voor een schuld van een derde, dan blijft dat een schuld van die derde.5. Het verstrekken van een borgstelling heeft derhalve niet het rechtsgevolg dat de schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt waarin de Borg is gehuwd.’
Middelonderdeel 2
3.2
Het hof overweegt in r.o. 5.45:
‘5.45
De man heeft in randnummer 10 van zijn verweerschrift in het incidentele beroep gesteld dat de rechtbank te Luxemburg op 18 maait 2024 EPSN Workforce SARL in staat van faillissement heeft verklaard. Deze vennootschap houdt de aandelen in 13 werkmaatschappijen waaronder HR Logistics Services BV. Naar het oordeel van het hof zal het faillissement van EPSN Workforce SARL gevolgen hebben voor de borgstellingen die de man met toestemming van de vrouw heeft afgegeven voor de leningen.’
De eerste feitelijke constatering is juist doch de woordkeuze bijzonder. Het hof had dat immers al eerder kunnen lezen in het verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl van de zijde van de vrouw, onder randnummer 3.5 waar de vrouw als productie 38 HB de beslissing van de Luxemburgse rechtbank waarbij het faillissement is uitgesproken in het geding heeft gebracht.
Voor zover het oordeel in r.o. 5.45 aldus moet worden begrepen/gelezen dat het hof van oordeel is dat ‘de gevolgen’ (het in de toekomst inroepen van de borgstellingen als gevolg van het faillissement) waaraan het hof refereert, maken dat de schuld wél als gemeenschapsschuld moet worden gekwalificeert getuigt dat eveneens van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een derde zich voor de voldoening van die schuld kan verhalen op de huwelijksgoederengemeenschap maakt niet dat de schuld als gemeenschapsschuld in de zin van artikel 1:94 BW kan worden gekwalificeerd. Het blijft immers een schuld van een derde en geen schuld van een echtgenoot. Dat volgt ook uit het volgende. Zodra de derde zich verhaalt op de gemeenschap ontstaat er van rechtswege een regresvordering van de gemeenschap op de schuldenaar ex artikel 6:10 BW jo artikel 7:866 BW:
‘de borg heeft voor het hele bedrag dat hij aan hoofdsom, rente en kosten aan de schuldeiser heeft moeten voldoen, krachtens artikel 10 van boek 6 een vordering op de hoofdschuldenaar’.
Middelonderdeel 3
3.3
Voorts is de overweging in r.o. 5.45 onbegrijpelijk voor wat betreft de akte van Borgtocht d.d. 6 februari 2020 (productie 70HB). Die ziet op een schuld tussen [betrokkene 1] en Elas Professional Services Network B.V. Deze vennootschap is een entiteit die niet valt onder EPSN Workforce S.à.r.l.6. zodat zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is waarom het faillissement van EPSN Workforce S.à.r.l. gevolgen zal hebben voor deze borgstelling.
Middelonderdeel 4
3.4
De tweede catorie schulden betreft schulden van de vennootschappen van de man waarvoor de man zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden. Het hof oordeelt in r.o. 5.48 dat die schulden volledig in de huwelijksgoederengemeenschap vallen omdat de vrouw op de hoogte was, het haar instemming zou hebben en er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Voor de vraag of en in welke mate de schulden van de vennootschappen waarvoor de man zich als hoofdelijk mede-schuldenaar heeft verbonden in de huwelijksgoederengemeenschap vallen, is noch een eventuele wetenschap van de vrouw noch een eventuele instemming noch de omstandigheid dat er hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat bepalend.
Wanneer twee partijen gezamenlijk een schuld aangaan, zijn zij beiden aansprakelijk voor de gehele schuld (artikel 6:7 BW). Hoofdelijke aansprakelijkheid ziet enkel op de verhouding tussen de schuldeiser en de schuldenaar en niet op de verhouding tussen de schuldenaren onderling.
Artikel 6:10 BW bepaalt:
- ‘1.
Hoofdelijk schuldenaren zijn, ieder voor het gedeelt van de schuld dat hem in in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht overeenkomstig de volgende leden in de schuld en in de kosten bij te dragen.
- 2.
De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van een der hoofdelijk medeschuldenaren wordt gedelgd voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat, komt op iedere medeschuldenaar te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de medeschuldenaar aangaat.
- 3.
In door een hoofdelijke schuldenaar in redelijkheid gemakte kosten moet ieder medeschuldenaar bijdragen naar evenredigheid van het gedeelte van de schuld dat hem aangaat tenzij de kosten slechts de schuldenaar persoonlijk betreffen.’
Voor de vraag óf en tot welk bedrag een schuld in de huwelijksgoederengemeenschap valt is derhalve niet de hoofdelijke aansprakelijkheid relevant maar de (interne) bijdrageplicht van de echtgenoot ten opzichte van zijn medeschuldenaar. Het hof heeft dat miskend, en is aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, en heeft daar ten onrechte géén onderzoek naar gedaan, terwijl het partijdebat daar wel toe dwong c.q. aanleiding gaf.7.
Middelonderdeel 5
3.5
De wet bepaalt niet hoe die bijdrageplicht, dus ieders aandeel in de schuld moet worden vastgesteld. De om vang van de bijdrageplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, en wel in de eerste plaats hun onderlinge rechtsverhouding. Van belang kan bijvoorbeeld zijn voor wie van de schuldenaren een krediet was bestemd en aan wie dit daadwerkelijk ten goede is gekomen.8. De parlementaire geschiedenis geeft een aantal voorbeelden van omstandigheden die de grondslag vormen voor de vaststelling van de gedeelten die ieder der schuldenaren aangaat:
- —
Een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst omtrent de bijdrageplicht
- —
De onderlinge rechtsverhouding op grond waarvan men zich heeft verbonden
- —
Als de schuld om baat is aangegaan: de vraag in hoeverre de tegenwaarde van de schuld ieder der schuldenaren ten goede is gekomen
- —
De erfporties van de krachten artikel 6 lid 3 hoofdelijk aansprakelijke erfenamen
- —
Onrechtvaardigde verrijking
De stelling van de vrouw dat betekenis moet worden toegekend aan de omstandigheid dat de gelden zonder uitzondering zijn gestort op de rekening van de vennootschappen en niet aan de man in privé en dat de gemeenschap daar niet door gebaat is, is in het licht van het vorenstaande een essentiele stelling die het hof niet onweersproken had mogen laten9., mede in het licht van de eigen stelling van de man dat leningen bij [betrokkene 1] in de periode tot en met 2018 zagen op de financiering van een zakelijk project. Dat ziet derhalve op:
Lening A | € 1.091.874,80 volledig + rente nadien |
Lening B | € 214.112 (de eerste twee leningdelen) + rente nadien |
Lening H | € 1.189.898 + rente nadien10. |
Ook de volgende stellingen kwalificeren als essentiele stellingen die het hof niet onweersproken had mogen laten.
- •
De stellingen van de vrouw dat de geldleningen bedoeld waren als kapitaalinjecties in het bedrijf van de man en niet als privé-leningen die werden aangegaan voor de huishouding, welke stelling door haar is onderbouwd door te verwijzen naar productie 37 HB van de zijde van de man, waaruit volgt dat de man aan de vrouw documenten ter ondertekening stuurt met de naam [betrokkene 1]/naam bedrijf van de man en de vrouw aan de man schrijft dat zij hoopt dat er nu dan maar eens geld verdiend gaat worden.11.
- •
De stelling van de vrouw dat niet voor de hand ligt dat HR logistic services zich hoofdelijk zou verbinden voor schulden van de man, omdat dat grote financiële gevolgen kan hebben die voor die ondernemingen niet zijn te rechtvaardigen12. en stelling dat het eerder voor de hand ligt dat de man zich als extra garantie als schuldenaar heeft verbonden.13.
- •
De stelling van de vrouw dat de man in eerste aanleg heeft erkend dat ‘tevens (…) de leningen [worden] aangewend om de verplichtingen van de holding en de bij de holding behorende entiteiten te voldoen’ waaruit volgt dat de leningen worden geinvesteerd in de bedrijven.14.
Middelonderdeel 6
3.6
Voor zover het hof in r.o. 5.39 op basis van de daarop gerichte stellingen van de man tot uitgangspunt zou hebben genomen dat voornoemde leningen werden aangegaan om in hun levensonderhoud te voorzien, geldt dat dit oordeel in het licht van de hierboven in middelonderdeel 5 genoemde (essentiele) stellingen onvoldoende gemotiveerd is omdat de vrouw daarmee gemotiveerd heeft aangevoerd dat de leningen in werkelijkheid werden aangegaan ten behoeve van de vennootschappen van de man.
Middelonderdeel 7
3.7
Het hof heeft voorts miskend dat op de man de stelplicht en bewijslast van rustte van zijn (impliciete) stelling dat de omvang van zijn bijdrageplicht ten opzichte van zijn medeschuldenaren, 100% bedroeg. De vrouw heeft in dat kader gesteld
‘Het ligt op de weg van de man, als indirect grootaandeelhouder van HR Logistic Services en bestuurder van de betreffende vennootschap, om gemotiveerd aan te tonen dat en in welke mate de op de bankrekning van HR Logistic Services gestorte bedragen aan hem in privé ten goede zijn gekomen, op welke wijze en hoe dat geadministreerd is. Dat laat hij tot op heden na. Daarmee voldoet hij niet aan zijn stelplicht. Hij stelt immers dat de vordering (geheel of gedeeltelijk) in de gemeenschap valt. Darvan is uitsluitend sprake als er er sprake is van een privé schuld en daarvoor is nodig dat het geld in de gemeenschap is gevloeid. Gezien de storting op de bankrekening van de vennootschap moet daar een administratieve boeking tegenover staan. De enkele omstandigheid dat de man geen jaarcijfers laat opmaken (de meest recente jaarcijfers die gedeponeerd zijn beteffen het boekjaar 2020 , dus vóór de betreffende leningen, en deze zijn eerste in maart 2024 gedeponeerd) kan er niet tot leiden dat de vrouw in bewijsnood komt. Dat dient voor rekening en risico van de man te komen en dat komt het ook via een voorshandsbewijsoordeel. Dat doet recht aan de rechtsverhouding tussen partijen die beheerst wordt door de redelijkheid en billijkheid en het verschil in positie ten opzichte van de relevante bewijsstukken. Deze liggen allemaal binnen de machtssfeer van de man en de vrouw heeft daar geen toegang toe. Het kan niet zo zijn dat de man niets laat zien en dat de consequentie daarvan is dat de vrouw voor een deel opdraait voor een zakelijke lening van de man, alleen maar omdat zijn naam op de geldleningsovereenkomst staat’
Het hof had in het licht van het toepasselijk juridische kader conclusies moeten verbinden aan a) de omstandigheid dat de gelden volledig zijn binnengekomen op bankrekeningen van de vennootschappen, b) de omstandigheid dat de vrouw de man heeft uitgenodigd om bewijs te leveren van zijn stelling en c) de omstandigheid dat de man dat heeft nagelaten (zie par. 47 verweerschrift in incidenteel appél: ‘het is niet relevant hoe de geldstromen zijn verlopen’). De conclusie dat 100% van de zakelijke leningen in de huwelijksgemeenschap valt is apert onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de bewijspositie van de man en de gedingstukken.
Middelonderdeel 8
3.8
Zowel ten aanzien van de schulden van de vennootschappen waarvoor de man zich als borg heeft verbonden als de schulden van de vennootschappen waarvoor de man zich als medeschuldenaar heeft verbonden oordeelt het hof in r.o. 3.48 ‘naar het oordeel van het hof was de vrouw volledig van de gang van zaken met betrekking tot de leningen en de hypothecaire zekerheidsstellingen op de hoogte’. Die overweging is allereerst niet relevant voor de vraag in hoeverre de schulden gekwalificeerd kunnen worden als gemeenschapsschulden maar voor zover daar anders over gedacht zou worden geldt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het partijdebat meer specifiek:
- ➣
Proces-verbaal mondelinge behandeling HB pagina 4:
‘mevrouw is nooit betrokken geweest bij de financieen. Min of meer voor het blok gezet om te tekenen. Er is ook veel waar mevrouw niet voor heeft getekend. Al die overeenkomsten met HR Logistic Services BV. Er zijn geen stukken van die vennootschap. Ik zie wel dat mevrouw heeft meegetekend voor het vermogen van de hypotheekschuld van € 1,5 miljoen. Niet meegetekend met hypotheek € 3 miljoen. Daar was ze ook niet van op de hoogte. Mevrouw wordt kopje onder meegezogen. Mevrouw is steeds voorgehouden dat het zakelijke leningen waren. Dat het de facto oook. Want het is de vennootschappen gestort. Kapitaalinjecties in het enorme bedrijf waarin meneer enorm succesvol was. Mevrouw heeft getekend omdat zij geen onderhoudsgeld kreeg. Dat kreeg ze te horen als er werd gevraagd om te tekenen.’
- ➣
Proces-verbaal mondelinge behandeling HB pagina 5:
‘Voorzitter (mr A.N. Labohm): Mevrouw tekende toch in de huwelijkse periode?
Mr C.G.A. van Stratum (advocaat van de vrouw): niet voor alles.’
- ➣
Zie productie 70 tot en met 84 HB van de zijde van de man (de geldleningsovereenkomsten):
bij de als productie 70 71, 72, 77 en 78 overgelegde geldleningen ontbreekt de toestemmingsverklaring. Ten aanzien van de overige overige geldleningen geldt dat de handtekeningen inconsistent zijn terwijl de toestemmingsverklaringen die zijn bijgevoegd niet te herleiden zijn tot de specifieke geldleningsovereenkomt (uit de toestemingsverklaring blijkt niet waarvoor toestemming wordt verleend).’
- ➣
Zie productie 44 HB van de zijde van de man
‘Daaruit blijkt niet van een door de vrouw verleende toestemming voor het vestigen van het eerste recht van hypotheek’
- ➣
Zie productie 93 HB van de zijde van de man (de notariele stukken waarbij het tweede recht van hypotheek is gevestigd):
‘De akte is gedateerd op 30 december 2022 (na de peildatum 14 juli 2022). Het recht van hypotheek is gevestigd hangende de echtscheidingsprocedure die op 14 juli 2022 is aangevangen. Uit de stukken blijkt niet van een door de vrouw verleende toestemming op het mede op haar naam staande Chateau te bezwaren met een recht van hypotheek. Die toestemming kan ook niet worden ontleend aan de geldleningovereenkomsten nu daarin gesproken wordt over een verhoging van € 1,5 miljoen15. terwijl de hypotheek is gevestigd voor € 3.000.000,00 en mede ziet op leningen die na de peildatum zijn aangegaan, die buiten de huwelijksgoederengemeenschap vallen.’
Middelonderdeel 9
3.9
Dit middelonderdeel is gericht tegen r.o. 5.40 waar het hof overweegt en oordeelt:
‘in productie 69 geeft de man een overzicht van alle gelden die de heer [betrokkene 1] aan de man danwel aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap. Als de bedragen bij elkaar worden opgeteld (afgerond) komt het hof op een bedrag van € 6.016.399,-’
Voor zover dit oordeel aldus moet worden gelezen, dat gelden die [betrokkene 1] (uitsluitend) aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend als gemeenschapsschulden moeten worden gekwalificeerd, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting van artikel 1:94 BW. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren alleen schulden van de echtgenoten (in privé). Een B.V. heeft een afscheiden vermogen. Schulden van aan de man verbonden vennootschappen behoren niet tot de huwelijksgoederengemeenschap maar tot het afgescheiden vermogen van die vennootschappen.
Een en ander brengt mee dat de beschikking ten aanzien van lening C niet in stand kan blijven nu de man ten aanzien van deze lening zich noch als borg noch als hoofdelijk mede-schuldenaar heeft verbonden blijkens de akte die als productie 72 HB man in het geding is gebracht. Dat is door de man ook erkend.16.
Als we de beschikking aldus moeten lezen dat het hof op andere gronden, bijvoorbeeld de stelling van de man er in de akte wordt verwezen naar een hypotheekstelling, van oordeel is dat de schuld als gemeenschapsschuld dient te worden gekwalificeert voldoet de beschikking niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen nu nu het hof geen inzicht geeft aan de aan dit oordeel ten grondslag liggende gedachtegang, mede in het licht van de stelling van de vrouw dat de daadwerkelijk gevestigde hypotheekrechten op het Chateau niet zien op deze lening en het bestaan van een hypotheekrecht hoe dan ook niet zou maken dat sprake is van een gemeenschapsschuld17..
Voor zover dit oordeel anders moet worden gelezen, namelijk als volgt: gelden die de heer [betrokkene 1] aan de man danwel aan de man tezamen met de aan de met de man verbonden vennootschappen heeft geleend tot aan de datum van ontbinding van de gemeenschap, geldt dat het oordeel onbegrijpelijk is ten aanzien van lening C nu zonder nadere toelichting die ontbreekt niet begrijpelijk is op grond waarvan het hof tot de conclusie komt dat er sprake zou zijn van mede-schuldenaarschap. Lening C is bovendien een notarieel vastgelegde akte waaraan op grond van artikel 157 lid 1 BW dwingende bewijskracht ten aanzien van de inhoud toekomt.
Gegrondverklaring van één van de aangevoerde middelonderdelen die zien op de kwalificatie van de schulden als gemeenschapsschulden vitieert ook de in r.o. 5.40 in de eerste zin opgenomen kwalificatie van de schulden als gemeenschapsschulden.
Middelonderdeel 10
3.10
Dit middelonderdeel is gericht tegen r.o. 5.43 waar het hof oordeelt
‘Een redelijke uitleg van het petitum in samenhang bezien met productie 85 gaat het hof ervan uit dat de man zijn verzoek binnen de door hem geformuleerde grief heeft vermeerderd met de rente die na indiening van het beroepschrift opeisbaar is geworden’
Dit oordeel getuigt van een schending van het recht. Het hof treedt hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd, miskent de twee-conclusieregel (productie 85 is op 10 september 2024 in het geding gebracht), miskent dat een vermeerdering van verzoek schriftelijk dient te geschieden, geeft een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, en miskent het beginsel van hoor- en wederhoor en equality of arms. Het hof had de vrouw ten minste in de gelegenheid moeten stellen om zich uit te laten over deze door het hof ambtshalve ingelezen ‘vermeerdering verzoek’.
Middelonderdeel 11
3.11
Gegrondverklaring van één van de voorgaande middelonderdelen vitieert ook het oordeel in r.o. 5.3 waar het hof oordeelt ‘Op basis van de processtukken heeft het hof kunnen vaststellen dat er voor vele miljoenen euro's gemeenschapsschulden zijn’. Dit oordeel is rechtens onjuist op de gronden zoals hiervoor onder middelonderdelen 1 tot en met 9 aangevoerd, althans voldoet niet aan de daaraan te stellen motiveringeisen. De enkele verwijzing naar ‘de processtukken’ geeft mede in het licht van het uitvoerige partijdebat onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het hof voor zover dat gelezen dient te worden als een opzichzelfstaande motivering voor het oordeel dat de leningen gekwalificeerd dienen te worden als gemeenschapsschulden (die los staat van de motivering in r.o. 5.37 — 5.49).
Middelonderdeel 12
3.12
Dit middelonderdeel richt zich tegen r.o. 5.49 waar het hof oordeelt:
‘Gelet op het voorgaande, zal het hof bepalen dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1].’
en het dictum waar het hof oordeelt:
‘Ten aanzien van de schulden:
Bepaalt dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1];’
Dit oordeel kan niet in stand blijven om de redenen zoals genoemd in de voorgaande middelonderdelen.
Ook anderszins kan dit oordeel niet in stand blijven. Het hof treedt hier (al dan niet onbedoeld) buiten de grenzen van het partijdebat door zowel in r.o. 5.49 als in het dictum in algemene zin te oordelen over ‘de openstaande schulden bij [betrokkene 1]’.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man ook na de peildatum nog verschillende leningen is aangegaan bij [betrokkene 1]. Dat volgt uit de beschikking van de rechtbank van 25 juli 2023, pagina 12 vierde alinea. Tussen partijen is ook niet in geschil dat die leningen niet vallen in de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen gehuwd zijn en dat de vrouw daar derhalve niet mede draagplichtig voor is. Daarmee is het hof ook bekend. Het hof overweegt immers in r.o. 5.42 ‘uit dit overzicht volgt dat de schuld (inclusief rente) wegens het uitblijven van rentebetalingen en aflossingen, per 15 september 2023 (en ten tijde van het beroepschrift) is opgelopen tot € 6.672.442,53 en dat de totale schuld bij [betrokkene 1] nadien is opgelopen tot € 8.614.784,79’.
De man heeft in zijn petitum in hoger beroep verzocht om te bepalen dat partijen in onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de openstaande schulden inclusief rente behorend bij de geldleningen bij [betrokkene 1] van data 24-09-2021, 03-12-2021, 15-12-2021, 10-01-2022, 26-01-2022, 28-02-2022, 29-12-2021, 28-03-2022 29-04-2022, 01-06-2022, 24-02-2020, 10-01-2022, en 1-09-2020 met een totaalbedrag van € 6.672.442,53.’ Het hof heeft dus meer toegewezen dan er verzocht is (alle schulden in plaats van de specifiek verzochte schulden).
De vrouw heeft recht en belang bij dit middelonderdeel nu — mede gezien de gevestigde hypothecaire geldleningen — duidelijk dient te zijn voor derden voor welke schulden zij wél en voor welke schulden zij niet mede draagplichtig is (zonder dat dit aankomt op een uitleg van de beschikking in het licht van het partijdebat, wat voor rechtsonzekerheid zorgt).
Redenen waarom
De vrouw zich wendt tot de Hoge Raad met het eerbiedig verzoek de bestreden beschikking te vernietigen met zodanige uitspraak als uw Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
Den Haag, 25 april 2025
't welk doende enz.
Advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 25‑04‑2025
PD EA verweerschrift van de zijde van de vrouw, pagina 9 onder ad b
PD HB, appèlschrift par. 56
PD HB, verweerschrift van de zijde van de vrouw par. 2.45
T&C BW, commentaar op art. 7:850 BW
Zie ook PD HB, verweerschrift van de zijde van de vrouw 2.43, Zie ook PD EA, verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens gewijzigde c.q. vermeerderde verzoeken, par. 18 op pagina 7
Productie 3 HB van de zijde van de vrouw (beschikking van de rechtbank d.d. 14 juli 2022), pagina 4 één na laatste alinea waar de rechtbank overweegt: ‘de rechtbank stelt vast dat partijen het er over eens dat de vennootschappen Elas Business Serives B.V. en Elas Professional Network B.V. zelfstandige entiteiten zijn en dat de aandelen van deze vennootschappen daarom apart moeten gewaardeerd’
PD HB: verweerschrift van de zijde van de vrouw 2.33 en 2.34 , zie ook par. 2.37 waar de vrouw er op heeft gewezen dat de leningen zonder uitzondering zijn gestort op de bankrekening van de vennootschappen en een puur zakelijk karakter hadden. Zie ook par. 2.46 waar de vrouw er op heeft gewezen dat de bedrijven van de man (niet partijen) ruim 6 miljoen euro hebben geleend van [betrokkene 1].
GS verbintenissenrecht, artikel 6:10 BW, aantekening 3, zie ook Gerechtshof 's‑Hertogenbosch 19 december 2023 ECLI:NL:GHSHE:2023:4227, zie ook HR 13 juli 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW:4206, NJ 2012/447: De vraag lag hier voor naar de interne draagplicht tussen concernvennootschappen voor de aan twee of meer van hen gezamenlijk verleende kredieten waarover geen afspraak was gemaakt. Om dit te bepalen, moet dan worden nagegaan wie de schuld aangaat waarvoor van belang is wie het krediet benutte of te wier beschikking di kwam
PD HB verweerschrift van de zijde van de vrouw, par. 3.21 –3.24, 2.34 en ook par. 2.37 waar de vrouw er op heeft gewezen dat de leningen zonder uitzondering zijn gestort op de bankrekening van de vennootschappen
Bij wege van hypothetische feitelijke grondslag, het gaat om ongedateerde en ongedocumenteerde leningen die zijn omgezet.
PD HB verweerschrift van de zijde van de vrouw, par 2.35
PD HB verweerschrift van de zijde van de vrouw, par 2.21
PD HB verweerschrift van de zijde van de vrouw par. 3.21
PD EA pleitaantekeningen van de zijde van de vrouw, p. 3. Onder geldleningen en vorderingen op B.V.'s onder verwijzing naar het verweerschrift van de man op pagina 15
Zie bijv. productie 82
PD HB, verweerschrift in incidenteel appèl, par. 54
PD HB, verweerschrift van de zijde van de vrouw par. 2.45