Einde inhoudsopgave
RvdW 2026/394
Relatievermogensrecht. Valt schuld waarvoor echtgenoot zich als borg (art. 7:850 BW) of medeschuldenaar (art. 6:7 BW) heeft verbonden in huwelijksgoederengemeenschap (art. 1:94 lid 5 (oud) BW)?; interne draagplicht t.o.v. medeschuldenaar relevant?
HR 06-03-2026, ECLI:NL:HR:2026:347
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
6 maart 2026
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma
- Zaaknummer
25/01590
- Conclusie
A-G mr. S.E. Bartels
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Personen- en familierecht / Relatievermogensrecht
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2026:347, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑03‑2026
ECLI:NL:PHR:2025:1363, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑12‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑04‑2025
- Wetingang
Essentie
Relatievermogensrecht. Valt schuld waarvoor echtgenoot zich als borg (art. 7:850 BW) of medeschuldenaar (art. 6:7 BW) heeft verbonden in huwelijksgoederengemeenschap (art. 1:94lid 5 (oud) BW)?; interne draagplicht t.o.v. medeschuldenaar relevant?
Samenvatting
Een borg verbindt zich op grond van art. 7:850 lid 1 BW tot nakoming van de verbintenis die de hoofdschuldenaar tegenover zijn schuldeiser heeft of zal krijgen. De borg is daarmee (op grond van art. 7:850 lid 3 BW in beginsel hoofdelijk) aansprakelijk voor de schuld van de hoofdschuldenaar jegens de schuldeiser. Op grond ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.