Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.4.3.4
3.4.3.4 Minder ernstige feiten die de voorbode zijn van ernstige strafbare feiten
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715500:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: Harcourt 1999, p. 149-161. Het belangrijkste functionalistische bezwaar daartegen is dat een dergelijk verband tot dusver nog niet is aangetoond. Zie bijvoorbeeld: Harcourt & Ludwig 2006, p. 272-276 en 282-300; Bowling 1999, p. 551; Greene 1999, p. 177-181.
Vandaar dat bij personen met een voorbeeldfunctie ook hogere eisen kunnen worden gesteld, waardoor ook de voorbereiding strafbaar wordt (zie bijvoorbeeld artikel 363 lid 3 Sr). Wat dat betreft lijkt het ook relevant of de dader bijvoorbeeld een publieke of voorbeeldfunctie heeft (zie bijvoorbeeld: artikel 363 lid 3 Sr).
Peters 1966, p. 171. Zie verder §4.4.
De Jong 1989a, p. 3, 4-5. Zie ook §2.4.3 en §4.2.2.
Met het oog daarop zou het wellicht ook voor de hand liggen om strafverhoging wegens recidive (artikel 43a Sr) mee te wegen in het toepassingsbereik van de voorbereiding. Doordat artikel 46 Sr echter spreekt van een misdrijf waar ‘naar wettelijke omschrijving’ acht jaar of meer op is gesteld, is dat nu niet het geval.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 59-60.
Simester & Von Hirsch 2011, p. 55.
Vgl. Simester & Von Hirsch 2011, p. 60-61.
Als gevolg van dat meer deterministische mensbeeld blijft de hiervoor in §2.2 besproken problematiek van vrije wil grotendeels buiten beschouwing. Dat een verdachte in theorie nog op zijn handelingen terug kan komen is niet zo relevant als de objectieve kans dat hij dat daadwerkelijk zal doen.
Bovendien is binnen de functionalistische visie ook ruimte voor het besef dat weinig ernstige gedragingen nauw met zware criminaliteit kan zijn verweven. Als – zoals de broken windows-hypothese stelt – zichtbare kleine overlast een voorbode is van ernstigere criminaliteit, valt wel te betogen dat de overheid juist vroegtijdig tegen allerlei kleinigheden moet kunnen optreden.1 Ook los van die hypothese is wel betoogd dat pogings- en voorbereidingshandelingen als verkeerd voorbeeld kunnen dienen en tot imitatiegedrag kunnen leiden.2 In dat geval is de pogings- of voorbereidingshandeling zelfstandig schadelijk, los van de vraag of in casu het strafbare feit uiteindelijk zou worden voltooid. Peters komt bovendien met de wat paradoxale redenering dat juist bij minder ernstige delicten de toegevoegde waarde van een strafbaarstelling relatief hoog zou zijn, omdat de meeste mensen uit zichzelf al de nodige psychische weerstand zouden hebben om ernstige strafbare feiten te plegen.3 Tot slot is – zoals gezegd – wel aangevoerd dat criminelen later vaak opnieuw hun slag zouden proberen te slaan indien hun zaak is stukgemaakt, zodat de strafbaarstelling van voorbereiding de politie veel werk zou kunnen besparen in het in de gaten houden van deze personen.4 Bij vormen van criminaliteit waarbij vaak recidive te verwachten valt, zou de voorfase dan sneller in aanmerking komen voor strafbaarstelling.5 Dat biedt een alternatieve verklaring voor het fenomeen dat de strafbare voorfase onder meer is opgerekt bij misdrijven die uit overtuiging, gewoonte of beroepsmatigheid worden gepleegd: in die gevallen lijkt de kans op recidive op het eerste gezicht het grootst.6
De wenselijkheid van strafbaarheid in de voorfase staat en valt binnen deze redenering in ieder geval met de causale verbanden die voorfasehandelingen in gang zetten. Dat kan behoorlijk vergaande gevolgen hebben. Stel dat bijvoorbeeld vast komt te staan dat geslachtsgemeenschap voor het huwelijk vaak tot buitenechtelijke kinderen leidt en dat die buitenechtelijke kinderen vaker in armoede en met zwakkere sociale controle opgroeien en daardoor een grotere kans hebben om in de criminaliteit te belanden, dan zou de samenleving vanuit functionalistisch perspectief een rechtvaardiging hebben om overspel strafrechtelijk aan te pakken als de ‘voorfase’ van ernstige criminaliteit.7 Datzelfde geldt voor drugsgebruik als vast zou komen te staan dat dat leidt tot luiheid, inefficiëntie en armoede en daarmee uiteindelijk criminaliteit.8 Dat die criminaliteit niet automatisch uit de verboden gedraging volgt en de betrokkenen daarvoor steeds nadere keuzes zullen moeten maken, is binnen de functionalistische theorie maar beperkt relevant.9 Met enerzijds een tamelijk deterministisch mensbeeld en anderzijds een sterke focus op een rationele kosten-batenafweging, is de kans op enkele onterechte veroordelingen tot op zekere hoogte bovendien toch al de onvermijdbare prijs voor een zekere mate van effectiviteit en efficiëntie.10