Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.2.1:2.2.1 Relatie tot andere doelen in het strafproces
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.2.1
2.2.1 Relatie tot andere doelen in het strafproces
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aan de discussie over wat als hoofddoelstelling heeft te gelden, wordt hier verder voorbijgegaan. Zie op dit punt meer uitvoerig onder meer Crijns & Van der Meij 2005, p. 51-69.
In dit verband kan onderscheid gemaakt tussen deugdelijkheidsregels (gericht op waarheidsvinding) en behoorlijkheidregels (gericht op rechtsbescherming). Zie verder Dubelaar 2009, p. 93-105.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waarheidsvinding is geen doel op zich, maar staat mede ten dienste van andere doelen in het strafproces zoals rechtsbescherming en de verwezenlijking van het materiële strafrecht.1 Wat dat laatste betreft: in het strafrecht gaat het om het sanctioneren van door de wetgever als strafbaar aangeduid gedrag. Zonder de feitelijke vaststelling dat bepaald gedrag zich heeft voorgedaan, kan niet worden gestraft. Daar ligt een uitdrukkelijke verbinding met het materiële strafrecht. Echter, de waarheidsvinding geschiedt niet alleen opdat de schuldigen worden gestraft, maar is er tevens op gericht dat onschuldige burgers vrijuit gaan (en zo min mogelijk hinder ondervinden van het strafrechtelijk onderzoek). Het strafproces moet de verdachte bescherming bieden tegen de almacht van de staat door te voorkomen dat hij willekeurig onderwerp van onderzoek wordt en een veroordeling plaatsvindt zonder dat daaraan een deugdelijke feitenvaststelling ten grondslag ligt en de verdachte een weerwoord tegen de beschuldiging heeft kunnen bieden. Bovendien moet ook aan de belangen van andere procesdeelnemers, zoals slachtoffers en getuigen, worden tegemoetgekomen. Dit perspectief is met name de laatste decennia steeds meer dominant geworden. Het strafproces is dus niet alleen gericht op het realiseren van een fatsoenlijk proces voor de verdachte, maar daarbinnen dienen mede de belangen van andere procesdeelnemers in acht te worden genomen.
De vaststelling dat waarheidsvinding niet de enige doelstelling is, is van belang omdat de overige doelen hun weerslag hebben op de wijze waarop het onderzoek naar de feiten en het proces van bewijzen wordt vormgeven. De waarheidsvinding staat niet alleen ten dienste van deze doelen, maar wordt daar in bepaalde opzichten ook door beperkt en gekleurd. Een juiste toepassing van het materiële strafrecht vergt dat het feitenonderzoek daarop wordt afgestemd. Welke aspecten van de werkelijkheid relevant zijn voor de beslissing van de rechter wordt mede door het materiële recht bepaald. De binding aan het materiële recht brengt mee dat de wettelijke delictsomschrijvingen in belangrijke mate de omvang van de waarheidsvinding en de inzet van het feitenonderzoek ter terechtzitting bepalen. Bovendien heeft ook het doel van rechtsbescherming zijn weerslag op het proces van waarheidsvinding. De zoektocht naar de waarheid kan niet altijd onbelemmerd doorgang vinden. Zoals hierna duidelijk zal worden prevaleert in bepaalde gevallen de rechtsbescherming van de verdachte of de getuige boven de epistemologische waarde van het beste bewijs. Het strafprocesrecht kent ook procedurele regels die de behoorlijkheid van de procedure moeten garanderen.2 Echter, dat rechtsbeschermende procedures in bepaalde gevallen de waarheidsvinding kunnen belemmeren, doet niet af aan het belang van waarheidsvinding voor de legitimiteit en eerlijkheid van de procedure.
Voorgaande laat onverlet dat op sommige momenten in de loop van de strafrechtelijke procedure waarheidsvinding niet (of niet zo uitdrukkelijk) op de voorgrond staat. Hierbij kan worden gedacht aan de procedure in cassatie, waarbij de feitelijke constellatie naar de achtergrond is geschoven en het vooral gaat om de vraag of de procedurele regels in acht zijn genomen en het recht op de juiste wijze is toepast. Daarnaast kent elk rechtsstelsel systeem-ontlastende procedures in de vorm van verkorte afdoeningen, waarbij het aspect van de waarheidsvinding meer naar de achtergrond is verschoven, zoals de procedure voor de strafbeschikking in Nederland, de plea bargaining procedure in Amerika en het Beschleunigtes Verfahren in Duitsland. Niet dat de feiten in dit type procedures niet meer ter zake doen, maar met de vaststelling daarvan wordt meer pragmatisch omgesprongen in de zin dat genoegen wordt genomen met minder zekerheid dan in de reguliere procedure of dat de procedure met minder waarborgen is omkleed. Echter, ook in de reguliere procedure wordt de omvang van de feitenvaststelling beperkt door overwegingen van efficiency. Hoewel men erover kan twisten of het streven naar een efficiënte en doeltreffende procedure als een zelfstandige doelstelling geldt in het strafproces (menig jurist zal dit ontkennen met de argumentatie dat efficiencyoverwegingen nooit ten koste mogen gaan van de individuele verdachte), zijn de beperkte middelen wel een realiteit waarmee elke praktijkjurist zich ziet geconfronteerd en die hun weerslag kunnen hebben op de kwaliteit van het proces van waarheidsvinding. Met de beperkte middelen die Justitie op dit moment ter beschikking staan, moet ook in dit onderzoek rekening worden gehouden.